Peter Buwalda is schrijver en columnist van de Volkskrant
‘Hallo Peter, ken je me nog?’Voor me stond een senior met een wijduitstaande krans van wit haar. Hij keek me bij voorbaat teleurgesteld aan. Iedere Peter die een dergelijke vraag op zich afgevuurd heeft gekregen, weet dat er maar één antwoord bestaat, namelijk: nee. En toch, weten alle Peters, is het ongeefbaar. Daarom knikte ik fronsend, ‘jawel’ mompelend, ‘vanzelfsprekend’.
De man, in het bezit van borende, onderzoekende oogjes, begon aanmoedigend mee te knikken.
Het kon Dennis zijn, woog ik af met de lichtsnelheid, je kunt razendsnel nadenken als je parachute niet opengaat. Dennis was een blond jongetje uit de vijfde klas van mijn lagere school.
Een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen, en Dennis al helemaal niet, hij hield het destijds bij een keer of tien.
‘Kaas, kom eens hier’, vroeg onze meester om de paar dagen. Wanneer Dennis, zoals de lezer merkt ook wel Kaas genoemd, dan aan het bureau van de meester was komen staan, greep die met een snelle beweging zijn polsje vast. Voor Kaas was dit het sein om als een bezetene te gaan trekken en sjorren. De meester, een fascist, deed alsof hij schriften nakeek. Altijd na een seconde of twintig liet hij ‘plotseling’ los, waarop Dennis iedere keer weer gillend zijn evenwicht verloor en met een harde buts op zijn kont terechtkwam. De hele klas moest dan lachen, en Dennis huilen.
‘Kaas...’, mompelde ik. Een proefballonnetje. De ogen van de bejaarde vergrootten zich. Nee, het kon mijn klasgenootje niet zijn. Hoewel Kaas in mijn geheugen nog steeds huilend op zijn gat onder het schoolbord zat, was er geen reden om aan te nemen dat hij sneller gerijpt was dan ik.
Was het Herman? Om tijd te winnen stak ik mijn hand uit, die de man vastgreep alsof niet ik eraan vastzat, maar Rob Jetten.
Herman – ook nooit meer aan gedacht. Had destijds geen leeftijd, kon pas 60 zijn, maar ook 110. Toen ik op judo zat, was Herman de enigmatische assistent van onze sensei. Lijdzame man, verlegen, lijkbleek. Iedere les moest hij vallen en opstaan, en meer niet. Op wie Herman sprekend leek, was D.H. Lawrence. (De eerste keer dat ik hem zag, ik was 5 en houder van de witte ceintuur, vroeg ik na een buiging: ‘Ben jij het, D.H.? Mag ik je danken voor The Rainbow, Sons and Lovers en zeker ook voor je Studies in Classic American Literature?’)
Onzin, ik weet het. Bladvulling. Wat ik edoch wel een keertje tegen juffrouw Mary te berde bracht, meteen nadat de kleuter Radjesh het tepeltje van de kleuter Jan tot bloedens toe had omgedraaid, was: ‘Kinderen zijn hinderen, zei Vadertje Cats.’ Dit staaltje renaissanceletterkunde ging onze juf dermate boven de pet, dat ze kleuter Peter een klinkende draai om zijn oren gaf.
‘Niels’, zei de man.
‘Maar natuurlijk’, zei ik. (Als hij het zelf beweerde, moest het kloppen. Niels.) Welke Nielzen kende ik, Holgersson, Niels Young – ik kwam er niet op, zag Niels ook wel.
‘Bokhove’, vulde hij aan.
‘Iemand’, zei ik saluerend, ‘moet leugens hebben verteld over Niels B.’ Bij toverslag had zich uit de onbekende de grote Kafka-connaisseur Niels Bokhove losgemaakt, wiens rechterhand en spitsbroeder ik een blauwe maandag geweest was in het illustere Kafka Katern, onze schitterende circulaire over de grote schrijver. Ik weet nog dat ik voor Bokhoves Utrechtse boekenwand stond, tweeduizend banden, en me met een schok realiseerde dat álle boeken die ik zag van Kafka waren, of over hem gingen.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns