Home

Nog één keer de gletsjer zien! Ja, ik ben ook zo’n laatste-kans-toerist

Klimaatverandering Dit heb ik in elk geval nog aan mijn kinderen kunnen laten zien, denkt Christiaan Weijts bij alle toppen die hij met hen in de Alpen beklimt.

Ga daar maar staan, in die voetafdrukken. Kont naar achteren, en de stoeltjeslift schept je vanzelf op. Het tweezitje kraakt. Versleten bekleding waar het schuimrubber uit puilt. Het metalen frame jarenlang geteisterd door stormen en bliksem en hitte.

Vóór ons rijst de bergwand op naar het Mont Blanc Massief. Naaldbomen, graniet, en dan het glimmende witte ijs. Linksboven, bij Aiguille du Midi (3.842 meter), schuift een cabine voorbij, een speldenknop tussen besneeuwde toppen.

Onze lift rammelt, een ketting slaat tegen metaal, en we schieten over de eerste mast. „Dat geluid hóórt,” vertel ik mijn dochter (14). Ze houdt de stang klemvast, haar knokkels even wit als de mijne.

Hoogtevrees heb ik al zolang ik me kan herinneren, maar ik ben er iets beter in geworden haar te verbergen. Eerst voor anderen, daarna voor mezelf. In Rusland knapte eerder die week een kabel van precies zo’n stoeltjeslift. Ik ben zo stom geweest er een filmpje van aan te klikken. Hier zouden we een meter of tien neerstorten op een ogenschijnlijk zachte grashelling. Ik kan het me levendig voorstellen. Angst parasiteert op de verbeeldingskracht. Alleen de fantasielozen dartelen onbevreesd.

Het doet iets met mij, als onder-de-zeespiegel-bewoner ineens omringd te zijn door hooggebergte. Meteen bij aankomst was ik al onrustig. We zouden snel wat boodschappen doen in Chamonix. Ik kwam er als kind wel eens met mijn ouders, en was er voor het laatst in 1995 (19 jaar, Interrailvakantie, eerste vriendinnetje) en ik herinnerde me dit als een lieflijk bergdorpje. Nu was het afgeladen. Zelfs de megaparkeerplaats had geen plek. In de ramvolle Spar City liet ik van nervositeit een doos eieren vallen.

Boven, bij de tongpunt van de gletsjer van Les Bossons (1.500 meter, anderhalf uur bergopwaarts lopen) verwacht ik nu wat meer rust. Maar ook het panorama-plateau is vergeven van de toeristen.

Ik ben hier toch gekomen voor een eenzame confrontatie met het sublieme? Dat is een vorm van hoogtevrees die ik bewust opzoek. En als ik op de rand ga staan en de anderen wegdenk, lukt dat nog best. Hier, boven de boomgrens, met de scherpe rotskammen, met hun ijskappen en kragen van weiden en dennen, met het vergezicht over de vallei en over de ruige aardkorst, raak je er vanzelf van doordrongen dat je op een bol leeft, in een leeg heelal dat zich al opdringt achter het ijle vliesje atmosfeer.

Verrukt ontzag

Kort voor ons vertrek was plotseling iemand uit onze vriendenkring overleden. Hij was vijf dagen ouder dan ik. Bij elk voortijdig sterfgeval verlies ik weer iets van mijn vroegere naïeve geloof in de juiste bedoelingen van dit universum en de goedgezindheid van deze planeet.

Staar over die ruige aardkorst onder de heiige nevel en je begrijpt dat dit allemaal onverschillig staat tegenover jouw bestaan, en dat „alles wat ontstaat tot smartelijke ondergang bereid moet zijn”, om Friedrich Nietzsche erbij te halen, de denker-wandelaar die op zulke hoogten nooit ver weg is. In De geboorte van de tragedie (1872) beschrijft hij zo’n blik in de afgrond: „We worden gedwongen de verschrikkingen van de individuele existentie onder ogen te zien – maar van schrik verstijven doen we niet, want een metafysische troost rukt ons voor een moment weg uit het gewoel van vluchtige gestalten.”

‘Het sublieme’: zo heette dat verrukte ontzag een eeuw eerder bij denkers als Immanuel Kant en Edmund Burke. Misschien is het simpelweg de cocktail van dopamine en endorfine, die vrijkomen na inspanning in de ijle lucht, en het trotseren van die hoogtevrees.

De afgrond en de vergankelijkheid lees je ook op een andere manier af aan het landschap. De gletsjer is duidelijk kleiner dan in 1995, en ook iets grauwer. Een dag later stuurt mijn vader me een foto, vanuit hetzelfde uitzichtpunt. Hij was hier in 1965 geweest, op een fietsvakantie met mijn opa. De hagelwitte ijsmassa, vele meters dikker, reikte nog haast tot de voet van de berg. De afgelopen 25 jaar verdween 39 procent van de ijsmassa in de Alpen. En het smelten gaat steeds sneller.

