Racisme Veel mensen van kleur voelden zich tijdens de gewelddadige demonstratie van extreemrechts in Den Haag onveilig. Via appjes riepen ze elkaar op het centrum te mijden.
Bij het partijkantoor van D66 zijn ruiten dichtgetimmerd, die werden ingegooid tijdens de rellen in Den Haag.
Bij het hoofdkantoor van D66 in Den Haag is de ‘kozijnendokter’ op bezoek. De ramen van de benedenverdieping zijn afgetimmerd met houten platen en een steiger van de glazenmaker staat tegen de gevel. In een van de bovenramen is nog een provisorische reparatie zichtbaar. Het zijn de zeldzame sporen van het geweld dat vorige week zaterdag door de stad raasde. Het is ook een symbolische wond, zoals de partij benadrukt. Op de houten platen is papier geplakt met vier keer de zin ‘Democratie laat zich niet breken’.
Het kantoor van D66 was een doelwit van de demonstranten van het ‘Elsfest’, die daar stenen tegen de ruiten gooiden. Vier politieagenten raakten gewond toen ze massaal werden aangevallen door ‘tuig’, zoals politici van links tot rechts hen achteraf noemden. Sommige journalisten werden belaagd.
Maar de demonstratie zelf had een ander doelwit: asielzoekers, migranten, Nederlanders met een niet-witte huidskleur. Zij stellen zich in Den Haag achteraf de vraag waarom politici en media sindsdien vooral bezig zijn met de kwestie of het om politiek geweld ging of niet. En waarom de minister van Justitie en Veiligheid de daders „extreemrechts en nazistisch” noemde, maar niet ‘racistisch’, zoals cultuurwetenschapper Jaswina Elahi opmerkt. „Nazistisch – alsof deze demonstratie tegen Joden was gericht.”
Vier Nederlandse Hagenaars met wortels van buiten Nederland en één Turkse student die in Den Haag woont, spreken over de impact van de ontspoorde antimigrantendemonstratie. Hun primaire reacties variëren van ‘zorgelijk’, ‘ongekend’ en ‘eng’ tot ‘rampzalig’. Of ze nu een Surinaams-Hindostaanse achtergrond hebben, Marokkaanse of Turkse wortels, allemaal voelen ze dat de woede waarop deze demonstratie dreef, tegen hen is gericht. „Iedereen van kleur voelt dat”, zegt Kavish Partiman, de lokale CDA-leider.
Adeel Mahmood, fractievoorzitter van Denk in de Haagse gemeenteraad. Foto Bart Maat
Ze kregen of stuurden die dag allemaal appjes aan hun vrienden en familie met de vraag: ‘Ben je veilig?’ Er werden waarschuwingen doorgezonden aan andere POC (people of colour, mensen van kleur) om niet naar het centrum te gaan, omdat de demonstratie op het punt stond over te gaan in geweld. Adeel Mahmood, fractievoorzitter van Denk, laat zijn telefoon zien: een appje dat de voorzitter van een moskee-koepelorganisatie hem doorstuurde. Ga niet de stad in, was het advies voor moslims. „Ze gaan straks mogelijk op ‘Moslim-jacht’”, stond er. „Vooral onze zusters dienen op te passen.”
Zeynep Inan, die in Den Haag een master neurowetenschappen volgt, liep met haar fiets van de Korte Poten via het Plein naar de Lange Poten. „Toen zag ik ze. Eerst dacht ik dat het Nederlands elftal een wedstrijd had, want ik zag allemaal Nederlandse vlaggen. Wat ik gek vond, is dat sommigen een bivakmuts droegen. Toen ik door de groep liep, zei ik in mijn beste Nederlands: ‘Mag ik erdoor?’ Ik moet zeggen, ze waren best aardig. Even verderop was een metalen versperring omvergegooid, en sommige demonstranten knalden er fietsen bovenop. Het werd zo druk en zo dreigend, dat ik ging schuilen in een winkelportiek. Kan ik met mijn fiets naar binnen, vroeg ik. Ja, natuurlijk, anders maken ze jouw fiets ook kapot, zeiden ze. Ik denk dat we daar met zo’n twintig mensen stonden te schuilen.”
Voor de deur zag Inan de groep met rookpotten in hun handen langs rennen. „Ik zag ook jongens in de groep die volgens mij van Turkse en Surinaamse afkomst waren. Toen werd het stil. Vijf minuten later ben ik naar buiten gegaan. Met mijn fiets aan de hand ben ik naar huis gelopen. Ook bij mij in de Zeeheldenbuurt zag ik meer agenten dan anders. Toen dacht ik voor het eerst: dit antimigratie geluid is echt groot geworden. Tot zaterdag had ik niet door hoe agressief en gewelddadig het kon zijn.”
CDA’er Partiman was die dag bewust niet naar de binnenstad gegaan. „Je moet de moeilijkheden niet opzoeken. Op mijn voorhoofd staat niet geschreven of ik moslim of hindoe ben. De groep die daar demonstreerde had daar ook niet over nagedacht, die had naar mijn kleur gekeken en geconcludeerd: die hoort hier niet.” Als de demonstranten roepen ‘Wij zijn Nederland’, en dat riepen ze, dan is iedereen die er niet uitziet zoals zij dat dus niet.”
Collega-raadslid Adeel Mahmood merkt het, veel meer dan vroeger, als hij op sociale media kijkt. „Als ik het in een post over ‘onze stad’ heb – en ik woon in Den Haag sinds ik een baby ben – staat er nu in honderden reacties onder: ‘Hoezo jouw stad?’
Het komt erop neer, zeggen ze allemaal, dat ze niet voor vol worden aangezien, nooit. Cultuurwetenschapper Jaswina Elahi: „Het beeld dat mensen van kleur minder waard zijn, wordt door herhaling vanzelf als normaal gezien.”
Genormaliseerd – dat is wat ze alle vijf zeggen. Dat het normaal is om op tv van talkshowgasten of politici te horen dat asielzoekers, migranten, allochtonen of niet-westerse Nederlanders een probleem voor Nederland zijn. In elk geval voelt geen van hen zich door politici en andere opinieleiders gesteund. Mahmood: „Waar is het weerwoord? Wie steunt ons? Wie staat er achter mij?”
Deze week berichtte NRC over een onderzoek van de denktank The Hague Centre for Strategic Studies. Daaruit bleek dat vier op de tien Nederlanders vinden dat de belangen van mensen die in Nederland zijn geboren zwaarder moeten wegen dan die van anderen. In de commentaren die in het onderzoek zijn opgenomen wordt geklaagd over het „teveel [aan] buitenlanders” en het „verlies van eigen cultuur en veiligheid en christelijke normen en waarden”. Migratie wordt gezien als belangrijkste bedreiging voor Nederland. In het NRC-artikel werd onderzoeker Gerben Bakker aangehaald die zei: „De ultranationalistische groepen vinden onder de zwijgende middenklasse steun en legitimiteit.”
Sociaal werker Mirhan Sakruca denkt dat ook de in zijn ogen tamelijk gematigde politieke reacties op de gewelddadigheden de demonstranten zullen hebben gesterkt. Zij voelen zich volgens hem gerechtvaardigd om hiermee door te gaan. „Ik denk dat ze vrij spel hebben.”
Sociaal werker Mirhan Sakruca. Foto Bart Maat
Gevolg is dat de meeste geïnterviewden zich minder met Nederland verbonden voelen. Elahi zegt dat haar vijftienjarige dochter deze week verzuchtte: ‘Mam, ik voel me geen echte Nederlander meer.’ Maar ze ís Nederlands, zegt Elahi, net als zijzelf. Ze zijn niks anders, waar zouden ze héén moeten?
Elahi beschrijft de dynamiek die daarop volgt. „Als je stelselmatig wordt uitgesloten, kan dat twee kanten op werken. Sommigen voelen zich daardoor sterker verbonden met hun etnische groep, anderen ervaren juist meer afstand omdat zij zich niet herkennen in de diversiteit binnen die groep. In dat geval ontstaat er het gevoel nergens echt bij te horen.”
Mirhan Sakruca zegt: „Als zo’n demonstratie uitloopt op geweld en een boodschap van haat, en wij kunnen dat eigenlijk alleen in onze eigen groep bespreken, ja, dan ontstaat er een integratieprobleem.” Hij mist de steun van Nederlanders, zegt Sakruca. „Begrijpen ze het wel als ik zeg: ik voel me hier niet thuis?”
Hij is pas 21, geboren en getogen in Den Haag-Zuid, en hij ziet de toekomst somber in. Trouwen, kinderen krijgen, werken – het perspectief op een onbekommerd, vrij bestaan ziet hij niet. Een paar jaar geleden werkte hij als bijbaantje in het lager onderwijs. Komt een jongetje van zeven op hem af. Dat zegt: ‘Jij bent helemaal niet Nederlands.’ Sakruca zegt, wacht even, dan haal ik je juf. De juffrouw komt erbij. „Ze wordt boos op míj. Ik vertel haar wat er is gebeurd. Dan gaat ze om de hoek staan praten met dat jongetje. Hij drentelt even later gewoon naar het schoolplein. Zij heeft het voor hem opgenomen, niet voor mij.”
Jaswina Elahi formuleert het kernachtig: „Aan welke voorwaarden moet je eigenlijk voldoen om beschermd te worden tegen een gevoel van onveiligheid?”
Zeynep Inan vertelt dat ze een keer in een Uber reed en de chauffeur haar het advies gaf: ‘Als je echt veilig wilt zijn, dan moet je Nederlands leren.’ Ze knikt en zegt: „Dat ga ik dus maar doen, beter Nederlands leren.”
Toch zegt Inan dat ze het risico dat haar als gay vrouw in haar moederland Turkije iets vervelends overkomt, hoger inschat dan in Nederland. „Ik geloof nog altijd dat de wetten en de rechten mij hier zullen beschermen.”
Adeel Mahmood schudt het hoofd. „In de Verenigde Staten dachten ze ook dat ze voldoende rechten hadden om zich op te beroepen. En je ziet nu hoe gemakkelijk die aan de kant worden geschoven. Elke migrant kan van straat worden geplukt en vastgezet, zonder vorm van proces.”
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC