Het Internationaal Strafhof worstelt met interne én externe problemen, zoals mogelijke Amerikaanse sancties. Aan gastland Nederland de taak om zich in te spannen voor tegenmaatregelen.
De veroordeling deze week van Ali Muhammad Ali Abd-al-Rahman door het Internationaal Strafhof voor het plegen van oorlogsmisdaden in Darfur meer dan twintig jaar geleden is een lichtpuntje in een verder donkere tijd voor het hof. De veroordeelde was een leider van de Arabische Janjaweed-milities die vanaf 2003 (toen gelieerd aan de Soedanese leider Omar al-Bashir) met bruut geweld een opstand van niet-Arabische groepen onderdrukten. ‘Dorpen werden platgebrand, mannen geëxecuteerd en vrouwen verkracht’, en het Strafhof acht bewezen dat hij opdracht gaf tot zulke massale wreedheden en er zelf aan deelnam.
Terwijl zijn veroordeling dus goed nieuws is, mag niet onvermeld blijven dat vandaag – in de schaduw van andere oorlogen – soortgelijk etnisch geweld plaatsvindt in Darfur en elders in Soedan, met opnieuw een wrede bijdrage van de Janjaweed, die is opgegaan in de Rapid Support Forces (RSF). Tot dusver zonder betrokkenheid van het Strafhof, al typeert Amerika het geweld als genocide.
Onvermeld kan evenmin blijven dat de overige verdachten nog steeds niet in Den Haag zijn berecht. Dat geldt ook voor Al-Bashir zelf, die de eerste leider was die het Strafhof wilde berechten. Het gebeurde niet, zelfs nadat hij de macht had verloren. Want het Hof, dat tot dan vooral Afrikanen berechtte, lag en ligt onder vuur als ‘instrument van het Westen’.
Dat Al-Bashir van de zwaarste oorlogsmisdaden – inclusief drie aanklachten wegens genocide – werd beschuldigd, mocht niet baten. Volgens de aanklager voerde hij een plan uit om drie etnische groepen – de Fur, Masalit en Zaghawa – te vernietigen. Critici vonden de genocide-aanklacht overdreven. Maar het arrestatiebevel werd hoe dan ook als ‘neokolonialisme’ genegeerd door China, Rusland, de Afrikaanse Unie, de Arabische Liga en de Organisatie voor Islamitische Samenwerking.
Dat leiders van sommige van deze landen graag moreel hoog te paard zitten als ze daarmee tegelijk ook hun eigen misdaden kunnen afdekken, bewezen drie West-Afrikaanse landen onlangs toen ze zich terugtrokken uit het Strafhof. Maar inmiddels kampt het Hof met grotere bedreigingen. Met onderzoeken naar leiders uit Afghanistan, de Filipijnen, Myanmar, Rusland en Israël is de focus op Afrika verminderd. Nu vecht het Hof vooral tegen zichzelf en dreigende Amerikaanse sancties.
Tegen zichzelf, omdat een onderzoek naar vermeend seksueel misbruik door hoofdaanklager Khan al bijna een jaar duurt, onder voortdurende speculaties of deze kwestie al dan niet de timing van de aanklacht tegen Netanyahu heeft beïnvloed. Uit mediaberichten rijst een negatief beeld op van de werkomstandigheden binnen het Strafhof. Hoe langer de zaak doorettert, hoe groter de schade aan het jonge Strafhof, dat al van meet af aan kwetsbaar is door gebrek aan steun van de grootmachten.
En dan is er de dreiging van nieuwe, draconische Amerikaanse sancties die het werk van het Strafhof ernstig kunnen gaan belemmeren. Gastland Nederland hoopt in dat geval op solidariteit en steun voor een Europese tegenmaatregel. Of die er komt, nu Europa Amerika zo hard nodig heeft, is onzeker. Het risico bestaat dat een hof dat bij oprichting werd gezien als teken van hoop en vooruitgang, symbool wordt van de nieuwe wereldwanorde en afkalvende volkenrechtelijke normen. Aan Nederland, zelfbenoemd hoeder van vrede en recht, de schone taak deze trend te keren.
In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant