Als in een voetbalgek land als Italië de cafés hun tv nog liever afstemmen op tennis dan op de azzurri, dan is er iets aan de hand. Het Italiaanse nationale voetbal zit in een ongekende vrije val. Kwalificatie voor het WK 2026 hangt aan een zijden draadje.
was van 2016 tot 2020 Italië-correspondent voor de Volkskrant
Het was een veelzeggend beeld, afgelopen september op de stadspleinen van Italië: de temperatuur was zacht, de terrassen zaten stampvol en terwijl op een voetbalveld even verderop de elf beste spelers van volkssport nummer 1 zich opwarmden voor een cruciale WK-kwalificatiewedstrijd, stonden de tv’s in vrijwel alle kroegen afgesteld op de US Open, het tennistoernooi waar landgenoot Jannik Sinner die week de finale haalde.
‘Zendt u vanavond geen voetbal uit?’
‘Nee, het moet wel een beetje gezellig blijven.’
Toegegeven: sportkijkers zijn in elk land ter wereld enorme opportunisten. Zodra Femke Bol het op haar heupen krijgt, is de gemengde 4x400 meter estafette dé lievelingssport van Nederland, tot Max Verstappen wat extra gas geeft en iedereen weer moeiteloos doorschakelt naar de Formule 1.
Toch leek er altijd een uitzondering op die regel te bestaan, namelijk de onvoorwaardelijke, onwrikbare liefde die Italianen voelen voor hun teerbeminde calcio. Die liefde was niet alleen allesomvattend, die was onbreekbaar.
Kijk alleen al naar de oorsprong van het Italiaanse woord voor voetbalfan: tifoso. Dat betekent letterlijk: iemand die besmet is met tyfus. Iemand dus die bevangen is door een koortsachtige trilling; iemand die niet meer fatsoenlijk kan functioneren.
Die gemoedstoestand slaat van oudsher weliswaar vooral op de liefde voor de lokale club. Italië is historisch gezien namelijk een samenraapsel van een aantal zeer verschillende streken die allemaal een eigen taal, identiteit, keuken en noem maar op bezitten. Die onderlinge rivaliteit zorgde eeuwenlang voor oorlogen op het schiereiland en werd na de ietwat gekunstelde eenwording, eind 19de eeuw, moeiteloos voortgezet op het voetbalveld.
De nationale ploeg was in die beginjaren iets voor erbij – iets wat je misschien zijdelings volgde als Italië toevallig de kwartfinale had bereikt. Dat veranderde echter met de introductie van livewedstrijden op landelijke televisiezenders, waardoor wedstrijden van La squadra azzurra langzaamaan uitgroeiden tot de eerste waarlijk nationale momenten van eenheid.
Sterker nog: de eenwording die officieel in 1860 was begonnen dankzij Giuseppe Garibaldi, werd eigenlijk pas echt voltooid toen Fabio Grosso in 2006 de winnende penalty binnenschoot in de WK-finale tegen Frankrijk, en er gejuich klonk van Puglia tot Piemonte.
Om maar aan te geven: dat in zo’n voetbalgek land als Italië zelfs de bareigenaren momenteel beseffen dat ze klandizie verliezen als ze hun televisies afstemmen op de azzurri, en daarom kiezen voor tennis, zegt veel. Heel erg veel.
Italië speelt zondag zijn laatste WK-kwalificatieduel tegen Noorwegen en tenzij er een wonder gebeurt (het elftal van bondscoach Gennaro Gattuso moet thuis met 9-0 winnen om zich rechtstreeks te plaatsen voor het WK) was het wederom een desastreuze kwalificatie. Vrijwel alles zat tegen, van de kansloze 0-3-nederlaag uit bij Noorwegen tot de zoveelste ontslagen bondscoach, en de vier tegendoelpunten tegen Israël.
Het gevolg daarvan is dat Italië na zondag waarschijnlijk voor de derde keer in drie opeenvolgende WK-kwalificaties is aangewezen op de play-offs. De vorige twee keer draaide dat uit op een ware vernedering. In aanloop naar het WK van 2018 werd verloren van Zweden, met als gevolg dat het wereldkampioenschap in Rusland het eerste sinds 1958 was zonder viervoudig winnaar Italië (en dus het eerste WK uitgezonden op kleurentelevisie zonder de iconische kleur azzurro).
‘Het spijt mij, het spijt mij, het spijt mij’, sprak een huilende Gianluigi Buffon tot de draaiende camera’s. ‘Niet eens omdat ik het erg vind voor mijzelf, maar vooral voor het Italiaanse voetbal.’
Vier jaar later verliepen de play-offs zo mogelijk nog slechter, toen voetbaldwerg Noord-Macedonië te groot bleek – en er dus weer een WK plaatsvond waarop geen enkele speler gepassioneerd het Fratelli d’Italia meezong. Ditmaal was het Gianluigi Donnarumma die de woorden van zijn voorganger Buffon herhaalde. ‘Het spijt mij’, zei hij. ‘We zijn verschrikkelijk teleurgesteld en we beseffen dat ook alle Italianen verschrikkelijk teleurgesteld zijn.’
De teloorgang van het Italiaanse voetbalelftal was op dat moment overigens al langer bezig. Na de WK-winst in 2006, behaald door een team met daarin meer kunstenaars dan in een gemiddeld Florentijns museum (Andrea Pirlo, Alessandro del Piero en Francesco Totti, de lijst is eindeloos), ging het land tijdens het WK van 2010 in Zuid-Afrika roemloos ten onder: het eindigde als laatste in de groep, nog onder Nieuw-Zeeland. Op het WK van 2014 werd slechts één wedstrijd gewonnen en in 2018 en 2022 plaatste Italië zich dus überhaupt niet.
Dat betekent dat iemand als de 18-jarige centrale verdediger Giovanni Leoni, door vrijwel iedere kenner beschouwd als hét grote verdedigende talent van Italië, gedurende zijn hele leven getuige is geweest van slechts één gewonnen WK-wedstrijd.
Uiteraard was er vier jaar geleden een gigantische opleving op het Europees Kampioenschap van 2021. Tijdens dat EK, dat volgde op het voor Italië in ieder opzicht hallucinante coronajaar, stegen gli azzurri totaal onverwacht boven zichzelf uit en versloegen ze Engeland in de finale.
Niet voor niets was de feestvreugde na die overwinning ongekend. Alle systeemkritiek die daarvoor was losgekomen over de deplorabele staat van het Italiaans voetbal (het conditionele niveau van de Serie A lag te laag, Italiaanse trainers waren te weinig vernieuwend, er waren te veel buitenlandse spelers actief in de eigen competitie, noem maar op) kon de prullenbak in. Het tij was immers gekeerd.
Althans, dat was korte tijd de hoop, want slechts een paar maanden later slaagde praktisch dezelfde spelersgroep, geleid door dezelfde bondscoach (Roberto Mancini), er dus niet in zich te kwalificeren voor het WK van 2022 in Qatar (‘Van het paradijs naar de hel’, kopten de Italiaanse kranten gedesillusioneerd). Toen vlak daarna ook het EK in 2024 uitdraaide op een catastrofe – Italië was de zwakste titelverdediger sinds de Grieken in 2008 – begonnen de eerste fans af te haken.
En niet alleen de fans. Ook trainers als Claudio Ranieri en Stefano Pioli bedankten sindsdien voor de eer om bondscoach te worden, en zelfs een speler als Federico Chiesa van Liverpool – samen met Gianluigi Donnarumma (Manchester City) en Riccardo Calafiori (Arsenal) überhaupt de enige overgebleven Italiaan die nog actief is in de absolute wereldtop – liet sinds dat laatste EK iedere wedstrijd van de nationale ploeg verstek gaan.
Het Italiaanse nationale voetbal zit in een ongekende vrije val, vergelijkbaar met die van voormalige grootmachten als Manchester United, Anderlecht en Ajax op clubniveau. En eigenlijk is er nog maar één kans om die vrije val te stoppen en de harten van de tifosi terug te winnen, namelijk door ditmaal wél de play-offs te overleven, zodat Italië volgend jaar voor het eerst sinds 2006 weer eens kan schitteren op een WK.
Of nou ja, eigenlijk zijn er twee kansen: zondagavond met 9-0 winnen van Noorwegen en alsnog eerste eindigen in de poule, dat mag natuurlijk ook.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant