Home

Jeugdzorg moet ook aansprakelijk worden gesteld in de Vlaardingse pleegzorgzaak

is publicist en columnist van de Volkskrant.

De Vlaardingse pleegzorgzaak is uniek in haar gruwelijkheid en kent geen precedent, aldus de officier van justitie. Maar het echte falen ligt breder: niet alleen de pleegouders, maar ook het systeem dat bescherming moest bieden heeft het meisje in de steek gelaten. Het is onacceptabel dat alleen de pleegouders gestraft worden, terwijl de jeugdzorg haar verantwoordelijkheid lijkt te ontlopen. Wie draagt er werkelijk verantwoordelijkheid voor het leed dat is ontstaan? En waarom worden kinderrechten in Nederland, ondanks internationale verdragsverplichtingen, structureel geschonden?

We moeten erop kunnen vertrouwen dat jeugdzorginstellingen waken over de meest kwetsbare kinderen. Zij ontvangen hiervoor aanzienlijke vergoedingen – een pleegzorginstelling krijgt circa 10 duizend euro per jaar per kind – maar het toezicht blijkt, niet voor het eerst, ver onder de maat. In plaats van steeds te klagen over geldgebrek, moeten instellingen aantonen dat ze leren van fouten. Structurele tekortkomingen worden alleen opgelost als de druk op instellingen wordt opgevoerd en ernstige nalatigheid bestraft wordt.

Als kinderen niet veilig bij hun ouders kunnen opgroeien, grijpt de overheid in en plaatst ze in zorgvuldig geselecteerde pleeggezinnen – althans, dat is de bedoeling. Wat als instanties zelf nalatig zijn en ze juist levensgevaar veroorzaken? Er is vaak te weinig toezicht op de veiligheid van kinderen na uithuisplaatsing en aansprakelijkheid van instellingen of professionals bij incidenten ontbreekt veelal.

Omdat de rechter deze kinderen aan de staat toevertrouwt, rust er een extra zware verantwoordelijkheid op jeugdzorgorganisaties. Als die verantwoordelijkheid niet wordt genomen, ontstaat een fundamentele vertrouwensbreuk in ons kinderbeschermingsstelsel.

Het OM vervolgt vooralsnog alleen de pleegouders. Maar hoe zit het met degenen die namens de samenleving dit meisje moesten beschermen? Waarom is er geen sprake van bestuurdersaansprakelijkheid? En waarom wordt de medewerker die amicaal met de folterende pleegouders omging en de pleegkinderen aan hun gruwelijke lot overliet, slechts op non-actief gesteld?

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

De hulpverlenende instanties en hun medewerkers worden niet vervolgd omdat er volgens het OM geen strafbare feiten zijn vastgesteld. Dat voelt onbevredigend. De rechtsorde is ernstig geschaad, maar de instellingen lijken de dans te ontspringen. Vanuit juridisch perspectief zou artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht misschien uitkomst kunnen bieden; dit artikel bestraft wie opzettelijk iemand in een hulpeloze toestand brengt of laat wanneer men verantwoordelijk is voor diens verzorging.

Het nalaten van toezicht, het negeren van signalen van mishandeling of bewust wegkijken door jeugdzorgorganisaties zou hieronder kunnen vallen. Jeugdzorginstellingen hebben immers niet alleen een morele, maar ook een wettelijke plicht tot actief toezicht en ingrijpen bij gevaar.

Als de strafwet tekortschiet, ligt er een taak voor de wetgever. Het tuchtrecht en strafrecht binnen het jeugdrecht moeten worden aangescherpt, vergelijkbaar met de medische sector. Jeugdzorg mag niet telkens wegkomen met het betreuren van misstanden en verwijzen naar te weinig geld of personeel, zonder fundamenteel zelfinzicht.

De Vlaardingse zaak is geen op zichzelf staand incident; het geweld in de jeugdzorg is een structureel probleem, zoals ook blijkt uit eerdere rapporten (de commissie-de WInter, het rapport van Jason Bhugwandass) en misstanden in instellingen (de ‘bokkepootjes’ en andere mishandeling in instelling Woodbrookers). Er heerst een cultuur waarin de schuld te vaak bij de kinderen zelf wordt gelegd – dat moet veranderen. Opvallend is dat de lat voor biologische ouders om een kind niet te verwaarlozen of mishandelen hoger ligt dan voor pleegouders of instellingen, terwijl het kind na uithuisplaatsing juist extra bescherming zou moeten krijgen.

Die scheefgroei is gegroeid sinds de zaak rond Savanna (het meisje dat doodgeslagen werd door haar biologische moeder) uit 2004, toen ook de gezinsvoogd, die het gezin al jaren volgde, aansprakelijk gesteld werd door het Openbaar Ministerie voor het tekortkomen in de beschermingsplicht.

Dit leidde tot een voorzichtiger houding: sneller uithuisplaatsen uit angst voor aansprakelijkheid bij problemen in het ouderlijk huis, maar minder verantwoordelijkheid voor de veiligheid van kinderen in pleeggezinnen of instellingen. Daardoor worden biologische ouders strenger beoordeeld dan pleegouders of instellingen – een verschil dat niet te verdedigen is. De Vlaardingse pleegzorgzaak, maar ook de talloze casussen rond misstanden in instellingen nopen tot een aansprakelijkheid die verder reikt.

De verantwoordelijkheid voor het welzijn en de veiligheid van kinderen moet consequent in de hele keten van jeugdbescherming worden afgedwongen. Nu worden tekortkomingen bij kinderen onder voogdij van een instelling vaak afgedaan met een excuus of verwijzing naar structurele problemen, zonder zwaardere sancties. Dit ondermijnt het vertrouwen in het systeem en doet geen recht aan de kinderen die bescherming nodig hebben.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next