Ik sliep door mijn veertigste verjaring heen. Er waren tijden dat ik wakker bleef tot na twaalven, zelfs tot het moment dat ik werkelijk ter wereld kwam, aan keukentafels en in kroegen, lekker huilerig van de wijn. Op die avonden liep ik de uren na van mijn begin. De weeën vingen aan om acht uur, tijdens het journaal. Rond twee uur arriveerde ik, in het ouderlijk bed geboren, in het huis waar mijn moeder nu nog steeds woont.
Het verhaal van een bevalling – hoe je ter wereld komt – is een eerste ijkpunt. Ik repeteer de verhalen van mijn kinderen – in bad, je vader ving je op – regelmatig in mijn hoofd, omdat ik weet dat je probeert iets – je karakter, je levensloop – te ontlenen aan je komst. ‘De verloskundige had haar jas nog aan toen ik eruit kwam denderen’, een zin die ik Willem vaak heb horen zeggen over zijn geboorte. Stormachtig, altijd haast, misschien zelfs ietwat ongeduldig. Het klopt bij hem, net zoals de uren durende weeënstorm van mijn moeder bij mij klopt.
Maar ik sliep dus, want ik ben verstandig, en werd pas wakker toen mijn oudste zoon, 9 jaar, vooruitgestuurd, me kwam halen. Ik keek naar hem, die mooie jongen, zo tussen tafellaken en servet. Zachte wangen, maar ook schouders die al iets breder beginnen te worden. Iemand die al een klein beetje van het leven begrijpt, een uur eerder opgestaan met zijn vader om de keuken verjaardagsklaar te maken.
Beneden wiebelden 100 ballonnen tegen het plafond. Op iedere ballon stond 40 JAAR. De fototaart met 40 kaarsjes stond in complete lichterlaaie op tafel. De slagroom was door al dat geweld gesmolten, een borrelende witte brij, en over de foto heen gestroomd. ‘Wel erg in your face, misschien,’ mompelde Willem. Ik blies de kaarsen uit, we schepten de slagroomsoep van de taart, daaronder een serieuze, zeer volwassen foto van mij die Willem graag betitelt als ‘absolute Susan Sontag-klasse’, maar half gesmolten, waardoor ik keek alsof ik in totale gruwelpaniek was.
Dat was ik niet. Ik was oké. Een decennium van drie kinderen krijgen, altijd moe, werk uithouwend, soms stikkend in alle onrechtvaardigheid die jonge vrouwen ten deel valt, strijd met mezelf, strijd met de mensen om me heen, chaos in mijn hoofd en in mijn huis, uitgelaten extase en diep verdriet, mijn vader dood, mijn lijf te groot en steeds maar weer de vraag of het kalmer zou worden, of de dingen zich niet eens een keer automatisch gingen uitwijzen, was voorbij. Al een poosje. Het is me zomaar overkomen, dacht ik, dat ik niet meer zo bang ben voor loerende rampspoed, dat ik soms een beetje achterover kan leunen en vertrouwen op de dingen die komen en gaan. ‘Het is de kunst om rustig aan de rivieroever blijven zitten tot je vijanden voorbij komen drijven’, zei een slimme man ooit tegen me. Ik had het geprobeerd, maar ben er niet geschikt voor, te ongedurig, te kwaad soms. Maar, zo viel me binnen, terwijl ik mijn kinderen hun taart zag verorberen, ik heb geen vijanden meer.
Daarna belde mijn moeder en vertelde me dat de vrouwen in onze familie pas rond hun 54e aan de overgang beginnen, dus dat was ook goed nieuws.
De kinderen moesten naar school. Ze bonden ieder een ballon aan hun fiets en gingen met hun vader joelend de straat uit. Ik deed de deur dicht, keek naar de ravage en voelde me – tegen alle verwachtingen in – opnieuw geboren.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC