Democratie De democratie ligt van alle kanten onder vuur. Vier boeken leggen uit hoe het tij is te keren. En dat heeft vooral met de economie te maken.
In Den Haag staat een giftige cocktail van wantrouwen en cynisme op het fornuis. Nederland liet zich eeuwenlang voorstaan op tot de verbeelding sprekende compromissen, maar daar lijkt nog maar een schim van over. Dus krijgen volksvertegenwoordigers en regering dramatisch lage vertrouwenscijfers van de bevolking. En helaas doet deze democratie-armoede zich ook voor in buurlanden als België, Duitsland of Frankrijk.
Gaat die verbitterde geest ooit nog terug in de fles? Krijgen we straks weer eens een regering die het vertrouwen in politiek en bestuur kan laten groeien? Misschien, is de strekking van vier recente boeken over de staat van de democratie. Dan moeten wel grote dingen gebeuren.
Lisa Herzog: De democratische markt. Hoe meer economische gelijkheid onze politiek kan redden. Vert. Karl van Klaveren en Indra Nathoe. (The Democratic Marketplace) Ten Have, 270 blz. € 24,99
De gedeelde analyse van deze boeken is dat de oplossing op de economie bevochten moet worden. Steek géén energie in het ossuarium van de politieke partijen. Gewone mensen moeten meer serieuze zeggenschap krijgen. Niet via een extra inspraakavond, maar door het dagelijks leven van democratie te doordrenken.
Mark Lievisse Adriaanse: Wat iedereen aangaat. Hoe de democratie wordt afgebroken en hoe we haar vernieuwen. De Bezige Bij, 262 blz. € 22,99
Hoe? De filosofe Lisa Herzog (1983) argumenteert in De democratische markt dat de democratie nu bezwijkt onder druk van de markt. Dat is geen schokkend inzicht. Herzog voorziet als redding van de democratie echter niet een extra rondje inspraak, maar een rechtvaardiger economie. Op de achtergrond klinken denkers als de filosoof John Dewey (1859-1952) en de econoom Karl Polanyi (1886-1964).
Sander Heijne: De meeste stemmen gelden niet. Waarom de politiek ons blijft teleurstellen. Pluim, 240 blz. €14,99
Volgens Herzog stuurde de politiek decennialang op winst en efficiëntie, met twee effecten. Bedrijven wisten op te schalen tot multinationals die bij de minste kritiek dreigden te verhuizen naar een land dat niet moeilijk doet over vernietiging van de leefomgeving of uitbuiting van werknemers. De andere ontwikkeling was dat openbare instellingen – van scholen, universiteiten en kinderopvang tot spoorwegen – gedwongen waren te knielen voor doelmatigheid en kostenbesparing.
Eva Rovers: Waarom we politiek niet alleen aan politici kunnen overlaten. Pleidooi voor een derde kamer. De Correspondent, 218 blz. € 16,-
De aarde raakte uitgeput, een paar mensen werden erg rijk en de rest van de samenleving begon zich rot te rennen, van opleiding naar opleiding, van baan naar baan en van winkel naar winkel. En dankzij vier decennia van dit ‘neoliberalisme’ worden nu de waarden die betekenis geven aan democratie telkens weggelachen: wat kopen aandeelhouders nou voor welzijn, zeggenschap of duurzaamheid?
We zijn daardoor geen burgers maar horigen in een feodaal systeem, aldus Herzog. We zijn afhankelijk van een dwingende economie en bang om door banenverlies kopje-onder te gaan. Niet gek volgens de filosofe dat onmachtige kiezers van de weeromstuit hun oren laten hangen naar populisten die alle serieuze vormen van tegenmacht zoals rechtspraak, journalistiek en wetenschap op de schop nemen.
Het grote misverstand dat Herzog daarom wil wegnemen is dat er zoiets als ‘de economie’ is, een goddelijk mechanisme waar wij stervelingen niks aan kunnen veranderen. Zoals er in de jaren tachtig gekozen is om alle regels voor met name grote ondernemingen aan de kant te gooien, kunnen we nu kiezen voor een rechtvaardige economie. Daarin is dan geen plek meer voor bedrijven die machtiger zijn dan de staat of voor mensen zo rijk dat ze besluitvorming kunnen kopen. En in die rechtvaardige economie is billijkheid de maatstaf: een beetje winst of inkomensverschil is goed, grote verschillen maken sociale en ecologische verhoudingen stuk.
Herzog bepleit democratisering van de werkplek als belangrijke bouwsteen van een ‘democratische markt’. We brengen immers zo’n beetje de meeste tijd van ons leven door op het werk, als we niet slapen of eten zijn we meestal aan het werk. Ook is de kans het grootst dat je bij de koffieautomaat of aan de vergadertafel mensen van ‘buiten je bubbel’ tegenkomt, de diversiteit is er groter dan in de buurt of tijdens het sporten.
Tijd om juist op die plek zeggenschap serieus te nemen. Door werknemers in het bestuur toe te laten, door klanten of zelfs willekeurig gekozen burgers aan te stellen als toezichthouder. Of door ‘zelfsturende teams’, die juist door de snelgroeiende digitale techniek heel makkelijk samen kunnen beslissen waar ooit een manager knopen hakte.
Het is een verademing hoe Herzog democratie vindt op andere plekken dan op de centimeters tussen Binnenhof en Buitenhof, en dat bovendien ook geïnspireerd en grondig doet. Jammer is wellicht dat haar boek oorspronkelijk bedoeld lijkt voor een Amerikaans publiek. Nederland heeft zeker ook te lijden van het uit Amerika overgewaaide winstdenken. Maar de ongelijkheden zijn hier kleiner, ooit hadden we immers ‘het poldermodel’ ofwel de overlegeconomie. Is het democratisch als deze terugkeert, en hoe dan? Het blijft een beetje boven de markt hangen wat voor lessen wij precies te leren hebben.
In het knisperende boek Wat iedereen aangaat hanteert NRC-journalist Mark Lievisse Adriaanse (1994) een redenering die vergelijkbaar is met die van Herzog, met net wat meer vaart en vooral dichter op de Europese politiek geschreven. Ook Lievisse Adriaanse beschrijft, levendig en kundig, hoe de democratie verzwakte doordat de afgelopen decennia veel macht is verschoven naar financiële markten. Niet omdat sprake is van een natuurkracht, wel omdat de politiek van links tot rechts dat wilde.
Lievisse Adriaanse stelt dat politici nu twee oplossingen bieden voor het geslonken vertrouwen in de politiek – en beide falen. Enerzijds is daar het autoritaire populisme van Donald Trump, Victor Orban of Geert Wilders. Deze volksmenners verwierven macht door met ‘eigen volk eerst’ de eensgezindheid over globalisering te doorbreken. Alleen, ze gebruiken die macht om er zelf beter van te worden en waar mogelijk de rechtsstaat af te breken.
Tot zover niks nieuws. Maar Lievisse Adriaanse stelt dat ook het alternatief van mensen als Sigrid Kaag, Emmanuel Macron of Kamala Harris geen haar beter is. Dit alternatief „hamert op het belang van liberaal-democratische instituties als de vrije pers, een onafhankelijke rechtspraak en politieke matiging, maar weigert in te zien dat die instituties op zichzelf onvoldoende zijn om een levendige democratie te garanderen”. Natuurlijk blijven mensen boos wanneer een uiterst welvarende elite claimt het enige alternatief voor Trump te zijn, redeneert Lievisse Adriaanse. „Democratieën belanden zo in een cyclus waarin de macht wordt afgewisseld tussen populisme en technocratie.”
Lievisse Adriaanse werkt vervolgens tamelijk concreet het idee van ‘democratisch populisme’ uit: een economie voor en door burgers. Daarin is allicht geen plek voor multinationals die nu via sociale media ons publieke debat beheersen en ook niet voor onbelast flitskapitaal. En daarin zijn ondernemingen deel van de gemeenschap.
Als voorbeelden noemt Lievisse Adriaanse het kledingmerk Patagonia waar (hallo Henri Bontenbal) ‘rentmeesters’ toezien op de belofte om een sociale en ecologische missie te vervullen. Of (hallo Geert Wilders) de Efteling waar „de grote winsten die het park maakt, altijd naar de medewerkers teruggaan en weer naar het park – en daarmee naar de bezoekers”. Net als bij Herzog klinkt wat impliciete weemoed naar het Rijnlandse of poldermodel.
Ook de boeken van Vrij Nederland-hoofdredacteur Sander Heijne (1982) en schrijver Eva Rovers (1978) vertrekken vanuit de waarneming dat het vooral de economie is die de democratie ontwricht. Het zijn wat persoonlijker boeken, met minder systematische kritiek.
In de analyse van Heijne zijn rechtspraak, vrije pers en parlement speelbal van populisme geworden: podia voor propaganda, desinformatie en aanvallen op minderheden. De democratie is toe aan een update. Verkiezingen scheppen tegenwoordig alleen nog ruimte voor korte termijnbeslissingen, dus zegt Heijne: haal de politicus uit de politiek. Burgers moeten zelf meer moeite doen om na te denken over de toekomst, vaker aanschuiven op plekken als ministeries waar de beslissingen over die lange termijn vallen. We moeten volgens hem kiezers deelgenoot maken van het bestuur en „onze democratie omvormen tot een bestuur waarin burgers veel directer betrokken raken bij beleid”.
Heijne vertelt mooie verhalen over de geschiedenis van democratie. Hij waaiert moeiteloos uit van de menselijke taalverwerving vanaf de prehistorie, via de oorlogservaringen van zijn grootvader, naar de spanning tussen modern individualisme (filosofie) en onuitroeibaar kuddegedrag (sociologie). Het levert een erg leesbaar, geïnspireerd boek op, al zijn de historische uitstapjes soms wat weids.
Ook schrijfster Eva Rovers wijst er in Waarom we politiek niet alleen aan politici kunnen overlaten op hoe wankel de fundamenten van ons democratisch bestel zijn geworden: „‘Het Kwaad’ is ontwaakt in de vorm van geopolitieke lichtontvlambaarheid, royaal gefinancierde antidemocratische bewegingen, polariserende technologie, digitale oorlogvoering en de ontwrichtende vernieling van onze levensaders: de aarde en het klimaat.”
Rovers concentreert zich voor de oplossing vooral op de vorm van democratie. Ze maakte eerder furore met een pleidooi voor ‘burgerberaden’. Dat zijn dwarsdoorsneden van de bevolking waar net als in de democratie van het oude Athene honderd of tweehonderd gewone mensen via loting meebesturen. Toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Alexander Pechtold brak er al in 2005 een lans voor. Rovers’ nieuwste boek bestaat uit optimistische reportages over hoe dat soort burgerparlementen werken, in Oost-België, Aken, Parijs en Marseille waaruit ze een pleidooi destilleert om van deze werkwijze „nationaal het nieuwe democratische normaal” te maken.
Het boek levert erg instructieve voorbeelden op voor wie om hedendaags stadsburgerschap geeft, en doen we dat niet allemaal? De opkomst voor gemeenteraadsverkiezingen is immers dramatisch, alle alternatieven zijn welkom. Alleen, het blijkt dat inwoners graag spreken over onderwerpen dicht bij huis, zoals meer parken in de stad tegen de hittestress of hogere kwaliteit van de gezondheidszorg. Hun invloed op het bestuur is bescheiden, er is eerder sprake van ‘meemacht’ dan van ‘tegenmacht’. Rovers ziet de toegevoegde waarde van het burgerparlement vooral in de „transformatieve ervaring”, het feit dat mensen zo leren dat politiek iets anders is dan polarisatie en consumentisme, dat nieuwsgierigheid en overleg plezierig en productief kunnen zijn.
Kortom, ‘Make Democracy Great Again’ vergt normverandering. Hoe? Laat weer bussen rijden door kleine dorpjes. Dat dit onrendabel is doet er niet toe, wel dat alle inwoners naar familie of het ziekenhuis kunnen. Haal onze foto’s, boekhouding en patiënteninformatie uit de cloudklauwen van Mark Zuckerberg en Elon Musk. Daarna slaan we al onze data als collectief eigendom op en beslissen samen wie erbij kan (namelijk niemand). En laat burgers met de overtollige warmte van die datacentra het publieke zwembad verwarmen.
Het zijn maar voorbeelden, cruciaal is dat democratische waarden centraal komen te staan en we zo onze onderlinge relaties humaniseren in plaats van verzakelijken. Dan ontstaat ruimte voor zeggenschap van mensen over hun eigen instellingen, bedrijven en buurten. Mits iedere werknemer genoeg tijd krijgt om naast werk en zorg daadwerkelijk bij te dragen aan dit soort plannen. Daarna volgt herstel van vertrouwen.
Maar zoals de burgers van het democratische Athene vooral ook wapendragers waren, zo zullen de burgers van nu ook in het geweer moeten komen. Er is veel „democratische moed” nodig, in de woorden van Rovers. Ook Herzog, Lievisse Adriaanse en Heijne schrijven onomwonden over de noodzaak om te véchten voor democratie. Er lijkt sprake van een golf van ‘participatieve’ lyriek, met als kern een optimistisch mensbeeld. De auteurs veronderstellen dat mensen graag veel meer zeggenschap en participatie willen dan de elite ze gunt.
Is dat ook zo? Ondanks alle onheilstijdingen houden Nederlanders erg van democratische waarden. Maar we zijn koele minnaars. Afgaande op cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek of het Sociaal en Cultureel Planbureau willen de inwoners van Nederland het liefst goed beleid dat door anderen geregeld wordt. Bovendien is zo’n beetje iedereen best happy met zijn werk. Het verkiezingsprogramma van de Socialistische Partij overlapt met de voorstellen uit deze boeken, alleen de partij trekt amper kiezers. Daarnaast blijkt keer op keer dat mensen niet alleen op agressieve partijen stemmen uit onmacht of vanwege ongelijkheid, maar ook vanwege onverdraagzaamheid.
Het roept de vraag op of democratie niet net als de markt zomaar een afgod kan worden. Zijn we schuldig wanneer we ons dagelijks leven boven de democratie plaatsen? Als we moeten leren dat er vrijheid schuilt in vergaderen, vervangen we dan niet het winstdictaat met een praatdictaat? Veel praktischer: wie bijvoorbeeld snel meer duurzaamheid wil kan er niet omheen dat ingrepen vanuit Europa (‘top-down’) de industrie een zet in de groene richting moeten geven.
Stel dat het lukt de elite in te peperen dat het eenzijdig bedienen van aandeelhouders kan ontsporen in het soort geweld dat we nu in de Verenigde Staten zien – en we ze daarna juist wat mínder op de vingers kijken? Als het bestuur billijk beleid levert, kan driekwart van de ‘Haagse duiders’ met vroegpensioen, driekwart van de juridische procedures tegen de staat aan de kant en is inspraak vooral nodig waar burgers iets op hun lever hebben. A little less conversation, a little more action, mogelijk dat ook dan het vertrouwen in democratie groeit.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC