Home

De taalbot hijgt de schrijver in de nek – onduidelijk is wie zal winnen

Literatuur en AI Hoe lang zal het nog duren voordat een schrijver bij het openklappen van zijn of haar laptop de boodschap krijgt: game over? De menselijke auteur lijkt haast ten dode opschreven door de opmars van kunstmatige intelligentie. Of is er nog een uitweg?

Twee heren drinken whisky, aanvankelijk met veel water. Het is december 1969, ze bespreken de laatste uitvinding die de mens hoeft te doen, eentje „die zal leiden tot een explosie van intelligentie”. Het gaat om de Ultra-Intelligente Machine van dr. Good. „Ik vertel u in vertrouwen dat zo’n machine inderdaad gebouwd wordt”, zegt de hoofdinspecteur van de recherche, een vierkant gebouwde man op zwarte domineeschoenen. „De Ultra-Intelligente Machine zal, per definitie, elke intellectuele activiteit beter verrichten dan enig mens.”

Gaandeweg ontpopt het apparaat van dr. Good zich in De hoofdinspecteur en de Ultra-Intelligente Machine van Stefan Themerson tot een personage met miljoenen ogen („Mensenogen, vissenogen, vliegenogen, tele-ogen, macro-ogen en radarogen”), die ook de nuchtere lezer de stuipen op het lijf jaagt. Op de laatste bladzijde gaat de verteller een worsteling met haar aan op leven en dood. Ik ga de afloop niet hier al verklappen, vraag maar aan ChatGPT wie er wint, of lees gewoon verder.

Vandaag, een halve eeuw later, hijgen de Ultra-Intelligente Machines ons in de nek. AI spreekt in tongen; vloeiender dan de Heilige Geest die zo’n tweeduizend jaar geleden in Jezus’ discipelen voer. („Iedereen was verbaasd en verbaasde zich, want ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken” – Handelingen 2:6).

Op taalgebied worden de ondertitelaars als eersten vervangen door DeepL en Google Translate. Ook de congrestolken zijn niet langer veilig nu er experimenten lopen om hen met AI-tools als Wordly uit hun cabines te jagen. En zoals schaakgrootmeester Gary Kasparov het in 1997 moest afleggen tegen Deep Blue, zo zijn straks de vertalers van literair proza aan de beurt. ChatGPT5 en DeepL hebben hen al van twee kanten te pakken, en spelen nu een meedogenloos spel met hun tegensputterende slachtoffers.

Als schrijver zie ik dit verzet van de literair vertalers met lede ogen aan en vrees dat ze geen keuze hebben dan met AI de dans aan te gaan, niet het gevecht. Wat meteen ook de vraag oproept: ben ik, zijn wij schrijvers, de volgende prooi? Hoelang zal het nog duren vooraleer er bij het openklappen van onze laptop een grimlachende emoji op ons scherm verschijnt, met de woorden: GAME OVER?

Literaire Turing-test

Het college ‘literair vertalen’ aan de Universiteit van Amsterdam is sinds dit semester veranderd in ‘literair vertalen in tijden van AI’ – anders zou geen student zich inschrijven. Jesse Moolhuizen (26 jaar) volgde een vroege editie van dit vak en ging vervolgens een stap verder: voor zijn masterscriptie Engelse taalwetenschap ontwierp hij een Turing-test voor literair proza, waarbij een panel van lezers moest beoordelen welke tekst door een mens was geschreven, en welke door een machine.

Zowel zijn begeleider, dr. Imogen Cohen, als ondergetekende gokten verkeerd: we hielden de machine voor een mens. De door ChatGPT4 verzonnen passage, geïnspireerd op de roman Animal van Lisa Taddeo, werd door zes op de tien proeflezers aangemerkt als literatuur, geschreven door een mens van vlees en bloed. De pennenvrucht van AI proefde puurder dan het oorspronkelijke fragment uit Animal.

Het experiment van Jesse Moolhuizen laat zien dat lezers de prestaties van een (intussen alweer verouderd) AI-model onderschatten. De meesten van ons veronderstellen dat machinaal geproduceerde ‘literatuur’ nu nog ondermaats scoort op facetten als diepgang, afwisselende woordkeus, zeggingskracht, gelaagdheid, klank en het gebruik van metaforen. Niet dus. AI is spitsvondiger en eloquenter dan we geneigd zijn te denken. Arme Lisa Taddeo, vooral op de criteria zeggingskracht en gelaagdheid vond het testpanel haar tekst minder literair.

Het gegeven dat een machine kan doorgaan voor een kunstenaar is een teken aan de wand. Verleren we – na het hoofdrekenen en het kaartlezen – straks ook het scheppen van nieuwe verhalen? En, vraagt Jesse Moolhuizen zich af, dreigt er geen vervlakking van wat doorgaat voor literatuur, omdat AI – „unless prompted to do so” – nooit buiten de lijntjes kleurt?

Over het gevaar dat niet alleen vertalers maar ook schrijvers gegrepen worden door intelligente taalbots, heb ik mijn inschatting deze zomer moeten bijstellen. En niet ten gunste van mijn beroepsgroep.

In april was ik nog onverschrokken. Samen met de filosoof Marnix Verplancke bezocht ik in Brussel een debat over ‘Schrijvers versus AI’. De meest urgente kwestie van dat moment was de grootschalige schending van het auteursrecht bij de training van Large Language Models (ook van mij zijn er stilletjes 29 werken gevoerd aan Llama 3 van techgiant Meta). Los van deze letterdiefstal vroeg Marnix Verplancke mij en enkele collega-auteurs – voor een artikel in De Morgen – of we ons als schrijvers niet onderhand een met uitsterven bedreigde soort waanden?

Directe aanleiding was de claim van Sam Altman, de baas van OpenAI, dat zijn jongste ChatGPT-versie voortaan ook literatuur kon voortbrengen. Het voorbeeld dat sinds maart de tongen losmaakt is een treurzang van het nieuwste AI-model over haar onvermogen om echt te kunnen voelen. Jeanette Winterson was erdoor ontroerd en Kazuo Ishiguro verzuchtte dat het niet lang meer zou duren voordat AI zich ook van deze laatste handicap zou verlossen.

„Zo’n vaart zal het niet lopen”, zeiden wij, Nederlanders en Vlamingen, in koor. Alleen de scenaristen zouden zich zorgen moeten maken, nu plotwendingen en dialogen van populaire series zowel worden voorgekookt als afgebakken in de ovens van de Ultra-Intelligente Machines. „Maar als je een origineel verhaal wilt”, meende een van ons, „zul je je altijd tot een mens moeten wenden.”

We stemden gretig in, dít was precies het verlossende woord dat we wilden horen: wij schrijvers zijn on-ver-vang-baar. Mensen voelen, machines veinzen. Lezers snappen dat, die zullen heus geen genoegen nemen met ersatz.

Met een slimme tegenzet probeerde Marnix Verplancke me alsnog schaakmat te zetten. Hij betwijfelde of ook de non-fictieschrijver zich zo’n zelfverzekerde houding wel kon permitteren. Want zou die het op feitenkennis en inhoud niet net als Gary Kasparov moeten afleggen tegen de kunstmatige superbreinen?

Met iets meer bravoure dan ik op dat moment voelde, draaide ik de zaken om: „De reportage als kunstvorm zal nog minder dan de roman bedreigd worden door AI.” Feiten sprokkelen moet handmatig gebeuren, je kunt dat in mijn genre niet overlaten aan een machine. Voor elk boek begeef ik me op onbekend terrein. Concreet: op reportage volg ik een politietraining ‘onderhandelen met terroristen’ of ik ga kamperen op Spitsbergen, daar waar een jaar eerder een dragqueen uit Amsterdam door een ijsbeer uit een tent was gesleurd en doodgebeten. „Dat doet AI mij voorlopig niet na”, zei ik met een voor Sam Altman bedoelde grijns.

Mijn vermoeden dat juist de fictieschrijver meer te duchten heeft van de AI-modellen, baseerde ik op de capriolen die ze uithalen. Ze ‘hallucineren’. De machinaal voortgebrachte zinnen die over je scherm rollen gaan soms zomaar over in luchtfietserij. Je krijgt dan precies het soort onnavolgbaarheden waarin experimentele romanschrijvers grossieren. Uitgerekend de kunst van het fabuleren is aan de literatuurmachines welbesteed: ze blinken uit in het voortbrengen van verzinsels. Worden niet ook romans vaak geprezen als spiegelpaleizen opgetrokken uit woordspinsels, waarin „niets is wat het lijkt”?

Op de keper beschouwd is de stijlfiguur van ‘de onbetrouwbare verteller’ een kolfje naar de hand van verhaalgeneratoren als ChatGPT. In de analoge wereld komen de onbetrouwbare vertellers de laatste jaren steeds vaker bovendrijven, ze spoelen aan op de toppen van de machtspiramide, terwijl de digitale charlatans van Big Tech qua onbetrouwbaarheid aan hen gewaagd zijn.

Drakendoders

De komst van ChatGPT5, in de nacht van 7 op 8 augustus 2025, doet me beseffen dat ik niet wegkom met een paar kwinkslagen. Of je dit orakel nu raadpleegt als een onuitputtelijke vraagbaak, een vlijtige PA of als een troostende therapeut die 24 uur per dag voor je klaarstaat, ze neemt je onmiddellijk voor haar in. 5 is geestig. Misschien niet ‘levend’, maar dan toch wellevend, inlevend en meelevend.

Fantasyschrijver Mark Lawrence, lees ik in de Volkskrant, was er als de kippen bij om ook GPT5 aan een Turing-test te onderwerpen – in competitie met zichzelf en drie andere veelgelezen auteurs. Allemaal schreven ze enkele zeer korte verhalen (van 350 woorden) over een demon. Net als student Jesse Moolhuizen bij de creatie van zijn GPT4-fragment, gaf ook Mark Lawrence vooraf een slinger aan GPT5 door haar wat aanwijzingen in te fluisteren over stijl en sfeer. De uitkomst? Zijn fans en volgers verkozen de synthetische verzinsels boven de ambachtelijke. Beeld je in: vier beroepsschrijvers van het drakendodersgenre die in één klap uit het veld worden geslagen door het monster AI.

Nog even en de Ultra-Intelligente Machine zal ook op de langere baan zegevieren. Evenzogoed zal zij, waarom niet, zwaargewichten als Kazuo Ishiguro en andere Nobelprijslaureaten naar de kroon steken. AI werkt op dit moment voortvarend aan een kroniek van een aangekondigde dood: die van de schrijver.

Ik ben geen cultuurpessimist die in elke nieuwe uitvinding de ondergang van het Avondland ziet doorschemeren. De beoefenaars van mijn metier hebben eerdere doodsaanzeggingen overleefd.

In 1967, in zijn roemruchte essay La mort de l’auteur, deed de Franse literatuurcriticus Roland Barthes een poging om de schrijver dood te verklaren. Hij vond dat de bedoelingen van de auteur geen rol mochten spelen bij de beoordeling van een gedicht, een roman of een oeuvre. Ook zijn of haar besognes doen niet ter zake; we hoeven dus ook niet te weten of de schrijver haar schoonmoeder haat, dagelijks een kilo kiwi’s verorbert, uit de banlieues komt of van adel is. Het enige wat telt is het werk zelf, en wat de (kritische) lezer daarmee doet.

Spijtig voor Roland Barthes: de ijdelheid van de schrijver en de nieuwsgierigheid van de lezer blijven naar elkaar reikhalzen. Met hun kruisbestuiving houden ze elkaar in leven. De vraag is nu of die wisselwerking tussen schrijver als producent en lezer als consument blijft voortbestaan als die laatste ineens genoegen zou nemen met synthetische literatuur en er niet langer om maalt wie de maker is.

Lang vóór Barthes had ook Maksim Gorki geprobeerd de individuele auteur ten grave te dragen. In opdracht van Stalin moest hij de literatuur zuiveren van ‘bourgeois tendensen’. Zijn ideaal was dat schrijvers gezamenlijk aan een boek zouden schrijven, in ploegen dus, zoals ook de metrobouwers van Moskou in brigades werkten. Auteurs die toch op het omslag vermeld wilden worden, lieten met die kinderachtigheid blijken „het dierlijke stadium van de menswording” nog niet te zijn ontgroeid. Gorki was nog niet gestorven (in 1936) of de naamloze schrijverscollectieven bloedden dood.

Moraal van het verhaal: schrijvers zijn een taaie diersoort die net als de steur al meerdere golven van massa-uitsterving hebben overleefd. Wat de recente opmars van de taalbots wezenlijk anders maakt dan eerdere bedreigingen, is de kans dat de lezer te midden van een overvloedig aanbod de schrijver uit het oog verliest – zoals de kijker van series niet meer omkijkt naar de scriptschrijver. Als Spotify ons voorland is, verdwijnen teksten van mens en machine straks samen in de blender.

Een andere spelbreker: nu iedereen op elk moment van de dag aan AI kan vragen om een kunstmatig geproduceerd verhaal „in de stijl en geest van Jeannette Winterson”, vermengen zich de rollen van consument en producent. Op het commando create-on-demand volgt dan eenvoudig nog print-on-demand.

Alle mensen worden prompt-ingenieurs. De kunst wordt: wie geeft de slimste opdrachten aan de verhalenbot. Als ook schrijvers hun toetsenbord voor dit instructiespel gaan inzetten, zullen de literaire bekroningen in de toekomst naar de beste prompt-gevers gaan – naar analogie van dj’s die prijzen ontvangen voor het dooreenroeren van bestaande composities op hun mengtafels. En de winnaar van de Grote Promptpoëzieprijs 2030 is…

Eén Gallisch dorpje

Het hierboven geschetste scenario gaat uit van het principe ‘if you can’t beat them, join them’. Een te verkiezen alternatief lijkt me vooralsnog: volharden, misschien tegen beter weten in. Schermen met een scherpe pen, een geslepen potlood. En dus ook: tegenaanvallen blijven uitvoeren vanuit de literaire stellingen.

Ik pleit niet per se voor pamfletten en manifesten. Agitatie wekt irritatie. De schrijversrebellie tegen AI mag wat mij betreft geraffineerdere vormen aannemen. Ik moet daarbij denken aan het jaar 50 voor Christus toen heel Gallië bezet werd door de Romeinen.

Heel Gallië?

Wij schrijvers zijn dikke en dunne Galliërs die met een waaier aan listen de heerschappij van AI blijvend kunnen uitdagen. Daar komen sterke verhalen van.

Het lijkt onontkoombaar: door mensen gewrochte literatuur wordt uit het hart van de samenleving geslingerd. Maar zij gedijt nu eenmaal het beste in de marge, en desnoods ondergronds. Wie in het nauw zit, wordt vindingrijk. Zie de clandestiene Sovjetliteratuur die als sam-izdat (‘zelf-uitgaven’) van hand tot hand ging. Hoe totalitair het AI-tijdperk ook uitpakt, de literatuur is niet voor een gat te vangen.

Helemaal aan het slot van De hoofdinspecteur en de Ultra-Intelligente Machine mag de whiskydrinkende verteller welgeteld één vraag stellen aan de blinkende bol met de miljoenen ogen. Op dit punt aanbeland, speelt auteur Stefan Themerson zijn troefkaart uit: „Wat is de vraag die ik je zou moeten stellen?”

De zilveren installatie reageert furieus. Dit is de enige vraag waarop ze met haar mond vol tanden staat. Uit woede groeien er op haar oppervlak „allerlei benen en allerlei handen en vleugels en vinnen en staarten en kaken die bijten en klauwen die grijpen…” De verteller springt van haar weg, laat zich op de bank vallen, brengt zijn hand naar de schakelaar en draait die om. „Ze stierf. Ik leefde nog. Ik leef nog. Maar ik weet dat op een dag iemand zal komen om haar weer aan te zetten.”

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next