is socioloog en columnist van de Volkskrant.
Is er sprake van een derde feministische golf? Het ziet er in elk geval hoopvol uit. Er wordt gedemonstreerd tegen femicide en onveiligheid op straat; vrouwen komen aan het woord in de media; kunstenaressen krijgen exposities; jonge vrouwen noemen zich weer Dolle Mina en bij het Amsterdamse standbeeld van hun naamgeefster Wilhelmina Drucker vond deze week een vrolijk-strijdbare ‘Minafestatie’ plaats. Als kers op de taart verschijnt eindelijk, honderd jaar na haar dood, een biografie over deze voorvrouw.
Als het over golven gaat moet mijn academische ik altijd even sputteren. De eerste liep vanaf midden 19de eeuw tot, zeg, het verkrijgen van het vrouwenkiesrecht in 1919. De tweede begon eind jaren zestig en liep af rond 1990. Mijn gesputter betreft een tussengolfje dat ik ontdekte bij mijn onderzoek naar verzetsvrouwen en dat ik ‘wederopbouwfeminisme’ noemde.
Voormalige verzetsvrouwen verwachtten na de bevrijding dat vrouwen gezien hun prestaties in de oorlog eindelijk hun gerechte maatschappelijke plaats zouden krijgen en dat de arbeidsverboden voor gehuwden verleden tijd zouden zijn. Het tegendeel geschiedde. De jaren vijftig en zestig werden voor vrije vrouwen misschien wel de slechtste periode ooit, en uit die misère kwam dan weer de tweede golf voort.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Een van de voorloopsters daarvan was schrijfster Andreas Burnier (1931-2002), van wie momenteel diverse boeken worden heruitgegeven. Burniers eerste roman Een tevreden lach dateert van 1965 en vormde met Het jongensuur (1969) vorig jaar het uitgangspunt van een mooie voorstelling van de Haarlemse Toneelschuur Producties. Jongensuren laat zien hoe de hoofdpersoon tracht als lesbische vrouw en voormalig Joods onderduikster een plek te vinden in de samenleving van de jaren vijftig.
Dat dit gepaard ging met eenzaamheid, wanhoop en te veel jonge jenever wordt aangrijpend over het voetlicht gebracht. Er wás in naoorlogs Nederland nu eenmaal weinig plek voor vrouwen die met hun leven iets anders wilden dan huwelijk en moederschap.
In het nagesprek bij de voorstelling die ik bezocht vertelde Burniers laatste levensgezellin Daniel van Mourik dat Burniers uitgever haar herdrukken wilde aanprijzen als van een ‘transgender avant la lettre’ auteur. Tegen die etikettering had Van Mourik bezwaar gemaakt. Burnier was wars van collectieven, wilde in geen enkel hokje worden ingedeeld, en vooral: heeft zelf verklaard dat zij niet transgender was.
Weliswaar had het meisje Burnier beslist liever een jongen willen zijn. Maar dat was omdat de levens van meisjes en vrouwen, vergeleken met die van jongens en mannen, onvrij en oninteressant waren. Uit Jongensuur:
‘Ik probeerde mij voor te stellen hoe het was om meteen als jongen te worden geboren. (…) dat je kon voetballen, ’s avonds door de stad lopen en meisjes aanspreken (…), een beroep kiezen en in dat beroep doorwerken als je trouwde en kinderen kreeg. Dat je geen truttige dingen hoefde te doen zoals handwerken of tafeldekken. Dat je hoorde bij de mensen die wat presteerden in de wereld: soldaten geleerden, ministers, ontdekkingsreizigers, ingenieurs, directeuren, en niet bij de onnozele helft die van hoog tot laag allemaal hetzelfde huishoudelijk werk moesten doen. Die zelf geen geld verdienden, die zich als pauwen moesten opdirken om de andere helft te behagen.’
Het voorbeeld van de steevast in mannenpak gehulde Burnier waarschuwt ons tegen het al te gemakkelijk meegaan met het idée reçue dat zo iemand is geboren ‘in een verkeerd lichaam’. In Burniers geval was haar lichaam niet verkeerd; verkeerd waren de seksistische wetten en beperkingen die de levens van mensen met vrouwenlichamen verziekten. Toen ze er in slaagde haar ambities als schrijfster en wetenschapster toch te verwezenlijken verdween het verlangen een man te zijn.
Voor mij, tweedegolffeminist, was Burnier een heldin; haar werk beslaat een flink stuk boekenplank. Daarentegen had de overgrote meerderheid van de bezoekers van het toneelstuk hiervoor nog nooit van haar gehoord. Naast Burnier worden momenteel nog meer tweedegolf-favorieten herontdekt – Natalia Ginzburg, Clarice Lispector, Audre Lorde, Katherine Mansfield, Anaïs Nin, Zora Neale Hurston, Adrienne Rich en Virginia Woolf, om een handvol te noemen.
Ik vraag me al jaren af hoe het toch heeft kunnen gebeuren dat al deze prachtboeken en ook de stapel wetenschappelijke publicaties van feministen van toen uit zicht zijn geraakt. Maar hoera: er lijkt sprake van een inhaalslag. En gezien het laaiend enthousiasme van het jonge publiek voor Jongensuren, rijst er inderdaad een derde golf op.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns