Home

Met eindeloos geduld en nostalgie ontwikkelde het echtpaar Becher een fotografische catalogus van de zware industrie

Tot februari is een greep uit het invloedrijke werk van het fotografen-echtpaar Bernd en Hilla Becher te bekijken in Keulen. Het monnikenwerk van de Bechers, die talloze industriële bouwwerken fotografeerden, leidde tot een soort biologische classificering van vervallende architectuur.

is kunstredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over fotografie en de zakelijke kant van de kunstwereld.

Het geluidloze filmpje, in 1987 door hun zoon geschoten, demonstreert hoever het Duitse fotografenechtpaar bereid was te gaan. Hilla en Bernd Becher, chroniqueurs van industriële architectuur, arriveren bij een enorme graansilo in de Amerikaanse staat Ohio met hun Volkswagenbus, camera’s, lenzen en ladders – ter bespoediging van hun werk hebben ze in de VS dezelfde uitrusting aangeschaft als die ze in Europa gebruiken.

Ze constateren dat het agrarische gevaarte het best vanuit één hoek kan worden vastgelegd, maar dat een flinke boom dan een deel van het gezicht ontneemt. Volgende shot: Bernd is in de boom geklommen en zaagt (met instemming van de silo-eigenaar) stuk voor stuk de takken af, die Hilla vervolgens wegsleept. Na twee dagen staat het graanpakhuis op de plaat. Wie goed kijkt naar Getreidesilo, Bluffton, Ohio, USA, 1987, ziet rechtsonder op de foto de stomp van een boom staan.

Het filmpje en de opname maken deel uit van de tentoonstelling Bernd & Hilla Becher – Geschichte einer Methode in de Photographische Sammlung in Keulen. Dat fotografiemuseum beheert, samen met zoon Max Becher, de enorm verdienstelijke nalatenschap van het echtpaar.

Niet te tekenen

Niet alleen legden Bernd (1931-2007) en Hilla Becher (1934-2015) vijftig jaar lang industrieën vast die inmiddels grotendeels zijn verdwenen, ze deden dat ook nog op zo’n kunstzinnige wijze dat hun foto’s in tal van topcollecties zijn opgenomen. Daarnaast was het stel – hij was twintig jaar hoogleraar fotografie aan de Kunstacademie Düsseldorf, zij zijn onbezoldigde evenknie – de aanstichters van een heuse stroming, de Düsseldorfer Schule, die tal van beroemde fotografen voortbracht.

Het leek er aanvankelijk niet op dat het koppel zo succesvol zou worden. Bernhard Becher was opgeleid als decoratieschilder en tekende graag. Hij legde onder meer uiterst precies de kolenmijnen vast die hij uit zijn jeugd in Siegen kende. De sloop van deze onrendabel geworden complexen ging echter zo hard, dat hij het al tekenend niet kon bijhouden. Dat was de reden om een Rolleiflex-camera aan te schaffen.

Hiltrud Wobeser was in 1953 Oost-Duitsland ontvlucht en ging in Hamburg aan het werk als zelfstandig fotograaf. De twee kwamen elkaar in 1957 tegen bij een reclamebedrijf in Düsseldorf, waar zij een aanstelling had gekregen en hij wat bijverdiende om zijn studie aan de Kunstacademie te kunnen betalen. Zij ging daar ook studeren. De opleiding fotografie stond er nog in de kinderschoenen – zij zette de eerste donkere kamer op. In 1961 trouwden ze.

Tweehonderd industriecomplexen

Ze waren toen al aan een merkwaardig project begonnen: het portretteren van zware industrie. Eerst in het Duitse Ruhrgebied, dat dicht bij hun huis lag en waar het stikte van de kolenmijnen, maar al snel ook in België, Engeland, Frankrijk, Nederland en later zelfs in de VS. Ze zouden zo’n tweehonderd industriecomplexen vastleggen.

Vanwege sloopplannen was er vaak haast bij. ‘In Engeland wachtten ze zelfs met het ontmantelen van een mijnschachttoren totdat ik het op film had vastgelegd’, pochte Bernd in 1971 in Ruhrkohle, een tijdschrift voor medewerkers van het gelijknamige mijnbedrijf.

Nostalgie was, vooral voor hem, een drijfveer. Maar ze waren ook gefascineerd geraakt door de vele vormen die ze op de uitgestrekte terreinen tegenkwamen, van de eenvoudige lijnen van de schachttorens, waardoor kolen en mijnwerkers uit de ondergrondse dieptes werden gehesen, tot de grillige geraamten van de enorme hoogovens. Aan hun eerste grote monografie gaven ze een veelzeggende titel mee: Anonyme Skulpturen (1970).

Niemand had toen artistieke belangstelling voor de industriële erfenis uit de 19de eeuw. ‘Wij waren eigenlijk de enigen’, vertelt Hilla in de documentaire Die Fotografen Bernd und Hilla Becher (2012). ‘Wij steunden elkaar. Dit soort fotografie was een hopeloos ouderwetse zaak.’

Zij legden hun onderwerp ook nog eens vast met technologie uit het verleden: joekels van balgcamera’s, waarin voor elke opname een groot zwart-wit negatief werd geschoven – in het begin zelfs glasplaten. Hilla had in Oost-Duitsland met dit soort toestellen gewerkt. ‘We hebben bewust voor de fotografie van de 19de eeuw gekozen. Met de grote camera’s die verstelbaar en precies waren. Dat begreep niemand toen. Het was de hoogtijd van de journalistieke fotografie.’

Hun foto’s werden populair. Ze borduurden voort op de Nieuwe Zakelijkheid en het werk van de grote Duitse fotografen Karl Blossfeldt, August Sander en Albert Renger-Patzsch. Al in 1972 werden ze ingelijfd door een galerie in New York. Hun foto’s werden veel geëxposeerd, bekroningen volgden. In 2002 ontvingen ze uit handen van Prins Bernhard de prestigieuze Erasmusprijs.

Nauwkeurig en systematisch

De waardering voor hun werk heeft veel te maken met herkenbaarheid en toegankelijkheid. Ze fotografeerden hun onderwerpen steeds in zwart-wit op dezelfde nauwkeurige en systematische manier, vaak vanuit meerdere hoeken. Als de zon fel scheen werd er gewacht, tijdens een reis in Amerika een keer zelfs drie weken. Ze wilden niet dat harde schaduwen het beeld verstoorden. Dit alles had een opmerkelijk consistent oeuvre tot gevolg.

Daarnaast kregen ze rond 1965, zo wordt in de expositiecatalogus gereconstrueerd, het geniale idee om de installaties op de industriële complexen en andere onderwerpen als biologen te gaan classificeren. Zij deelden die op in ‘typologieën’ en toonden van elk daarvan voorbeelden in één lijst: schachttorens, hoogovens, kolenbunkers, koeltorens, gashouders, graansilo’s, hoogspanningsmasten, watertorens, vakwerkhuizen, noem maar op. Elke typologie is een visueel feest van overeenkomsten én verschillen.

Volgens Max Becher, de zoon die zelf ook met zijn vrouw een fotografiecarrière opbouwde, vulden zijn ouders elkaar goed aan. Bernd was een ‘manische verzamelaar van alle mogelijke zaken’, zegt Max in de documentaire. Hilla interesseerde zich volgens hem meer in manieren om meer klaarheid te brengen in complexe zaken. ‘Bij haar was er heel sterk de behoefte om iets duidelijk te presenteren, zodat iedereen het meteen zou begrijpen.’

Geliefd

De twee gingen veel met conceptuele kunstenaars en minimalisten om, vooral in de VS. Mede daardoor werden de typologieën van de Bechers tot deze stromingen gerekend en belandden die in tal van kunstmusea. Hun werk is in Amerika inmiddels zo geliefd dat het machtige Metropolitan Museum of Art in New York in 2022 een groot overzicht van hun werk liet zien.

Dit retrospectief, dat ook nog doorreisde naar het San Francisco Museum of Modern Art, leunde vooral op de collectie van de Photographische Sammlung in Keulen. Dat museum pakt nu zelf uit met meer dan driehonderd foto’s. Bernd & Hilla Becher – Geschichte einer Methode maakt inzichtelijk wat voor werk zij maakten en hoe.

Zo is een deel van de tentoonstelling gewijd aan de foto’s die zij in 1982-1985 schoten van de Zeche Ewald Fortsetzung, een steenkoolmijn in het noorden van het Ruhrgebied. Een overzichtsbeeld – twee aan elkaar geplakte foto’s – toont de grote omvang van het complex. Daaromheen hangen 34 foto’s die een indruk geven van het monnikenwerk waarmee het echtpaar alle fabrieken en installaties op het terrein documenteerde.

Dat de kolenmijnen veel milieuverontreiniging veroorzaken, toonden de Bechers niet, net zomin als de sociale onrust rond de sluitingen. Van 1967 tot 1970 portretteerden zij bijvoorbeeld de mijn Concordia in Oberhausen, niet ver van de Nederlands-Duitse grens. In 1968 ging die, ondanks massaal protest, dicht. Volgens mediaberichten kwamen 3.800 mijnwerkers op straat te staan.

De Bechers waren er echter niet in geïnteresseerd om hun camera op werknemers te richten ‘of fotografie te gebruiken om maatschappelijke kwesties binnen de mijnbouwbedrijven onder de aandacht te brengen’, constateert Gabriele Conrath-Scholl, directeur van de Photographische Sammlung, in de catalogus die door het Metropolitan Museum of Art werd uitgebracht. Het ‘conceptuele picturale’ stond bij hen voorop.

Bernd & Hilla Becher – Geschichte einer Methode. In Die Photographische Sammlung, Keulen, t/m 1/2. Bij de tentoonstelling is een gelijknamige catalogus verschenen (Duitstalig), Schirmer/Mosel, € 58.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next