Ook dat is hoogtevrees: wankelen op de klif van de extinctie. En ook dat trekt toeristen. Last chance tourism heet het fenomeen. Nog één keer de koraalriffen zien, de lage eilanden, de gletsjers, Venetië… Time Magazine noemde de Alpen elf jaar terug al als een van de tien ‘Amazing Places To Visit Before They Vanish’.

Schaarste jaagt op, een beetje zoals dat ‘nog maar één kamer beschikbaar’ op boekingssites. En Chamonix moet er iets mee. Vorig jaar opende er een nieuwe kabelbaan, die dichter bij de inmiddels hogere teruggetrokken Mer de Glace komt. Een nieuwe tentoonstelling in het Glaciorium informeert toeristen over de gevolgen van klimaatverandering. Dat zou tot gedragsverandering kunnen leiden, is de hoop, maar tegelijkertijd speelt hier de wrange paradox dat al die laatste-kans-toeristen de teloorgang juist ook versnellen.

Hoewel ik mezelf nooit als zodanig beschouwde, ontwaakt de laatste-kans-toerist in mij nu alsnog. Dit heb ik in elk geval nog aan mijn kinderen kunnen laten zien, houd ik mezelf voor, bij alle toppen die we deze week beklimmen.

Trailrunners

1965, 1995, 2025: vanuit de miljoenen jaren van de berg bezien zijn het milliseconden. Vóór de Tweede Wereldoorlog was het bergtoerisme voorbehouden geweest aan de rijke elite. Toen kwam het recht op vakantiedagen, samen met de infrastructuur van kabelbanen en ski- stations. Mijn vader en opa voelden zich, op hun stadsfietsen met terugtraprem, de pioniers van dit nieuwe Alpentoerisme. Zij waanden zich de eersten, wij wanen ons de laatsten.

Toch zijn we bepaald niet alleen. Van veel kabelverbindingen blijken alle tijdssloten al volgeboekt. Bovenaan het liftstation van La Flégère (1.877 meter) lees ik dit bordje: ‘Warning: the mountain has no brain. Use your own.’

Dit gaat om persoonlijke veiligheid. In de zomermaanden vallen hier dagelijks meerdere doden. Telkens hoor je het brommend memento mori van helikopters. Maar voor mij vraagt dat bordje ook: hoe dien je je te gedragen, als fatsoenlijke laatste-kans-toerist? Op de BBC-website vind ik een ‘ethische gids’, die drie vragen centraal stelt: reis ik wel eco-vriendelijk, schaden mijn activiteiten het landschap niet en welke natuurbeschermingsacties ga ik thuis ondernemen?

Anderhalf vinkje, gok ik. Maar, zo houd ik mezelf voor, wij zijn toch niet zo erg als die selfietoeristen met hun vlogcamera’s, die hierheen kwamen vliegen uit Azië en Amerika?

Maar ik bedoel vooral: horen we dit niet veel ernstiger op te vatten, schuldbewuster misschien ook? Meer als een eerbiedige processie, waarbij het zwijgen van de mannen die ons de stoeltjes- en cabineliften in begeleiden iets plechtigs krijgt. ‘U mag afscheid nemen.’

Idioot? In IJsland is in 2019 een begrafenisritueel gehouden voor een gletsjer. Wat hoor je te voelen, oog in oog met deze reusachtige thermometers van de planetaire koorts? Vast iets anders dan de ergernis over de vele belangstellenden.

Nieuw ten opzichte van 1995 zijn de trailrunners. Bij elke klim halen ze ons in of komen ze ons tegemoet. Hijgend en bezweet hollen ze het rotsige pad af, in hun professionele outfits, met iriserende sportzonnebrillen en hydratatievesten met drinkslangetjes, als sondevoeding. „Bang om de laatste stoeltjeslift te missen”, grappen we dan.

Ook de stokken zijn nieuw: wat ooit hulpmiddelen waren van ouderen op leeftijd, ligt nu in elke outdoorwinkel als trekking poles. En nee, we maken geen wandeling meer, we doen een hike. Ook de opgejaagde trailrunner lijkt zich te haasten om de berg nog één keer mee te maken in zijn voorhistorische luister, maar hij belichaamt ook het verlangen om aan het massatoerisme te ontsnappen, om van de berg weer een exclusieve, individuele ervaring te maken, met een ‘persoonlijk record’.

Mijn vader keek tijdens onze zomervakanties in de bergen altijd neer op mensen die zich met stoeltjesliften omhoog lieten hijsen. Nee, wíj liepen alles op eigen kracht! Wij hadden veel meer récht op dat uitzicht. Wij waren geen toeristen, maar eerder een soort locals.

Heb je net een hoekje van de wereld ontdekt dat speciaal is afgestemd op jouw hoogstpersoonlijke dromen, en dan blijken daar ineens ánderen te zijn. Terwijl: jij hebt er recht op. Jij hebt een klimmersuitrusting en een set dure trail-poles!

Kunstsneeuwkanonnen

„Je moet om zeven uur ’s ochtends de lift nemen”, vertelt een vrouw ons bij Lac Blanc (2.352 meter). „Dan is er nog bijna niemand!” Anderen ontwijken, de illusie van ongereptheid ensceneren, ontsnappen aan de hutjemutje-realiteit. In het tegenlicht lijkt het twinkelende bergmeer op onze foto’s uiterst sereen. Totdat je inzoomt en al die zwarte sprieten op de rotsen geen begroeiing blijken maar menselijke silhouetten, die ook allemaal staan te fotograferen. Tientallen, een paar honderd. En toch, wordt het sublieme minder subliem als meerdere ogen het zien?

Waarom zou ik meer recht hebben op zo’n ervaring dan al die anderen? Laatste-kans-toerisme is een collectieve vorm van het trotseren van die existentiële hoogtevrees. We staan aan de ecologische afgrond met dat mengsel van angst, rouw en opwinding (‘Ik was er nog bij!’), en ervaren die zelfs in het kwadraat: die laatste blik op het sublieme vóór het verdwijnt is op zichzelf ook weer iets subliems.

Bij het overzien van het lange slingerpad dat hierheen klimt, tegen de blauwe nevelige bergruggen, denk ik: in de achttiende en negentiende eeuw was zo’n ervaring alleen weggelegd voor een uitzonderlijke bovenlaag, nu heeft zij ook de rugzaktoerist bereikt.

Allemaal zijn we hierheen gelokt door het verlangen om een echtere, ruimere, speelsere kant van onszelf ontketend te voelen worden. Ook degenen die in de weg staan. De bergen rekenen af met het overdreven belang dat wij hebben leren toekennen aan onze unieke persoonlijkheden. Ook dat is sublieme nietigheid.

En daar hoef je niet per se stemmig en gelaten onder te zijn. Het is vast waar, dat we de levensduur van de gletsjers ietsjes zouden verlengen als er geen enkele toerist meer op het bezoekuur zou verschijnen. Maar moeten we ze in eenzaamheid laten heengaan, of mogen we het bestaan in die laatste seconden ook víéren, ook al weten we dat we hun leven hiermee verkorten?

In het meest gunstige scenario – als we de opwarming beperken tot anderhalve graad – smelt de helft van het Alpenijs alsnog.

De kans op zo’n gunstig scenario is in feite nul. We stevenen af op 3 procent of meer. Laten we ophouden met doen alsof die gletsjers nog te redden zijn. En hoe dramatisch is dat, vanuit de berg bezien? Of hij nu wel of geen ijskap heeft, de berg zelf blijft wel. De nadelige gevolgen zijn er vooral voor ónze eigen soort. Zoetwatervoorziening, een stijgende zeespiegel. Maar de grootste klap is, paradoxaal genoeg, voor de toerisme-industrie waar de economie hier grotendeels op draait.

Door de klimaatverandering zijn veel skilocaties al naar hogerop verkast, maar zelfs met kunstsneeuwkanonnen lijkt het niet meer te redden. Wintersport-ondernemers zijn zich gaan richten op het zomervertier: canyoning, paragliden, trailrunning, raften… Als straks de eeuwige sneeuw toch tijdelijk blijft, is het landschap minder aantrekkelijk, raakt het gesteente instabiel, en blijven toeristen weg die nu nog eventjes, voor het laatst, bijdragen aan deze melancholieke economie.

Kosmische angst

Na de stoeltjeslift naar l’Index (2.595 meter) komen we eindelijk bij een lapje sneeuw. Weer die hoogtevrees. Omdat er amper nog begroeiing is tussen de rotsen, verbeeld ik me even dat we geteleporteerd zijn naar een andere planeet. Er zouden zomaar vier of vijf manen achter de zwartgrijze rotsen kunnen opgloeien.

Weer een rilling van kosmische angst. Maar de kinderen beginnen een sneeuwballengevecht: metafysische troost. Als ze hier later met hun eigen kinderen komen, zal er geen sneeuw meer liggen, denk ik bij de afdaling in de stoeltjeslift. Daar bekruipt me ook deze gedachte: ze zijn al bijna volwassen. Hoe vaak zullen we nog als gezin gezamenlijk met vakantie gaan?

Zo projecteer je als afscheidstoerist steeds je particuliere gevoelens in het landschap. De berg heeft geen brein. Het is het onze dat er van alles in wil zien: de mythische ongenaakbaarheid in 1965, het romantische decor in 1995, het afscheid in 2025. Laatste-kans-toerisme is een festival bij het sterfbed van de gletsjer, waarbij we onze eigen nietigheid vieren, alsof die ertoe doet.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next