Home

Subliem schreef Simone de Beauvoir over de laatste dagen van haar moeder, voor wie sterven een strijd was

Simone de Beauvoir schreef Een zachte dood over het overlijden van haar moeder, dat haar onverwacht raakte. Je voelt haar dubbele verdriet, om de warme herinneringen aan haar jeugd, maar ook om ‘de afwijzende vrouw die mij als puber onderdrukte’.

‘Ik begreep niet dat je oprecht kon treuren om de dood van een ouder (...) van boven de 70’, schrijft Simone de Beauvoir (1908-1986) in Een zachte dood. ‘Als ik een vrouw van 50 ontmoette die volkomen van streek was door de dood van haar moeder, dacht ik dat ze neurotisch was; we zijn immers allemaal sterfelijk, en iemand van 80 is onderhand toch oud genoeg om dood te gaan...’

Om het overlijden van haar vader had De Beauvoir geen traan gelaten. Er was geen reden om het nabije levenseinde van haar 77-jarige moeder, aan wie ze ‘zelden met grote warmte’ dacht, met al te grote vrees tegemoet te zien.

Maar het punt is dat iemand niet doodgaat van ouderdom: ‘Je gaat aan iets dood.’ En dat iets komt altijd bij verrassing. ‘Een tumor, een embolie, een longstuwing, dat komt even hard en onverwacht aan als het uitvallen van een motor midden in de lucht.’

Een zachte dood (Une mort très douce, 1964) begint met het telefoontje dat De Beauvoir op een oktobermiddag in 1963 krijgt: haar moeder ligt in het ziekenhuis nadat ze bij een val in de badkamer haar heup heeft gebroken. De schrijver, inmiddels bekend van onder meer haar in 1949 verschenen De tweede sekse (‘Je wordt niet als vrouw geboren, je wordt tot vrouw gemaakt’), komt meteen in conflict met de behandelend artsen. Ze bejegenen haar uit de hoogte, om niet te zeggen agressief. Daarmee bestendigen ze direct het hoofdthema van De tweede sekse: de macht is in handen van mannen.

De toestand van haar moeder lijkt niet direct levensbedreigend, totdat bij onderzoeken een enorme, kwaadaardige tumor wordt ontdekt, die haar dunne darm afsluit. Nu de dagen van haar moeder geteld blijken, krijgt De Beauvoir een huilbui die bijna ontaardt in ‘een zenuwtoeval’.

Ze is verbijsterd: ‘Tot aan deze avond had ik al mijn verdriet begrepen; zelfs als het me overweldigde kon ik mijzelf er altijd in herkennen. Maar nu was ik de macht over mijn wanhoop kwijt; in mij huilde iemand anders dan ik.’

Uit die verbijstering is Een zachte dood voortgekomen – nu in nieuwe vertaling, door Greetje van den Bergh. De Beauvoir beschrijft het leven van haar moeder, hun onderlinge relatie en haar moeders sterven. Om met het eerste te beginnen: Françoise Brasseur, zoals haar meisjesnaam luidde, was afkomstig uit de provinciale, katholieke, hogere middenklasse die De Beauvoir met de bijbehorende conventies en vooroordelen zo treffend heeft opgeroepen in Een welopgevoed meisje, het eerste deel van haar autobiografie.

Françoise kende geen gelukkige jeugd, maar haar huwelijk met een sprankelende Parijzenaar van voorname afkomst deed haar opbloeien. Helaas werd deze echtgenoot al snel overspelig, en nadat hij in geldproblemen was gekomen, kende Françoise noch een gelukkig huwelijk, noch materiële welstand. De moraal verplichtte haar zichzelf weg te cijferen voor haar man en twee dochters, wat ze ook deed, maar niet zonder dat haar verbittering een uitweg vond in woedeaanvallen.

Door de traditie liet ze zich afhankelijkheid voorschrijven, en daarmee fungeerde ze voor De Beauvoir en haar zus Hélène als negatief voorbeeld. Pas toen ze door de vroege dood van haar man haar vrijheid had herkregen, bleek hoe vitaal en getalenteerd ze in de buitenwereld haar weg wist te vinden.

Ambivalente gevoelens

Als kind bewonderde de schrijver haar mooie moeder; later leed ze niet alleen onder haar humeurigheid, maar ook onder de opdringerigheid waarmee ze zich in het leven van haar dochters mengde. En toen De Beauvoir beroemd werd als vrijgevochten filosoof en auteur was haar moeder weliswaar gevleid door het succes van haar boeken, maar ook pijnlijk getroffen door de aanstoot die dit in katholieke kringen gaf.

Ambivalente gevoelens dus, bij de schrijver die nu haar moeders hand vasthoudt, haar over het voorhoofd strijkt, in paniek de verpleegsters om méér morfine smeekt – en de patiënt wijsmaakt dat ze er weer bovenop zal komen, want onwillekeurig zijn de twee zussen, wetend dat hun moeder behoefte heeft aan hoop, gaan liegen over een buikvliesonsteking.

De lijdensweg wordt nog verlengd door een zinloze operatie, waarvan De Beauvoir de soeverein optredende artsen niet heeft kunnen weerhouden. De beschrijvingen die ze van haar moeder geeft zijn navrant: het opgezwollen, ‘wegrottende’ lichaam met doorligplekken, de bont en blauwe arm met het infuus, de in de lakens klauwende handen, het holle gezicht met de bolle oogleden, de gulzige mond die water door een rietje zuigt.

Later zullen de artsen schande spreken van het feit dat de schrijver met een notitieboekje aan het bed van haar moeder heeft gezeten.

Een strijd

Ondanks morfine en valium wordt het sterven een strijd. Van ‘een zachte dood’ is slechts sprake als je bedenkt dat de stervende twee zorgzame dochters aan haar bed heeft zitten, wat niet iedereen gegeven is.

Opvallend is dat de vrome Françoise tijdens haar beproeving geen enkele keer om een priester vraagt, zelfs niet wanneer ze haar dood begint te voorvoelen. Ze is niet bezig met een hiernamaals, haar verzet tegen de dood komt neer op angst om het leven los te laten. In stoïcijns perspectief moet de mens zijn dood aanvaarden als het natuurlijke einde van zijn leven, als het risico dat nu eenmaal bij elk leven hoort (het is de ‘krijgseed’ die je moet afleggen, zegt Seneca).

De Beauvoir, die evenveel van het leven houdt als haar moeder, schrijft: ‘Er bestaat geen natuurlijke dood (...) Alle mensen zijn sterfelijk; maar voor ieder mens is zijn eigen dood een ongeval, en zelfs als hij het weet en er niet tegen protesteert, een ongehoorde daad van geweld.’

Dit alles is rechttoe rechtaan en in hoog tempo opgeschreven, je voelt de paniek van die sublieme schrijver, haar wroeging en het dubbele verdriet om de lieve moeder van haar kindertijd en ‘de afwijzende vrouw die mij als puber onderdrukte’.

Niet verwonderlijk dat Sartre, haar levenslange metgezel, dit haar allerbeste boek noemde.

Simone de Beauvoir: Een zachte dood. Uit het Frans vertaald door Greetje van den Bergh. Met een essay van Niña Weijers. Athenaeum; 143 pagina’s; € 19,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next