Door Pepijn de Lange
Graphics Stefan Pullen
Politieke partijen hebben het in hun verkiezingscampagnes opvallend weinig over de vergrijzing.
Door de stijgende levensverwachting en dalende geboortecijfers is de Nederlandse bevolking na de Tweede Wereldoorlog in rap tempo verouderd.
Belangrijke thema’s als de zorg en de huizenmarkt hangen nauw met de vergrijzing samen.
Terwijl andere onderwerpen, zoals de oplopende kosten van de AOW, onderbelicht blijven.
Het Nederland dat over twee weken een nieuwe Tweede Kamer kiest, is niet het land dat vijftien jaar geleden een jonge Mark Rutte het Torentje in stemde. Het is ook niet het land dat in de jaren negentig koos voor Wim Kok, of weer daarvoor voor Ruud Lubbers, Dries van Agt en Joop den Uyl.
Iedere zes jaar, zou je als vuistregel kunnen hanteren, wordt het electoraat een jaartje ouder. Bij de stembusgang van 1994 was de gemiddelde kiezer 44,7 jaar oud. In 2010 was die leeftijd al opgelopen tot 48 jaar. Bij de aanstaande verkiezingen tikt de gemiddelde stemmer bijna de 50 jaar aan.
Wat deze demografische ontwikkeling voor de uitslag van de verkiezingen betekent, is moeilijk te zeggen. Feit is wel dat de vergrijzing het toekomstige kabinet voor enkele grote uitdagingen plaatst. Op welke gebieden drukt de vergrijzing haar stempel het zwaarst?
Wie vergrijzing zegt, zegt zorgkosten: in vrijwel iedere beschouwing over de ouder wordende bevolking komt dit aspect voorbij. In de begroting van volgend jaar heeft de Nederlandse overheid 119,5 miljard euro vrijgemaakt voor de gezondheidszorg. Dat bedrag loopt de komende jaren onvermijdelijk verder op, blijkt uit een toekomstverkenning die het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) vorig jaar presenteerde.
Zorguitgaven in Nederland, per jaar, in miljarden euro's
Dat vergrijzing de zorgkosten opstuwt, komt simpelweg doordat mensen op leeftijd vaker ziek zijn of met andere mankementen kampen. Tachtigers declareren gemiddeld voor ongeveer 8,5 duizend euro per jaar bij hun zorgverzekering, bijna vier keer zo veel als dertigers. Hoe meer ouderen, hoe hoger de totale zorguitgaven in Nederland.
De zorgkosten stijgen harder dan de verwachte groei van de Nederlandse economie. Zonder aanvullend beleid stijgen de collectieve zorguitgaven van de huidige 11 procent van het bruto binnenlands product naar ruim 16 procent in 2060, becijferde een werkgroep met ambtenaren van verschillende ministeries deze zomer. Volgens deze groep dreigt deze groei ten koste te gaan van bijvoorbeeld het onderwijs, huisvesting, defensie en armoedebestrijding.
De houdbaarheid van het zorgstelsel, benadrukt de ambtelijke werkgroep, is geen probleem van de verre toekomst, maar van nu. Met name de kosten van de langdurige zorg, waar onder meer de zorg voor kwetsbare ouderen onder valt, lopen flink op. Het nieuwe kabinet moet daarom aan het begin van zijn regeerperiode al ‘scherpe keuzes’ maken over de inzet van zorgpersoneel en de verdeling van de middelen.
Op 2 januari 1957 ontving de heer Bakker uit Amsterdam van de toenmalige minister van Sociale Zaken de eerste AOW-uitkering van Nederland. Net als bijna 740 duizend andere 65-plussers had hij voortaan recht op een basispensioen van enkele tientjes per maand. Zo, was het idee, hoefden zij voor hun oudedagsvoorziening niet langer te leunen op enkel een spaarpotje, familieleden of de kerk.
Door de vergrijzing hebben inmiddels vijf keer zo veel mensen (3,7 miljoen) recht op een AOW-uitkering. In 2040 zijn dat er naar verwachting nog bijna een miljoen meer. Al die extra uitkeringen nemen een steeds grotere hap uit de staatskas, blijkt uit een onderzoek van het Centraal Planbureau van afgelopen zomer.
Uitgaven aan AOW in Nederland ten opzichte van het bruto binnenlands product, per jaar, in procenten
De premies die werkenden afdragen, dekken een steeds kleiner deel van de AOW-uitkeringen. Aan het begin van de eeuw konden nog alle uitkeringen uit deze premies betaald worden, vorig jaar nog maar 45 procent. Voor het eerst moest meer dan de helft van het geld voor de uitkeringen uit de staatskas komen.
Het huidige stelsel lijkt niet alleen onhoudbaar, het heeft ook onwenselijke kanten. Op dit moment komt belastinggeld deels terecht bij vermogende ouderen, die de uitkering helemaal niet nodig hebben. De ouderen die wel financieel kwetsbaar zijn, hebben vaak geen recht op een volledige AOW-uitkering, bijvoorbeeld omdat ze langere tijd in het buitenland gewoond hebben.
De eenvoudigste manier om de AOW-lasten te verlichten is het verder opkrikken van de leeftijd die recht geeft op deze uitkering (nu 67 jaar). Ook helpt het om de lasten over meer ruggen te verdelen, bijvoorbeeld door AOW-ontvangers met premies mee te laten betalen. In de praktijk raakt dit vooral welgestelde ouderen in de portemonnee: ouderen met minder pensioen kunnen worden ontzien.
Als de overheid niets doet, draaien de werkenden op voor de kosten van de vergrijzing. Loonheffing, inkomstenheffing en premies voor werknemersverzekeringen: in het huidige belastingstelsel komt namelijk bijna de helft van de overheidsinkomsten uit arbeid (49 procent in 2021). Consumptie (30 procent) en kapitaal (21 procent) leveren de overheid veel minder op.
Dat stelsel leidt ertoe dat veertigers en vijftigers het meeste geld aan de overheid afstaan. Een 55-jarige betaalde een paar jaar geleden gemiddeld 33.500 duizend euro, een 65-jarige minder dan 23 duizend euro. Minderjarigen (of hun ouders voor hen) betalen het minst.
Door de vergrijzing zullen werkenden relatief gezien een steeds kleinere groep binnen de samenleving vormen. Als zij de toekomstige kosten van de vergrijzing moeten ophoesten, kan dat gevolgen hebben voor de economie, waarschuwde een ambtelijke werkgroep van het ministerie van Financiën begin vorig jaar. Extra belasting op arbeid kan mensen doen besluiten om minder te gaan werken. In de zoektocht naar nieuwe inkomsten, adviseerden de ambtenaren, moeten werkenden daarom ‘bij voorkeur’ worden ontzien.
Op de vastgelopen huizenmarkt gaat veel aandacht uit naar het bouwen voor starters, terwijl extra woonruimte voor ouderen mogelijk meer mensen helpt. Wanneer ouderen niet kunnen uitwijken naar een huis of appartement dat bij hun hogere leeftijd past, blijven zij langer in hun huidige woning. Dat belemmert de doorstroom voor alle generaties onder hen.
De komende decennia wordt geschikte huisvesting voor ouderen alleen maar urgenter. Op de Nederlandse woningmarkt zijn de eenpersoonshuishoudens aan een opmars bezig: van 3,4 miljoen alleenstaanden nu tot 4,3 miljoen in 2070. Die toekomstige groei, blijkt uit cijfers van het CBS, komt bijna volledig voor rekening van ouderen.
Het demissionaire kabinet-Schoof nam zich bij zijn aantreden voor om tot en met 2030 zeker 290 duizend woningen voor ouderen te bouwen. Maar, schreef de Algemene Rekenkamer dit voorjaar, de overheid weet eigenlijk niet of ouderen deze nieuwe woningen wel betrekken. Evenmin weet het daarvoor verantwoordelijke ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening of de woningbouw wel op koers ligt om het doel te halen. Zelf acht de Rekenkamer dat ‘niet aannemelijk’.
Hoe Nederland met zijn ouder wordende bevolking omgaat, raakt aan fundamentele vragen over hoe de maatschappij eruit moet zien – en is daarmee bij uitstek een verkiezingsthema. Vergrijzing is een ‘samenlevingsvraagstuk’, schrijft de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving in een vorige maand verschenen rapport. Als de politiek dat niet zo benadert, tast dat ‘uiteindelijk het welzijn van huidige en toekomstige generaties aan’.
Bevolkingspyramide: Centraal Bureau voor de Statistiek
Zorgkosten: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
AOW: Centraal Bureau voor de Statistiek, Centraal Planbureau
Overheidslasten: Centraal Planbureau
Alleenstaanden: Centraal Bureau voor de Statistiek
Met medewerking van Eleanor Mohren