Home

Terug naar Khartoem, waar de oorlog geen gebouw heeft overgeslagen

‘We moeten door. Het is onze plicht’

Twee jaar na het uitbreken van de verwoestende burgeroorlog in Soedan, keren inwoners terug naar het kapotgeschoten Khartoem. De paramilitaire RSF zijn verdreven, toch lijkt de hoofdstad elk moment weer de oorlog ingezogen te kunnen worden.

Door Joost Bastmeijer

Fotografie Sven Torfinn

Voor het eerst sinds ze tweeënhalf jaar geleden uit Khartoem vluchtte, reist Mona Ahmed met een minibus terug naar haar huis. Dat de frontlinie van de verwoestende burgeroorlog dwars door de Soedanese hoofdstad liep, wordt de 55-jarige psycholoog nu pijnlijk duidelijk. De Soedanese hoofdstad is veranderd in een schim van de metropool die het ooit was. Iconische kantoortorens en luxehotels zijn in ruïnes veranderd, op straat liggen de herinneringen aan de jarenlange strijd; uitgebrande auto’s, kapotte koffers, een mozaïek van scherven en kogelhulzen.

Met een hand voor haar mond kijkt Ahmed door het autoraam naar buiten, terwijl het minibusje langs de chaos tuft. Ontelbaar veel kogels en raketten moeten hier zijn afgeschoten, zoveel gaten ontsieren de muren. De verwoestende burgeroorlog van Soedan heeft geen gebouw overgeslagen.

Mona Ahmed beziet de ravage.

Het kleine, gelijkvloerse huis van Ahmed, dat in de wijk Al Arda staat, is nog heel. In de overwoekerde voortuin wordt ze opgewacht door Huda, een ontheemde vriendin die de afgelopen tijd op haar huis heeft gepast. Huilend vallen zij elkaar in de armen. Ahmed stort zich op de grond en bidt tot Allah. ‘Andere kant op’, roept Huda. Ahmed lacht door haar tranen heen. ‘Ik ben hier al zo lang niet meer geweest dat ik vergeten ben waar Mekka ligt.’

Mona Ahmed wordt in haar huis opgewacht door Huda, een ontheemde vriendin.

Foto: Joost Bastmeijer

Bijna al Ahmeds bezittingen zijn gestolen; de spaarzame spullen en meubels zijn van Huda. In het halletje naast de slaapkamers breekt ze opnieuw in hevige snikken uit, haar tranen droogt ze met haar lichtroze hoofddoek. ‘Alhamdulillah’, prevelt ze zachtjes als ze ziet dat twee foto’s – van haar zoon en overleden moeder – nog op hun plek hangen. Ze haalt ze van de muur en drukt ze stevig tegen haar borst.

Mona Ahmed houdt een foto van haar overleden moeder tegen de borst.

Foto: Joost Bastmeijer

Ahmed vluchtte kort nadat de Soedanese burgeroorlog hier in april 2023 in alle hevigheid was losgebarsten. Dat voorjaar stortte een vete tussen het regeringsleger van Abdel Fattah al-Burhan en de paramilitaire Rapid Support Forces (RSF) van Mohamed Hamdan Dagalo het land in de afgrond. Volgens de Verenigde Naties heeft het conflict meer dan tien miljoen mensen uit hun huizen verdreven en de ergste hongersnood ter wereld in decennia veroorzaakt. Vermoedelijk zijn honderdduizenden mensen omgekomen.

Na bijna twee jaar felle strijd slaagde het regeringsleger er dit voorjaar in de RSF uit Khartoem te verdrijven. Nu roept de regering, die na het uitbreken van de oorlog naar kuststad Port Soedan verhuisde, burgers op om terug te keren om de hoofdstad te helpen heropbouwen. Al een miljoen Soedanezen, inclusief Ahmed, gaven daar gehoor aan.

De oude bussen waarmee inwoners van Khartoem terugkeren worden uitgeladen.

Foto: Joost Bastmeijer

Overheidsgebouwen worden opgeknapt, de internationale luchthaven werd halverwege oktober feestelijk heropend. De festiviteiten duurden maar kort: diezelfde dag nog werd Khartoem bestookt met kamikazedrones van de RSF. Het vliegveld ging weer dicht. Ook vorige week vrijdag werd Khartoem nog gebombardeerd.

De recente droneaanvallen laten zien dat Khartoem elk moment weer in de oorlog kan worden gezogen. Zeker nu de RSF de westelijke stad El Fasher eind oktober heeft ingenomen, vrezen veel terugkeerders dat de paramilitairen weer naar de hoofdstad zullen marcheren.

bron: ACLED

‘Jongens zijn het’, zegt Khalil Hariri over de RSF. ‘Kinderen.’ De grote, ietwat stugge maar zachtmoedige man bewaakt samen met een collega een geplunderd bankgebouw. Hij ploft neer op wat er over is van wat ooit een bureaustoel was, die samen met wat bij elkaar geraapte huishoudapparaten onder een afdak zijn gesleept. Vroeger parkeerden de bankiers hier hun SUV’s.

Gewapend met wapens en granaten verschansten RSF-strijders zich in kantoorpanden en winkelgalerijen, vertelt hij. Op het dak stonden ze met scherpschuttersgeweren. ‘Daarmee namen ze burgers onder vuur’, zegt Hariri zacht.

Foto: Joost Bastmeijer

Zowel de RSF als het regeringsleger wordt door experts beschuldigd van het doden van burgers. Toch zijn het vooral de RSF die op grote schaal slachtpartijen aanrichten. In de westelijke Darfurregio wordt gevreesd dat de paramilitairen op dit moment genocide plegen op de niet-Arabische bevolkingsgroepen.

‘Sommigen waren opgejaagd, anderen juist loom van de drugs’, zegt Hariri over de militieleden. Willekeurig vielen ze inwoners van Khartoem aan. Zoals Hariri’s collega Mohamed, die ze aan handen en voeten vastbonden, vertelt Hariri. Achter hem fruit zijn collega-bewaker Yousif een uitje op een geïmproviseerd fornuis, tijdens Hariri’s hervertelling over het lot van Mohamed lijkt er een waas voor zijn ogen te trekken.

‘Mohamed bleef maar gebeden schreeuwen’, zegt Hariri geëmotioneerd. ‘Hij vreesde voor zijn leven. Een soldaat riep: ‘Waarom bid je tot Allah, denk je soms dat wij geen moslims zijn?’ Hij bleef bidden. De soldaat schoot hem van dichtbij twee keer door zijn achterhoofd.’

Khalil Hariri en Yosif bewaken een geplunderd bankgebouw.

Foto: Joost Bastmeijer

Ten noorden van het tot spookstad verworden Khartoem kijken voorbijgangers die langs de Nijl lopen verwonderd op, wanneer ze de sombere klanken van een viool tegen de gehavende muren van het Nationaal Theater horen weerkaatsen. In het deels verwoeste gebouw speelt de muzikant Lowai Abd Eiaziz een kort lied van de vroeger immens populaire volkszanger Ahmed al-Mustafa.

‘Dit stuk gaat over weemoed, over heimwee naar vroeger’, zegt de bebrilde man, terwijl hij zijn viool als een baby tegen zijn spijkerblouse houdt.

Muzikant Lowai Abd Eiaziz speelt op zijn viool.

De muzikant keerde terug uit het buitenland zodra Khartoem werd bevrijd door het regeringsleger. Zijn ogen schieten over het lege openluchtauditorium, waar nu weer een doodse stilte is neergedaald. Vroeger was deze ruimte elke avond afgeladen met publiek.

‘Soedanezen zijn poëtisch’, zegt Eiaziz. ‘Ons collectief geheugen zit vol met prachtige liederen die oproepen tot menselijkheid, schoonheid, liefde en vrede.’ Dat gevoel probeert hij weer met zijn vioolspel op te wekken. Dat zijn zachtmoedige volk al zo lang oorlog voert, kan de violist niet bevatten.

De afgelopen tweeënhalf jaar stortte het Soedanese overheidssysteem als een kaartenhuis in elkaar. Het gat dat de regering achterliet werd gevuld door vrijwilligers: zij namen de controle van ziekenhuizen over, deelden medicijnen uit en richtten ruim veertienhonderd gaarkeukens op met donaties die ze onder meer van de Soedanese diaspora kregen. Sinds het begin van de oorlog worden in deze takaya’s dagelijks maaltijden uitgedeeld.

Op een droge binnenplaats vol oorlogspuin runt de 26-jarige Abdullah Elbagir een gaarkeuken in de wijk Al Shajara. Tientallen omwonenden wachten geduldig op hun portie, met een lege yoghurtemmer of een pannetje in de hand. Op twee vuurplaatsen dampen vandaag twee gigantische pannen linzensoep. ‘Elke dag prijzen we God voor dit eten’, zegt de 42-jarige Jamil Abdul. ‘Zonder de gaarkeuken waren we omgekomen van de honger.’

Omwonenden van een gaarkeuken wachten op hun eten.

Foto: Joost Bastmeijer

Bijna twee jaar lang werd deze wijk in het westen van de stad gecontroleerd door de RSF, die Elbagir en de zijnen doorgaans hun gang lieten gaan. ‘Maar een keer kwamen ze langs’, zegt Elbagir, ‘en eisten dat wij hun medicijnen gaven.’

Toen een collega vertelde dat ze alleen soep hadden, schoten ze hem zonder pardon neer. Elbagirs familie vertrok naar Saoedi-Arabië, ze smeekten hem tevergeefs met hen mee te gaan. ‘Het werk dat we hier doen is te belangrijk.’

De RSF mag uit Khartoem verdreven zijn, de oorlog blijft er slachtoffers maken. Overal liggen nog onontplofte explosieven. In een kapotgeschoten pretpark aan de oevers van de Nijl rapen jongens voor een dagloon van omgerekend een euro granaten en botten van gesneuvelde strijders uit het gruis.

‘Een ruggengraat’, zegt Mohamed Angalo (14), wijzend naar een stuk bot dat hij eerder vanochtend bij het met kogels doorboorde reuzenrad vond. Hij schrikt er niet van. ‘Dit was een militielid, die schoten vanaf hier op het regeringsleger. Ik ben blij dat hij dood is.’

In een pretparkje tussen de verwoeste gebouwen in Khartoem worden restanten van lichamen van RSF-strijders gevonden.

Een straat verderop, voor een zwartgeblakerde toren waar ooit het Hiltonhotel huisde, zitten vier mannen op hun knieën op een door onkruid overwoekerd veld. Voorzichtig prikken ze met een metalen stokje in de grond; voor VN-organisatie Unmas speuren zij naar de mijnen die de RSF in dit veld heeft achtergelaten. Achter een doorzichtig vizier gutst het zweet van hun gezichten. De beschermende kleding die ze dragen is loodzwaar, maar van levensbelang: hun gereedschap kan het ontstekingsmechanisme van een explosief per ongeluk aanraken.

Medewerkers van de VN-organisatie Unmas speuren in de straat waar eens het Hilton Hotel was naar mijnen die de RSF heeft achtergelaten.

De explosievenexperts kwamen er pas achter dat hier mijnen liggen toen twee nietsvermoedende regeringssoldaten op een mijn liepen en ter plekke overleden. Mohamed Awad, gestoken in een VN-blauw scherfvest, legt uit dat Hilton Road midden in de frontlinie lag. ‘Verderop ligt een brug die naar een van de belangrijkste bases van het regeringsleger leidt’, zegt hij. ‘Om een plotselinge opmars te stuiten, legde de RSF honderden mijnen aan de kustlijn van de Nijl.’

Het is tijdrovend precisiewerk, maar het moet gebeuren. Awad wijst naar de andere kant van de grote weg, waar een kapotgeschoten restaurant ligt. ‘Vroeger kwamen gezinnen om te ontspannen en een ijsje te eten of thee te drinken’, zegt Awad. Naar die tijd verlangt hij terug. Hij kijkt naar de twinkelende weerkaatsing van de zon op het water van de Nijl. ‘Het opruimen van explosieven is de eerste stap voor de terugkeer naar een leefbaar Khartoem’, concludeert Awad.

De verwoesting rondom Hilton Road.

Dat die droom nog ver weg is, blijkt des te meer in Al-Nao, het belangrijkste ziekenhuis van Khartoem en zijn voorsteden. Op de spoedeisende hulp komen volgens de 52-jarige hoofdarts Jamal Mohamed steeds meer patiënten binnen met letsel dat ze oplopen door ontplofte explosieven.

Gisteren werden Mohamed (18) en Malick (17) hier nog binnengebracht. Zij raapten dadels in een veld, toen Malick een stuk gevonden metaal optilde. Het explosief ontplofte in zijn hand. Mohamed heeft een gapend gat in de zijkant van zijn hoofd, van zijn linkeroor is alleen de oorlel over. Malick heeft naast een dozijn diepe hoofdwonden een doorgebloed stuk verband om zijn pols, op de plek waar zijn rechterhand had moeten zitten.

Malick verloor zijn rechterhand door een explosief toen hij dadels aan het rapen was.

Foto: Joost Bastmeijer

Malicks vader moet zijn tienerzoon in bedwang houden wanneer een verpleegkundige het verband om zijn arm vervangt. De hoge kreten van de jongen galmen over de spoedeisende hulp, patiënten aanschouwen aangeslagen hoe Malick schreeuwt en schopt. Als de vlezige wond zichtbaar wordt, wenden de meesten in afschuw hun blikken af. Pas als een aangesnelde verpleegkundige de jongen een spuitje morfine geeft en hij langzaam terug op het bebloede matras zakt, halen de andere aanwezigen opgelucht adem.

In het halletje van haar huis is Mona Ahmed met van het huilen rooddoorlopen ogen naast haar vriendin Huda gaan zitten. ‘We zijn hier niet veilig’, verzucht ze. Huda vertelde haar net dat veel mensen in Khartoem bang zijn dat de paramilitairen zullen terugkomen.

Foto: Joost Bastmeijer

‘Alsnog zullen veel inwoners van Khartoem terugkeren’, zegt ze. ‘Ze hebben geen keus.’ Ahmed werd bijvoorbeeld onder druk gezet door de regering, die sinds de inname van Khartoem haar salaris van omgerekend 60 euro per maand weer is gaan uitbetalen. Er wordt van haar verwacht dat ze op de lokale school kinderen gaat helpen bij het verwerken van hun trauma’s. ‘Als ik niet zou terugkeren, zouden ze stoppen met het uitbetalen van mijn loon’, zegt ze.

Toch is ze ook blij om terug te zijn. ‘We moeten door’, besluit ze. ‘Khartoem moet door, Soedan moet door. Het is onze plicht om ons thuis weer op te bouwen.’

Dan sluit de psycholoog even haar ogen. ‘Maar ons gezamenlijke trauma is groot. Khartoem zal nooit meer worden zoals het was.’

Voor dit verhaal trok de Volkskrant samen op met Elles van Gelder, Afrika-correspondent van de NOS en Nieuwsuur.

Gruwelijke beelden uit veroverd El Fasher. Vrees voor ethnische zuivering door RSF groeit

De Rapid Support Forces hebben afgelopen zondag de Soedanese stad El Fasher ingenomen. Sindsdien is er geen enkel contact meer mogelijk met mensen in de stad. Wel verschijnen op sociale media video’s van nietsontziend geweld.

Leven in de frontlinie van Soedan: proberen onzichtbaar te zijn

Om de Soedanese stad El Fasher wordt al anderhalf jaar hevig gevochten. Vader en dochter Ahmed en Nawal horen bij de ruim 400 duizend mensen die nog vastzitten in de stad. Ze vertellen over het dagelijks leven aan het front.

De oorlog in Soedan door de ogen van een Nederlandse arts

Nergens ter wereld is de humanitaire nood volgens de VN zo hoog als in het door oorlog verscheurde Soedan. In een van de weinige nog werkende ziekenhuizen in Zuid-Darfur ziet de Nederlandse arts Fleur Smit wat de gevolgen zijn van deze ‘onzichtbare oorlog’. Voor de Volkskrant houdt ze een dagboek bij.

Source: Volkskrant

Previous

Next