De terroristische aanslagen in Parijs, tien jaar geleden, waren een aanval op de waarden van de verlichting, riepen onze politieke leiders toen. Vandaag, o ironie, zijn het onze leiders zelf die de bijl zetten in vrijheid, gelijkheid, broederschap.
is buitenlandredacteur van de Volkskrant en schrijft over de EU en internationale samenwerking.
Op een zachte herfstavond in november 2015 verscheen een nieuwsalert op mijn telefoon: ‘Schietpartij in de rue Bichat.’
Hé, dat is bij mij om de hoek, dacht ik. Zeker een afrekening in het criminele milieu. Wel een gekke plaats daarvoor, een straat met restaurants en studentenkroegen.
Toen de omvang van het geweld tot me doordrong, stond ik te trillen op mijn benen. Die avond vermoordden terroristen 132 mensen, bij het Stade de France, in de Bataclan, op de terrassen in de buurt waar ik als correspondent in Parijs woonde.
Het voelde anders dan na de aanslag op het weekblad Charlie Hebdo, in januari van dat jaar. Toen zei iedereen Je suis Charlie, wetend dat het niet waar was. Wie geen tekeningen maakte waarin de profeet werd beledigd, hoefde zich niet bedreigd te voelen. Nu kon je zomaar van een terras worden geschoten.
Toch voelde ik niet alleen de schok van het geweld, maar ook een andere, meer existentiële schok. ‘Er is een drempel overschreden’, zei de socioloog Jacques Le Goff. Ik was opgegroeid in vrede en veiligheid en werd nu geconfronteerd met een vorm van geweld die ik alleen uit de geschiedenisboeken kende. In Frankrijk, in het Westen, zouden moslims leven die westerse waarden haten, die ‘onze’ manier van leven afkeuren, inclusief onze heiligste principes: de democratie, de rechtsstaat, de vrijheid van meningsuiting.
De terroristen hadden de ‘waarden van de Republiek’ aangevallen, zei president François Hollande. Vrijheid, gelijkheid, broederschap. Kortom: de waarden van de verlichting. Het paste in een discours dat je in die jaren vaak hoorde. Islam en westerse waarden zijn niet met elkaar verenigbaar, omdat de islam niet door een verlichting is gegaan. In Nederland werd het gezegd door Ayaan Hirsi Ali, Pim Fortuyn en Frits Bolkestein.
Misschien was het die laatste die het punt het duidelijkst maakte, in zijn Multatulilezing van 2000: ‘Het is mijn overtuiging dat (...) rationalisme en humanisme een aantal fundamentele politieke beginselen hebben voortgebracht, die onlosmakelijk zijn verbonden met de idee van de liberale democratie. Scheiding van kerk en staat, vrijheid van meningsuiting, verdraagzaamheid en non-discriminatie zijn beginselen die weliswaar producten van de Europese geschiedenis zijn, maar waarvoor het liberalisme universele geldigheid en waarde claimt. Zij zijn voortgekomen uit de verlichting.’
De islam heeft op al deze punten een ‘povere staat van dienst’, zo ging hij verder, en verhoudt zich maar moeizaam met de verlichting.
‘Hier eindigt dus de dialoog en dient stelling te worden genomen. De hiervoor genoemde beginselen zijn niet onderhandelbaar. Daar kan niet mee gemarchandeerd worden. Ook niet een klein beetje’, aldus Bolkestein.
Wat klinken die woorden nu merkwaardig ouderwets. Na de val van het kalifaat van Islamitische Staat in 2019 ebde de angst voor het jihadisme weg. Europese jongeren reizen niet meer naar Syrië om een heilige oorlog uit te vechten.
Natuurlijk: er zijn nog altijd haatzaaiende imams en geradicaliseerde moslims die aanslagen plegen. Maar het is absurd om zulke kleine krabbelaars tot een existentieel gevaar voor ‘onze’ manier van leven uit te roepen.
Tien jaar na ‘Bataclan’ worden de waarden van de verlichting vanuit een heel andere hoek bedreigd. Niet door kleine krabbelaars, maar door de machtigste man ter wereld, de Amerikaanse president Donald Trump. Hij maakt gehakt van Bolkesteins universele waarden. En overal in Europa heeft hij zijn hulptroepen, van Viktor Orbán tot Geert Wilders, van Alice Weidel tot Marine Le Pen.
Net als op die fatale herfstavond in 2015 ervaar ik een schok. Minder heftig, maar dieper. Als kind van de Koude Oorlog, geboren in 1959, zijn democratie, rechtsstaat en vrijheid van meningsuiting altijd de ankers van mijn politieke bewustzijn geweest. Aan de goede kant van het IJzeren Gordijn hoefden we niet te buigen voor de partij, mochten we zeggen wat we wilden en waren we niet bang voor een klop op de deur van de geheime politie.
Nu ben ik mijn ankers aan het verliezen. Mijn tijdsbesef verandert. Het grimmige verleden is geen interessante geschiedenis meer, maar een waarschuwing. Misschien was ‘het vrije Westen’ slechts een tussenspel, vrucht van een uitzonderlijke periode van vrede, veiligheid en welvaart.
In zijn boek Opstand ziet journalist Marijn Kruk ‘een reprise van de strijd die een centrale plek inneemt in de Europese ideeëngeschiedenis: die tussen verlichting en contraverlichting, en later tussen moderniteit en antimoderniteit. Hierin staat het individu tegenover de gemeenschap, en staan gelijkheid, autonomie en rationaliteit tegenover de onderwerping aan een zingevende, hiërarchische, religieuze ‘natuurlijke’ orde, waarin mensen, dieren en dingen hun plaats kennen’, aldus Kruk.
De verlichting is een complex en controversieel fenomeen, dat de afgelopen decennia ook is bekritiseerd door westerse filosofen en activisten. Wie gelooft dat hij de sleutel tot een betere wereld in handen heeft, kan tot de overtuiging komen dat hij de mensheid een dienst bewijst door zijn tegenstanders uit de weg te ruimen, zo bleek al tijdens de Terreur in de Franse Revolutie (1793-1794). Ook het communisme is een erfgenaam van de verlichting.
Daarnaast werd de verlichting gebruikt om het kolonialisme te rechtvaardigen. Alle mensen waren gelijk, maar sommigen waren ontwikkelder dan anderen. Dat gaf witte Europeanen het recht om Afrikanen en Aziaten te ‘beschaven’. Nog in de jaren vijftig noemde de Franse socialistische premier Guy Mollet het Algerijnse streven naar onafhankelijkheid ‘reactionair’ en ‘obscurantistisch’. Wie wilde er niet bij Frankrijk horen, het land van de verlichting en de vooruitgang?
Niettemin: aan het einde van de 18de eeuw formuleerden de filosofen van de verlichting een krachtig ideaal van emancipatie. Op basis van de rede bevrijdt de mens zich van de natuur en zijn tradities, om zichzelf en de wereld te verbeteren. Daarbij hoorde een ethiek van gelijkheid. Alle mensen zijn begiftigd met de rede, maar zij zijn ook dieren die genot en pijn voelen, ongeacht hun herkomst of traditie. Daarom wilden radicale verlichters als Diderot of d’Holbach de slavernij afschaffen en vrouwen meer rechten geven. In onze tijd kan deze ethiek seksuele en etnische minderheden beschermen tegen de tirannie van de meerderheid.
Vanaf het begin werd de verlichting al fel aangevallen, door monarchisten, conservatieven, christenen en iedereen die na de Franse Revolutie verlangde naar de terugkeer van een ‘natuurlijke’ orde.
Natuurlijk zijn de verschillen tussen onze tijd en de 19de eeuw enorm, maar het is opvallend hoeveel thema’s uit de contraverlichting terugkeren. Zo verlangen veel mensen weer naar een ‘natuurlijke’ orde die uit de traditie voortkomt. Culturele verworvenheden uit de jaren zestig, zoals rechten voor vrouwen en homoseksuelen, staan op de tocht. Daarbij hoort de roep om een ‘koning’, een sterke leider die orde oplegt en een mystieke band met zijn onderdanen onderhoudt. Niet voor niets heetten de miljoenendemonstraties tegen Trump, vorige maand, #nokings-demonstraties.
De contraverlichting keerde zich tegen het universalisme van de verlichting. Er bestond geen mensheid, stelde de Duitse filosoof Johann Gottfried von Herder, er bestonden slechts naties, verbonden door taal en geschiedenis. ‘Ik heb Fransen gezien, Italianen, Russen; dankzij Montesquieu weet ik zelfs dat er Perzen bestaan. Maar ‘de mens’ heb ik nog nooit ontmoet’, schreef de Savoyaardse denker Joseph de Maistre. Het individu vond zijn bestemming pas als onderdeel van een volk.
De denkers van de contraverlichting keerden zich ook tegen abstracte universele waarden als de rechten van de mens. Het recht kon slechts gebaseerd zijn op nationale tradities, vonden zij. Bovendien was het afhankelijk van concrete omstandigheden.
Precies deze kritiek keert terug in het hedendaagse verzet tegen een rechtsstaat die de wil van ‘het volk’ zou dwarsbomen. Trump vindt dat hij migranten van straat mag plukken en zonder vorm van proces mag deporteren, omdat het Amerikaanse volk hem het mandaat zou hebben gegeven immigratie terug te dringen.
Frankrijk ziet zichzelf graag als het land van de verlichting, maar in de 19de eeuw was de contraverlichting er heel sterk. Veel antimoderne ideeën klinken verbazend actueel. De extreemrechtse denker Charles Maurras populariseerde het 19de-eeuwse onderscheid tussen pays légal en pays réel. Tegenover het ‘wettelijke’ Frankrijk met zijn konkelende politici in Parijs stelde hij het ‘echte’ Frankrijk van hardwerkende boeren en ambachtslieden, gehecht aan hun tradities.
Dat ‘echte’ Frankrijk werd voortdurend bedreigd. Toen Maurras in 1885 voor de eerste keer in Parijs kwam, werd hij getroffen door ‘de veelheid aan vreemde winkels met namen waarin de letters K of W of Z voorkomen, letters die door onze drukkers Joodse letters genoemd worden. Waren de Fransen nog wel thuis in Frankrijk?’, schreef hij er later over.
Maurras geloofde dat Frankrijk heimelijk werd geleid door vier ‘confederaties’: de Joden, protestanten, vrijmetselaars en immigranten. Zulke paranoia voerde ook in de 19de eeuw naar complottheorieën. In 1894 werd de Joodse kapitein Alfred Dreyfus gearresteerd op verdenking van spionage voor Duitsland.
Toen steeds duidelijker werd dat hij onschuldig was, spraken rechtse opiniemakers van een ‘Joods complot’ om de waarheid toe te dekken. De feiten deden er niet toe. Sterker nog, toen een van de samenzweerders tegen Dreyfus, luitenant-kolonel Hubert-Joseph Henry, werd betrapt op het vervalsen van bewijs, zei hij dat hij loog ‘om zo de waarheid te onthullen’.
Dreyfus was misschien onschuldig, maar dat deed niets af aan een diepere waarheid: Joden waren per definitie onbetrouwbaar als vreemde elementen in het lichaam van het Franse volk.
De verlichting geloofde dat redelijke mensen het eens kunnen worden over de feiten. De contraverlichting liet zien, lang voordat er sociale media bestonden, dat verschillende waarheden naast elkaar kunnen bestaan. Als de samenleving verdeeld is, en politieke tegenstanders niet worden vertrouwd, geloven veel mensen wat ze willen geloven.
Na de Tweede Wereldoorlog leek deze antimoderniteit te hebben afgedaan. Wie durfde er na Hitler nog te pleiten voor een sterke leider? Wie verdedigde na de Holocaust nog het ‘eigen volk eerst’?
Na de oorlog wilde de wereld het beter doen, volgens de rationele principes van de verlichting. De Verenigde Naties werden opgericht, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens geformuleerd. Om een herhaling van de economische crisis van de jaren dertig te voorkomen, werden de westerse economieën geordend, met een verzorgingsstaat die burgers vrijwaarde van armoede, en toegang gaf tot onderwijs en zorg.
Dit was de wereld waarin ik opgroeide: ze was niet perfect, maar ze kwam me lange tijd rotsvast voor. We hadden het tragische van de geschiedenis onder controle gebracht.
In november 1989 viel de Berlijnse Muur. Het was een moment van ongekende triomf. De democratische, westerse variant van de verlichting rekende af met de dictatoriale, communistische variant. Even leek alles mogelijk, zeker toen in 1990 de Zuid-Afrikaanse leider Nelson Mandela werd vrijgelaten en het apartheidsregime ten val kwam. De Amerikaanse politicoloog Francis Fukuyama schreef zijn boek Het einde van de geschiedenis: het democratisch kapitalisme kende geen ideologische rivalen meer.
Achteraf kunnen we slechts constateren dat hier de ontbinding begon. Het communisme bleek een onmisbaar contrapunt voor vrijheid en democratie. In zijn boek The Right beschrijft de rechtse Amerikaanse historicus Matthew Continetti hoe de Republikeinse Partij uit elkaar viel nadat anticommunisme als gemeenschappelijke deler was verdwenen. Rechtse dissidenten verzetten zich tegen het internationalistische wereldbeeld van de partijtop, en grepen terug op vooroorlogse ideeën over isolationisme, protectionisme en beperking van immigratie.
Vanaf de jaren zestig nam immigratie sterk toe, zowel in de Verenigde Staten als in Europa. Dat leidde tot een existentiële angst om een minderheid in eigen land te worden, schrijven de Amerikaanse politicologen Steven Levitsky en Daniel Ziblatt in hun boek How Democracies Die. Die angst veroorzaakt weer een oververhitte, paranoïde stijl van politiek bedrijven, waarbij de tegenstander niet meer wordt gezien als een rivaal, maar als een vijand die het land naar de ondergang wil leiden, betogen zij.
Na de val van de Muur beet de verlichting in zijn eigen staart, door te weinig rekening te houden met gevoelens en tradities. De rationaliteit van de verlichting creëerde een wereld waarin een steeds groter deel van de samenleving werd onderworpen aan rationele calculatie, schaalvergroting en het streven naar efficiëntie. Een wereld die gedreven werd door commercie, waar de waarde van het individu steeds meer werd afgemeten aan inkomen en sociale status. Zo werd de open samenleving door velen als onherbergzaam en chaotisch ervaren.
De contraverlichting, die zo lang onder de oppervlakte sluimerde, is door al deze ontwikkelingen keihard teruggekeerd. ‘Wij witte westelijke stedelingen kunnen alleen maar hopen dat onze ongekende 71 jaar van vrede en welvaart, ook bekend als ‘het falen van de elite’, nog een tijdje doorgaat. Maar ons geloof in vooruitgang is voorbij’, schreef columnist Simon Kuper ironisch in Financial Times.
En dat eerder genoemde gevoel dat ik mijn ankers aan het verliezen ben? Toen ik Philippe Olivier, de adjudant van Marine Le Pen, in 2022 interviewde, gebruikte hij precies dezelfde woorden: ‘De mensen zijn hun ankers verloren. Er is geen pastoor meer, geen vakbond, het maatschappelijk middenveld is verdwenen. De mensen voelen zich heel eenzaam. En wij zeggen: wij zijn samen in het kader van de natiestaat.’
In een wereld die door velen als grenzenloos wordt ervaren, belooft het populisme weer grenzen te trekken. Tussen het eigen land en de wereld, immigranten en ‘het volk’, mannen en vrouwen, misdadigers en brave burgers. ‘Ik heb behoefte aan een wereld die meer is ingekaderd, op alle gebieden’, zei een aanhanger van het Rassemblement National die ik vorig jaar sprak op een verkiezingsbijeenkomst in Saint-Avold, een sip provinciestadje in de Moselle dat door de moderne tijd lijkt te zijn vergeten.
Is er een remedie tegen het almaar sterker wordende populistisch nationalisme? Een simpel antwoord is er niet, anders was het allang gevonden. Hoewel waarden als democratie en vrijheid van meningsuiting niet onderhandelbaar zijn, kunnen compromissen worden gesloten.
Dat gebeurt nu al: ook ter linkerzijde beloven vrijwel alle partijen immigratie te beperken.
Het is belangrijk te beseffen dat het primair om een ideeënstrijd gaat. Te vaak wordt gedacht dat mensen op Le Pen, Wilders of Trump stemmen omdat zij worstelen met concrete problemen die met concrete maatregelen kunnen worden opgelost. Dat is niet zo: veel van zulke kiezers wonen in steden of dorpen waar nauwelijks immigranten wonen.
In 2015 werden islam en ‘onze’ manier van leven onverenigbaar geacht. Nu de angst voor het jihadisme is weggeëbd, pikken asielzoekers ‘onze’ woningen in. Als Mona Keijzer als bij toverslag twee miljoen woningen neerzet, zal er een ander argument tegen immigratie worden gevonden. Bovendien is de samenleving inmiddels zo ontremd, dat immigranten niet meer iets verkeerd hoeven te doen om te worden afgewezen. Hun loutere aanwezigheid is voldoende: ‘Azc, weg ermee!’
De erfgenamen van de verlichting hebben na de oorlog een wereld van vrede, veiligheid en welvaart gecreëerd. Door dit succes zijn ze verdedigers van de status quo geworden, waardoor ze in het defensief worden gedrongen. Als ze hun uitdagers willen verslaan, moeten ze een nieuwe invulling geven aan de emancipatorische idealen van de verlichting.
De campagne van de nieuwe burgemeester van New York, Zohran Mamdani, is een inspirerend voorbeeld. Uit het niets versloeg hij zijn rivalen. Niet omdat hij gratis openbaar vervoer beloofde, maar omdat hij een ander New York in het vooruitzicht stelde, een stad die niet langer wordt gedomineerd door het grote geld, maar waar ‘gewone’ New Yorkers weer gezien en gehoord worden. Hij vertegenwoordigt een verlichtingsideaal: het ordenen van de wereld om het geluk van zo veel mogelijk mensen te vergroten.
In november 2015 verkeerden we in de herfst van onze zelfgenoegzaamheid. Hoe schitterend staken wij, het verlichte Westen, niet af tegen de islam, dat ‘achterlijke geloof’, zoals Pim Fortuyn het noemde. Rechts viel de islam aan omdat hij de waarden van de verlichting zou bedreigen. Tien jaar later valt rechts zelf de verlichting aan.
Dwars door het hart van de westerse wereld loopt een scheur, die draait om een visie op de wereld, een antwoord op de vraag ‘wie zijn wij?’. Zijn ‘wij’ een open samenleving, gebaseerd op principes van democratie, rechtsstaat en vrijheid van meningsuiting? Of zijn ‘wij’ een witte natie die voortkomt uit een christelijke traditie? Er staat veel op het spel: het populistisch nationalisme zegt de natie te redden, maar dreigt een einde te maken aan de manier van leven waarmee ik ben opgegroeid.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant