Toen schrijver Kamel Daoud de belangrijkste literatuurprijs van Frankrijk kreeg voor zijn – nu vertaalde – roman Houris, zei hij tegen zijn vrouw: dit komt me duur te staan. En zo gebeurde het. Want wie over de Algerijnse burgeroorlog (1992-2002) schrijft, krijgt het regime achter zich aan.
Kamel Daoud praat zoals een ander een verhaal zou willen schrijven: zonder aarzeling, in gebeitelde zinnen. Er is weinig dat je kunt aansnijden zonder dat hij er uitgewerkte gedachten over heeft. Die worden aangedreven door een krachtige motor: een diepe afkeer van het Algerijnse regime dat hem twee jaar geleden uit zijn land verjoeg, zijn boeken uit de winkels liet halen en hem met rechtszaken achtervolgt, zoals die van de vrouw die beweert dat Daoud haar oorlogsverhaal heeft ‘gestolen’ om in zijn boek te gebruiken.
Drie weken geleden overleed zijn moeder. Was hij naar de begrafenis gegaan, dan had hem bij aankomst in Algiers waarschijnlijk hetzelfde lot getroffen als Boualem Sansal, de Frans-Algerijnse schrijver die vorig jaar november meteen na aankomst in Algiers naar de gevangenis werd gebracht. Sansal is 75 jaar, heeft kanker en werd tot vijf jaar cel veroordeeld. ‘We moeten over hem blijven praten’, zegt Daoud. ‘Dat is het enige wat kan helpen.’
De afspraak is bij zijn Parijse uitgever, Gallimard. Zo deftig dat die is gevestigd aan de Rue Gaston Gallimard, genoemd naar de oprichter. In de kast staan de eerste vertalingen van zijn boek: Huri, Uri, Huris, Húris.
Houris, waarvoor Daoud vorig jaar de prestigieuze Prix Goncourt kreeg, is een magistrale roman. De schrijver behandelt het onderwerp dat hij lang heeft vermeden: de Algerijnse burgeroorlog, die duurde van 1992 tot 2002 en waarbij minstens 150 duizend doden vielen. Een verzwegen oorlog die, anders dan de vrijheidsstrijd tegen Frankrijk van veertig jaar eerder, taboe is in Algerije. Er mag niet over worden geschreven, er zijn geen liederen, geen monumenten of herdenkingen. Als een engel der wrake richt Daoud zich tot de daders van toen: ‘Waarom lopen de mensen vrij rond die toen hebben gemoord, onthoofd, verkracht? Ze hebben een pensioen, niemand valt hen lastig. Maar wie zoals ik daar aandacht voor vraagt, wordt het land uitgejaagd.’
Aube (‘dageraad’ in het Frans) is de hoofdpersoon. Als meisje van 5 viel ze met haar zusje in handen van de opstandelingen die een islamitische staat wilden vestigen. Haar zusje werd gekeeld, Aubes onthoofding lukte maar half. Ze gaat door het leven met een wond van 21 centimeter over haar keel – ‘haar glimlach’, schrijft Daoud – en kan alleen geluid voortbrengen door een buisje. Het boek vertelt over haar zoektocht naar de plek in de bergen waar het drama zich heeft voltrokken. Aube is zwanger, ze twijfelt of ze haar dochter geboren wil laten worden in een wereld die zo vijandig is voor vrouwen.
U bent niet alleen schrijver, maar ook journalist en columnist. Ook in die rol haalde u zich vaak de woede van het regime op de hals. Toch bleef u. Waarom bent u nu wel vertrokken?
‘Ik heb Algerije niet verlaten omdat ik dat wilde. Zoals Albert Camus zei: als je door een dictatuur wordt omringd, is het heel moeilijk daarover te vertellen. Sinds vier jaar is Algerije één grote gevangenis.
‘De tegenstanders van het regime – rai-zangers, influencers, dansers, schrijvers – zitten ingeklemd tussen kampen die de vrijheid aantasten. Aan de ene kant de regering die steeds meer paranoïde wordt, aan de andere kant de islamisten van de radicale islam die aan kracht winnen. Er zijn twee wetten op grond waarvan ze kunnen worden opgepakt. De ene gaat over aantasting van de integriteit en veiligheid van de staat. De andere over aantasting van de moraal. Ontsnap je aan de ene, dan treedt de andere in werking. Elke week weer verdwijnen er mensen in de gevangenis.’
Hij vertelt over zeven jongens van 14 tot 16 die een jaar lang brandstof spaarden, onlangs een bootje huurden en naar de Balearen vertrokken. ‘Het is voor het eerst dat zulke jonge mensen het land ontvluchten. Algerije wordt een land van veteranen.’
Hoe merkte u dat het voor u te onveilig werd?
‘In elk totalitair regime zijn er krachten die je waarschuwen. Die zeggen: vertrek, nu!
‘De spanning met Frankrijk liep op. Intellectuelen als ik, die in Franse media schrijven, lopen dan gevaar. Op zeker moment nodigt de geheime dienst je uit koffie te komen drinken. Weigeren is geen optie, dus je gaat.’
Wat gebeurt er als je daar op de koffie gaat?
‘Hetzelfde wat er gebeurde in Oost-Europa in de jaren 60. Je praat wat, ze vragen wat, alles even hoffelijk. Ik kon me er niks bij voorstellen, had er alleen over gelezen bij Milan Kundera en Ismael Kadare. Nu voelde ik dat de val zich zou sluiten. Binnen een week ben ik vertrokken, met m’n familie. We hebben diep in de nacht het vliegtuig gepakt.’
Waarom hebben ze u niet op het vliegveld gearresteerd?
‘Dat doen ze niet. Ze sluiten het hoofdstuk.’ Even kijkt hij streng: ‘Volgende vraag.’
Over zijn vertrek wil hij verder niets kwijt. Ook zijn woonplaats in Frankrijk noemt hij niet. ‘Op 27 augustus 2023 ben ik hier aangekomen. De eerste week van september begon ik met schrijven aan wat Houris zou worden.’
Was die verhuizing nodig om dit verhaal te kunnen schrijven?
‘Om een pijnlijk verhaal te vertellen, heb je tijd en afstand nodig. De tijd was er, dit gaat over een burgeroorlog van twintig jaar geleden. En de afstand ook. Het is moeilijk om na vijftig jaar je land te verlaten, het is alsof je naakt over straat loopt. Maar als ik schrijf, voel ik me veilig. Dus stond ik ’s morgens op en schreef, van 8 tot 12 uur. Vaak in een bistro, soms bij Sciences Po (universiteit in Parijs, red.), waar ze me een plek aanboden. Frankrijk is een land van schrijvers. Als je hier komt, wat doe je dan? Je drinkt een glas, je gaat naar een restaurant, een museum. En je schrijft. Het boek droeg ik al lang met me mee, ik had aantekeningen.’
Waarom schreef u niet thuis?
‘Eerst had ik geen echt huis, we woonden krap. En ik breng graag een scheiding aan tussen werk en thuis. Ik las dat Orhan Pamuk een studio huurde tegenover zijn huis. Dat begrijp ik. Je moet afstand nemen.’
U had dus al fragmenten in uw hoofd. Welke waren dat?
‘Een roman is als een magneet. Je begint met een idee. Dat trekt andere deeltjes aan, die soms blijven plakken. Al snel ontstond het idee voor het personage Aïssa (een oude boekverkoper die zich over Aube ontfermt, red.). Al schrijvend ontdekte ik wat hij te vertellen had.’
Hoe ontstond het idee om Aube te laten spreken met haar ongeboren dochter?
‘Een verhaal moet gehoorzamen aan wat ik de wet van Duizend-en-een-nacht noem. Als Sheherezade stopt met vertellen, zal ze worden gedood. Stel, je organiseert een etentje. De ene gast is je buurman, de ander woont in een wijk verderop, de derde heeft net de Mount Everest beklommen. Die zal het hoogste woord krijgen. Zo is er een wet van de noodzakelijkheid.
‘Maar bij de Algerijnse burgeroorlog weet je niet hoe daarover te spreken, dus zwijg je. Het is geen strijd tegen de kolonisator, waarvoor de hele wereld zou applaudisseren. Het is een beschamende oorlog, een zelfmoord. Over die oorlog spreekt een vrouw die haast niet kan praten.
‘De hoofdpersoon moest een vrouw zijn, want vrouwen betalen in oorlogen de hoogste prijs. Vaak wordt geschreven over het einde van het leven, hoe je de hand van een ouder vasthoudt op het sterfbed. Zelden gaat het over het begin, een moeder die met haar ongeboren kind praat. Die zo veel van haar kind houdt dat ze zegt: ik laat je niet geboren worden in een wereld die zo slecht is voor vrouwen.’
De hoofdpersoon in uw boek heeft een grote keelwond. Als iemand in Algerije daarmee rondloopt, dan is het toch onmogelijk te ontkennen wat de oorzaak daarvan is?
‘Ik zal u zeggen: dat kan wel. Zoals tegen Solzjenitsyn werd gezegd dat de goelag niet bestond. Er zijn momenten waarop de geschiedenis totaal wordt ontkend.
‘Mijn dochter was 14 toen het boek klaar was. Zij kon niet geloven dat dit in Algerije was gebeurd; op school en in de media was er nooit over gesproken.Toen ik in 1999 als jonge journalist terugkwam van de slachtpartij in Had Chekala, zei de hoofdredacteur van mijn krant: duizend doden in een nacht, dat geloof ik niet.’
Had u verwacht dat Houris zulke heftige reacties zou oproepen?
‘Toen ik Moussa, of de dood van een Arabier (Daouds antwoord op De vreemdeling van Albert Camus uit 2013, red.) publiceerde, wilde men mij dood hebben. Toen mannen van Noord-Afrikaanse afkomst zich op oudejaarsavond in Keulen aan vrouwen vergrepen en ik in Le Monde een artikel schreef over de vrouwvijandigheid van de islam, leidde dat tot een enorme uitbarsting.
‘Na Zabor (2017, over een jongetje dat via boeken de wereld ontdekt, red.) werd het graf van mijn vader vernield. Nu ik in het Westen woon, oordeelt extreemrechts dat ik niet genoeg afstand neem van de politieke islam, en vindt de andere kant mij geen goede Arabier omdat ik weiger te zeggen dat alles de schuld is van Frankrijk en de kolonisatie.
‘Al voor de Prix Goncourt waren er van Houris 147 duizend exemplaren verkocht. De prijs was voor het regime een politieke boodschap. Ze hebben Houris verboden en mijn boeken uit de boekwinkels laten verwijderen. Daarna hebben ze een vrouw naar voren geschoven die zei: dit is mijn verhaal, hij heeft het gestolen.
‘Soms denk ik: het is niet te verdragen. Maar dan vergelijk ik mijn lot met dat van Sansal. Hij zit in de gevangenis en ik zit hier met u, bij Gallimard.’
Die vrouw, Saada Arbane, zegt dat u letterlijk beschrijft wat haar in de oorlog is overkomen, en dat ze dat verhaal heeft verteld aan uw echtgenote, die psychiater is. Hoe gaat u zich verdedigen?
‘Die vrouw was bekend in Algerije’, zegt Daoud. ‘Ze is een publieke figuur.’
Dan vertelt hij over de Algerijnse arts Zahia Mentouri, die zich na de moordpoging over de toen 7-jarige Saada Arbane ontfermde. Een bijzondere vrouw, zegt hij, die ook nog een tijdje minister van Volksgezondheid was. Ze stierf in 2022.
Kort voor haar dood publiceerde weekblad de Groene Amsterdammer een interview waarin ze vertelde over haar adoptiefdochter Saada, wier hele familie werd vermoord, terwijl ze zelf met doorgesneden keel voor dood werd achtergelaten. Dat is de Saada van de aanklacht. En Mentouri doet denken aan de advocaat Khadija, die zich in de roman over Aube ontfermt.
‘Saada Arbane zegt: het is mijn verhaal. Dat is fout, omdat het boek haar verhaal niet is. Tegelijk is het waar, omdat ze echt een slachtoffer van de oorlog is. Een boek is niet waar of gelogen. Je kunt een oorlog niet terugbrengen tot één persoon. Alsof je over het nazisme schrijft en iemand zegt: dit is mijn verhaal. Er zijn tienduizenden verminkten door die oorlog. Was dit boek in Rwanda of Vietnam of Zuid-Afrika verschenen, dan had ik geen probleem gehad, want daar wordt gewerkt aan rouw en herstel.
‘Mijn boek is een roman, geen biografie of autobiografie. Het gaat over een burgeroorlog die tien jaar heeft geduurd. Het materiaal is afkomstig uit allerlei bronnen. Als journalist heb ik die burgeroorlog verslagen, getuigen gehoord, interviews afgenomen. De geschiedenis van de burgeroorlog schuilt in kleine verhalen. Zo is het altijd geweest.
‘Als schrijver ben je getuige van je tijd. Vorige week was ik in Denemarken. Iemand vroeg: maar waartoe dient zo’n boek? Ik antwoordde: waartoe dient het verhaal van het meisje met de zwavelstokjes? Als schrijver steek je een zwavelstokje aan. Even zie je wat er gebeurt, dan dooft het. Daarna kun je niet meer zeggen dat je niks hebt gezien. Je hebt het gezien en je bent verantwoordelijk.
‘De aanklacht wil ik niet belangrijker maken dan die is. Dan word ik gedwongen daarover te praten, zodat de burgeroorlog niet ter sprake komt. Ik heb niet gestolen of gemoord, ik ga me niet opsluiten om me te verdedigen. Als je wordt aangevallen, moet je stil zijn en doorgaan met werken. Er komt een volgende roman, dan zullen ze weer iets verzinnen.’
U wist tevoren dat mensen in Algerije het boek waarschijnlijk niet zouden kunnen lezen. Voor wie heeft u Houris geschreven?
‘Een roman heeft geen nationaliteit. Met een boek ben je het centrum van de wereld. Als klein jongetje in een afgelegen dorp las ik Ernst Jünger: Op de marmerklippen, De staalstorm, Oorlogsroes. Dan was ik ergens anders. Dat wil ik bereiken.
‘Houris is het verhaal van een wederopstanding. Ik wilde vertellen over iemand die na de dood terugkeert naar het leven. Zoals ik in Frankrijk de kans krijg op een tweede leven. Daarom eindig ik het boek met het woord ‘einde’. Dat doe ik anders nooit.’
Het pamflet Il faut parfois trahir (‘Soms moet je verraden’), dat u na Houris schreef, is een aanklacht tegen iedereen die u het recht ontzegt in het Frans te schrijven. Waarom hecht u zo aan het Frans?
‘In Algerije vindt men het verraad wanneer je de Franse taal gebruikt. Er zijn Algerijnse schrijvers die om die reden de pen hebben neergelegd. Voor mij is dat idioot en treurig, dan geef je je vrijheid op. Alsof het meisje met de zwavelstokjes zegt: ik steek geen zwavelstokjes meer aan, want die zijn gemaakt in Zweden.’
Aan het slot van uw pamflet schrijft u: ‘Ik ben erin geslaagd me te bevrijden en droom ervan een held te worden.’ Waarom wilt u een held worden?
‘Om mijn moeder een plezier te doen. Mijn moeder is drie weken geleden overleden. Ze kon lezen noch schrijven, maar heeft me altijd gesteund. Ze wilde dat ik briljant zou zijn, een dorpsjongen die over de hele wereld wordt gelezen.’
Soms moet je liegen om de waarheid naar boven te krijgen, zegt uw personage Aïssa. Vindt u dat zelf ook?
‘De eerste dissidenten in Oost-Europa werden als verraders neergezet. Terwijl zij het waren die de weg naar de toekomst wezen. Literatuur is niet waar en is niet gelogen. Om de waarheid te vertellen, moet je een fabel construeren; dat is de paradox.
‘Moraal moet niet worden verward met literatuur. Dan zeg je: ik wil Lady Chatterley’s Lover niet lezen, want dat is een immoreel boek. Morele categorieën loslaten op kunst leidt tot inquisitie. Als ik schrijf over de seksuele ellende van de mannen en de slechte positie van de vrouwen in de Arabische wereld, wordt dat gezien als een aanslag op de beeldvorming rond Algerije. Niet ik maar het regime daar leeft in fictie.’
Wat mist u het meest aan Algerije?
‘De kleur van de hemel, het klimaat, de bomen – het echte Algerije mis ik. Wat ik niet mis, is het fictieve Algerije van het nationalisme, de oorlog, het anti-Franse sentiment, de paranoia. Frankrijk heeft me verwelkomd, het geeft me een tweede leven. Als ik bij Gallimard naar binnen ga, zit er niet iemand in een Lada die dat in de gaten houdt.
‘Uiteindelijk is Algerije van mij, en zal het regime vertrekken. Na één mandaat, na tien, na twintig. Dan hebben zij gedood, gevangenen gemaakt, angst aangejaagd, en ik heb boeken geschreven. Niemand kent nog de naam van een politiek commissaris uit de USSR. Ze kennen wel Gogol en Solzjenitsyn, of anders Kundera, Borges, Kadare.’
Aanval en verdediging spelen een grote rol in uw leven. Krijgt u daar nooit genoeg van?
‘Ik vermaak me ook’, zegt hij. Hij zoekt even naar woorden, zegt dan dat hij zich soms moet losscheuren van zijn strijd. ‘Ik ga straks eten met een vriend, ik wandel, siësta’s zijn heilig voor me. Ik lees graag sciencefiction, breng tijd door met m’n familie. Je lot kun je niet vermijden. Toen ik de Prix Goncourt won, zei ik tegen mijn vrouw: dit ga ik duur betalen. Ze zullen me niet met rust laten.’
Het boek eindigt met een scène van verzoening. Waarom heeft u daarvoor gekozen?
‘In het boek gebruik ik de metafoor van Abraham: hij heeft slecht geslapen, gaat de berg op met zijn zoon Izaak en wil hem doden. God geeft hem toestemming om in plaats daarvan een schaap te slachten. De Arabische wereld is nog niet zover, die bekommert zich meer om de voorouders dan om de kinderen. Die stuurt zijn kinderen naar de oorlog, jaagt ze het land uit, geeft ze een bestaan in armoede, in seksuele en culturele misère.
‘Daarom eindigt het boek met een vrouw die het mysterie van het leven geeft. De enige manier om de wereld te herstellen is door kinderen te baren die het misschien beter gaan doen dan wij.’
Kamel Daoud: Houris. Uit het Frans vertaald door Jan Pieter van der Sterre en Reintje Ghoos. Ambo Anthos; 350 pagina’s; € 24,99.
Kamel Daoud: Il faut parfois trahir. Gallimard; 64 pagina’s; € 3,90.
17 juni 1970 Geboren in Mesra, Algerije.
1994-2022 Journalist en columnist voor onder meer Le Quotidien d’Oran (waarvan hij ook acht jaar hoofdredacteur was) en Liberté.
2002 Publiceert La Fable du nain, het eerste van een lange reeks boeken.
2013 Meursault, contre-enquête (in het Nederlands vertaald als Moussa, of de dood van een Arabier) haalt de shortlist van de Prix Goncourt.
2014 Salafistische imam spreekt een fatwa uit tegen Daoud vanwege zijn kritiek op de islam.
2017 Internationaal succes met Zabor ou Les psaumes (vertaald als Zabor), roman over een jongetje dat via boeken de wereld ontdekt.
2020 Krijgt de Franse nationaliteit.
2023 Vlucht met zijn gezin naar Frankrijk.
2024 Publiceert Houris, waarvoor hij de Prix Goncourt krijgt.
2025 Rechtszaken over Houris wegens belediging van de nagedachtenis van de Algerijnse burgeroorlog en toe-eigening van de levensgeschiedenis van Saada Arbane.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant