Home

De publieke ruimte wordt steeds dreigender en het verlangen om ergens écht welkom te zijn, neemt toe

is publicist en columnist van de Volkskrant.

Suriname is volgende maand, op 25 november, vijftig jaar onafhankelijk: vijftig jaar Srefidensi. Een kleuterherinnering: het huis vol met de mooie vlaggetjes, die papa ons gegeven had, het symbool van de beloftevolle onafhankelijkheid. Ik snapte niet precies wat het betekende, maar tekende de groen-rood-witte vlag met de gele ster enthousiast overal na. Je bent Surinaams en daar mag je trots op zijn, daar mag je bij horen, daar ben je thuis, benadrukte mijn vader. ‘Suriname was lang bezit van Nederland. Nu zijn we vrij, van onszelf, onafhankelijk!’

Al begreep ik niet goed wat hij daarmee bedoelde, toch beleefde ik de Srefidensi met een soort heilige verwachting. We zouden niet blijven wonen in dit land, Nederland, waar ik geboren was. Want we zouden nu spoedig teruggaan naar ‘ons eigen’ land. Mijn moeder zei juist altijd dat we, net als zij, Nederlands waren. Want zij was, ondanks haar kleur, Nederlands. En niemand mocht ons dat afnemen.

Toen ik afgelopen weekend een boekpresentatie van mijn boek De Dochter hield bij Surinaamse Sociëteit de Waterkant in Den Haag, raakten we in gesprek over dat Nederlands-Surinaams zijn, aan de vooravond van vijftig jaar onafhankelijkheid. De avond voelde als een spiegel: herkenning, warmte, humor in toch dat eeuwige gesprek over wie je bent wanneer je altijd ‘de ander’ blijft.

De leden van de Sociëteit de Waterkant zijn hoogopgeleide, veelal wat oudere Surinamers. Als kind op school in Suriname leerden ze dat ‘de Rijn bij Lobith hún land binnenstroomde’. Want Nederland, dat was voor de Surinamer die opgroeide voor 1975 ‘hun’ land. En toch. De generatie met grootouders en overgrootouders die onder Hollands vlag en gewin eeuwenlang uitgebuit zijn, voelt dat het ook over hen gaat, als het over migratie gaat. Ze hebben hun weg prima gevonden in Nederland; een prachtige carrière gemaakt, kinderen en kleinkinderen gekregen. Zij zijn bevoorrecht, gelukkig, hebben de veerkracht en warmte om hun schouders op te halen bij racisme.

Toch benoemen ze het allemaal openlijk; migratie is andermaal het speerpunt in verkiezingen. ‘Wij zijn noch asielzoekers noch arbeidsmigranten, hebben zogezegd een relatie van 400 jaar met Nederland, en toch gaat het migratiedebat óók over ons.’ Ook Surinamers blijven de eeuwige ander.

‘Ben je eigenlijk een Surinamer?’, vroeg iemand in de zaal – een vraag die me mijn hele leven heeft achtervolgd. Een beetje, jawel, maar het leven liep anders. Ik ben maar een paar keer in Suriname geweest, het voelde vertrouwd, maar toch schoot ik echt niet direct wortel. Suriname voelde nooit helemaal als thuis – ondanks de tientallen familieleden die me bij mijn allereerste bezoek, samen met wijlen papa 25 jaar geleden, met pom verwelkomden en vroegen wanneer ik weer ‘terug naar huis’ wilde komen. Toch borrelt het verlangen naar een toekomst daar de laatste tijd op.

Want in Nederland voel ik mij ook steeds minder geworteld. Ik kan niet ontkennen dat meespeelt dat ik al jaren, zeker sinds ik columnist ben, honderden keren te horen kreeg dat ik moest oprotten, terug naar mijn ‘eigen land’. Elke keer als ik het lef had om iets over racisme te schrijven. Lang zei ik: het zijn maar woorden. Maar de stroom aan misselijkmakende beledigingen en bedreiging, snijdt dieper dan ik wilde toegeven en duwt me weg uit een land waar ik ben geboren en opgegroeid. Waar ik een bijdrage aan lever. Ik wilde altijd in gesprek blijven, depolariseren, maar het is uitputtend.

De prachtige documentairereeks De Nieuwe Generaties van Suriname van Omroep Zwart laat zien hoe jonge Nederlanders van Surinaamse afkomst Suriname herontdekken en daar een toekomst voor zichzelf zien. Die beelden roeren iets in mij; het verlangen om ergens echt welkom te zijn neemt toe, terwijl de sfeer in de rechts-radicaliserende publieke ruimte steeds dreigender wordt. Schrijfster Karin Amatmoekrim verwoordde het scherp in haar laatste NRC-column: ‘Wij zijn het idee, de ideologie, de etniciteit waartegen de laatste jaren met succes is geageerd.’ Haar beslissing tijdelijk te stoppen met columns, voelde helaas herkenbaar. Het is uitputtend en ziekmakend om als schrijvende, progressieve vrouw van kleur een vooruitgeschoven kop van Jut te zijn voor extreemrechtse haters.

De naderende vijftigste verjaardag van Srefidensi herinnert me aan de uitnodigende belofte van de papieren vlaggetjes uit mijn jeugd. Misschien wordt het tijd om op die uitnodiging in te gaan.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next