Een linkse intellectueel gaat een dag helpen op het stembureau en denkt na over de betekenis van democratie: deze kleine klassieker van Italo Calvino is intelligent, begeesterd en bij vlagen ronduit grappig.
is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.
Amerigo Ormea, een linkse intellectueel, gaat om half zes in de ochtend de deur uit. Het regent. Hij denkt: nu zal ik de hele dag natte schoenen hebben.
En hij denkt wat iedereen denkt: het regent, wat zou dat betekenen voor de verkiezingen van vandaag? Want iedereen heeft theorieën over welke kiezers bij slecht weer liever thuisblijven.
Het stembureau waar Amerigo zitting neemt is opgetuigd in een psychiatrische inrichting. Hier komt straks een stemgerechtigde waaier aan mensen met halve en hele beperkingen binnen. Amerigo hoort bij de brave burgervrijwilligers die alles ordentelijk moeten laten verlopen.
Amerigo noemt zichzelf communist, maar twijfelt of hij het echt is. Misschien is een politieke voorkeur eerder iets dat van generatie op generatie wordt doorgegeven, denkt hij, klasse- en plaatsbepaald. ‘Soms zag Amerigo de complexiteit van de dingen als een opstapeling van duidelijk te onderscheiden lagen, zoals de blaadjes van een artisjok, maar soms ook als een brij, een kleverige samenklontering van betekenissen.’
Naar het schijnt baseerde de iconische Italiaanse schrijver, uitgever en verzetsheld Italo Calvino (1923-1985) de ervaringen van Amerigo de stemopnemer op die van hemzelf. In het konkelende politieke discours beschrijft hij, in het nu opnieuw uitgegeven Een dag op het stembureau (1953), ‘de ware betekenis van democratie’ als een moment van plechtige soberheid. Potloden, biljetten.
Dit is precies wat het is. Het duurt nog een maand voordat we zelf weer mogen stemmen, en iedereen zal die ongerijmdheid van verkiezingen kennen: maandenlang zie je lijsttrekkers in tv-shows ruziemaken, hoor je gelikte slogans, grote beloften, ingestudeerde oneliners, lees je krantenkoppen en vechtinterviews. Vertoon. En dan op de dag zelf loop je een stille, kale gymzaal of buurthuis in waar goedaardige vrijwilligers je een rood potlood geven en een enorm vel van gerecycled papier met heel veel namen erop.
‘In het Italië dat altijd had geknield voor pracht en praal, uiterlijk vertoon, ornament’, denkt Amerigo, is dit grandioos: ‘in gevouwen papiertjes en potloden tussen eeltige en beverige vingers’ vindt de democratie in dit eenvoudige ceremonieel haar weg.
Een dag op het stembureau is een intelligent, elegant, begeesterd en bij vlagen ronduit grappig boek. Amerigo kijkt om zich heen, luncht thuis, wordt boos op zijn zwangere vriendin (terwijl hij helemaal niet boos is), ziet de stemmers zijn stembureau binnenkomen. Ze zijn blind, of ingezwachteld, ze lijken niet te weten waar ze zijn. Eentje loopt kermend van de pijn binnen en staat in het stemhokje eindeloos te kreunen.
Continu weegt Amerigo – en dus Calvino – de democratie. Ja, het idee is mooi. Maar dit is de praktijk. Mensen. Met hun tekortkomingen. Van een patiënt is zijn verzorger mee. Uit het stemgedrag van de patiënt lijkt hij op te maken hoe goed of slecht het met zijn gezondheid is gesteld.
Vorig jaar verscheen Italy Reborn – From Fascism to Democracy, waarin de Britse italoloog (is dat een woord?) Mark Gilbert beschreef hoe de Italianen na twintig jaar fascisme in één keer in het diepe water van de democratie werden gegooid. In 1946 waren er op vijf achtereenvolgende zondagen verkiezingen om een scala aan lokale en regionale overheden te vormen, was er een referendum of men een koning of republiek wilde, en waren er landelijke verkiezingen voor het parlement.
Het is een fout om de Italiaanse democratie te beoordelen op haar theater, schrijft Gilbert. Ja, de politici waren flamboyant, gebruikten de grootst mogelijke woorden. Maar de cijfers tellen. De opkomst was enorm. Door het hele land werden cursussen op scholen, in kerken en buurthuizen georganiseerd over hoe stemmen werkte. De leiders van alle grote partijen moedigden vrouwen, die voorheen niet mochten stemmen, aan om mee te doen.
Dit is precies waaraan Calvino’s Amerigo denkt: ‘Hij herinnerde zich het beeld van de mensen van toen, iedereen leek haast even arm en was meer geïnteresseerd in het algemene dan in persoonlijke problemen; hij herinnerde zich de geïmproviseerde partijkantoortjes, gevuld met rook, met het lawaai van de stencilmachines en dik ingepakte mensen die elkaar overtroefden in belangeloze inzet.’
Misschien, denkt Amerigo, is het ‘alleen de pasgeboren democratie [die] de naam democratie verdiende’.
Dit lijkt de kern van Amerigo’s/Calvino’s betoog: een democratie mag niet sleets raken, geen gewoonte, geen bureaucratisch gebruik. Elke keer als een kabinet voortijdig valt, voelen de daaropvolgende verkiezingen weer trivialer, want als de kabinetten elkaar zo snel afwisselen – wat doen ze er dan toe? Elke verkiezing moet de democratie nieuw leven inblazen, en moet de partijleiders laten zien: we doen dit samen. Niet tegen, maar voor elkaar. Het is onverwacht, maar door Calvino kreeg ik zowaar zin in de verkiezingsdag.
Italo Calvino: Een dag op het stembureau. Uit het Italiaans vertaald door Linda Pennings. Cossee; 112 pagina’s; € 14,99.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant