Home

Kunstwerken in de tuin van het Kröller-Müller Museum krijgen hun eigen wintertentje

Het is weer tijd om de tuin winterklaar te maken. Dat geldt ook voor het Kröller-Müller Museum, waar tientallen beelden moeten worden ingepakt tegen het vocht en de kou. De Volkskrant ging kijken.

In de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum in Otterlo heerst een serene herfstrust. Oranjerood blad dwarrelt neer tussen de ruim tweehonderd sculpturen van vaak wereldberoemde kunstenaars. Af en toe weet een zonnestraal het donkergrijze wolkendek te doorbreken.

Een zwaar brommend geluid verstoort de stilte. Het is een vrachtwagen die pal naast het kunstwerk Tempeltje van het dagelijks leven (Pjotr Müller) tot stilstand komt. Een viertal mannen, uitgerust met regenpakken en stevige schoenen, stapt uit en plaatst binnen de kortste keren een groot lichtgroen zeil over het werk. Het heeft iets weg van een kunstroof.

Jaarlijks ritueel

Hier gebeurt niets geks, aldus restaurator Vera Bakker (50): dit gezelschap maakt de beeldentuin ‘winterklaar’, een ritueel dat elk najaar plaatsvindt in de befaamde tuin van het museum. De kwetsbaarste beelden uit de tuin worden schoongemaakt, afgedekt, ontoegankelijk gemaakt en soms zelfs ontmanteld.

De najaarse operatie is beslist geen overbodige luxe, volgens Bakker, die al twaalf keer meehielp. ‘Tijdens winterse omstandigheden zoals vorst, regen en wind gaat het verval van de buitenbeelden extra hard. We moeten ze beschermen, zodat volgende generaties er ook van kunnen genieten.’

Het grootste gevaar komt van vocht dat in poriën of scheuren dringt. Zodra de temperatuur onder nul zakt, zet het water uit en kunnen barsten in het werk ontstaan. Dat is ook gevaarlijk voor bezoekers: ‘Hoewel het niet mag, klimmen kinderen soms op de beelden. Je moet er niet aan denken dat er dan iets afbreekt’, zegt Bakker.

Eerste ronde

De voorbereidingen voor het winterklaar maken beginnen al in september, als Bakker met haar collega’s een eerste ronde door de tuin maakt. Per beeld stellen ze de vraag: komt het zelfstandig de winter door of heeft het hulp nodig? Kunstwerken die recentelijk gerestaureerd of al op hoge leeftijd zijn, hebben vaak winterbescherming nodig.

Dit jaar kwam de teller op 29 beelden die hulp nodig hebben. De restauratoren verdelen de verantwoordelijkheid onderling. ‘Iedereen heeft zijn eigen lievelingen’, zegt Bakker, ‘werken die je al jaren verzorgt. Op een gegeven moment weet je precies waar elk krasje zit en hoe een beeld het best de winter doorkomt.’

De volgende stap is het schoonmaken van de beelden. Met hoogwerkers, algenreduceerders en telescoopborstels verwijderen de restauratoren alle viezigheid, want ‘vuil houdt vocht vast en dat is funest’, aldus Bakker.

De meeste werken krijgen daarna een op maat gemaakt ‘tentje’: een aluminium frame met een dampdoorlatend en waterafstotend doek. Het werkt als een drietrapsraket: een werk blijft droog, koelt minder af en kan ademen. Een constructie met windgaas, dat bescherming biedt tegen harde windstoten en regen, behoort ook tot de mogelijkheden.

Bakker benadrukt het belang van ‘ademend’ afdekmateriaal. ‘Vocht moet kunnen ontsnappen, anders kan een werk zomaar onder de algen en mos zitten als je het tentje in het voorjaar weghaalt.’ Om dezelfde reden moet er genoeg ruimte tussen het werk en de afdekking zitten.

Soms volstaat afdekken niet: enkele werken overwinteren binnen of zijn niet toegankelijk tijdens de winterperiode, die van 1 november tot 1 april loopt. Zo is de wereldberoemde publiekstrekker Jardin d’émail (Jean Dubuffet) deze maanden niet te betreden en brengen de marmeren stoeltjes van The Twenty-Four Men in White (Fortuyn/ O’Brien) de winter door in een depot.

Hoewel de restauratoren de beeldentuin het liefst de hele winter ongehinderd aan bezoekers laten zien, kunnen ze niet om de maatregelen heen: ‘Collectiebeheer staat voor ons op nummer één’, aldus Bakker. Op de website en bij de ingang worden bezoekers gewezen op het feit dat de beeldentuin gedurende de winterperiode niet in volle glorie te zien is.

Professionalisering

Sinds het museum 25 jaar geleden begon met het winterklaar maken van de tuin, is er veel veranderd, volgens Bakker. ‘Het grootste verschil is de professionalisering. Eerst was het een ondergeschoven kindje, nu is het echt onderdeel van ons werk. Het museum huurt zelfs externe krachten in om te helpen.’

Collega Frank Meijerink (45), verantwoordelijk voor de technische kant van het winterklaar maken, vult aan: ‘Het is trial-and-error. Elk jaar leren we weer bij. Ooit gebruikten we hout, riet en vrachtwagenzeil om beelden af te dekken. Door veel experimenten en proefmodellen zijn we tot de materialen van nu gekomen.’

Met de jaren kwam ook meer aandacht voor de esthetiek van het inpakken. Bakker: ‘Het begint een kunstvorm an sich te worden. We proberen neutrale kleuren te gebruiken om de omgeving niet te verstoren. De tentjes plaatsen we zo hoog mogelijk boven de grond en waar mogelijk werken we met gaas; alles zodat bezoekers de beelden toch kunnen bekijken.’

Aan het einde van de dag verzamelen Bakker en Meijerink zich rond de vijver van Floating Sculpture (Marta Pan), ook wel liefkozend ‘de zwaan’ genoemd. Een op maat gemaakte trailer zakt in het water terwijl een medewerker in waadpak het werk vanuit het water voorzichtig die kant op duwt. Na wat kundig getouwtrek wordt het werk uit de vijver gehesen en verdwijnt uit het zicht, richting het depot waar het zal overwinteren. ‘Doei zwaan, tot volgend jaar!’, roepen de kinderen die het tafereel met grote ogen hebben bekeken.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next