Home

Om de bestuivende insecten te behouden is meer natuur nodig dan de richtlijn voorschrijft

Ecologie Vlinders hebben veel meer natuur nodig om goed te gedijen dan wilde bijen. Hoe dan ook is de Europese norm te krap, concluderen Wageningse onderzoekers.

Een snorzweefvlieg (Episyrphus balteatus) op de bloem van een speerdistel (Cirsium vulgare).

Het is een veelgebezigd adagium: „Het gaat om de kwaliteit, niet om de kwantiteit.” Maar die wijze les gaat niet altijd op, schrijven Wageningse biologen deze week in Science. Voor het behoud van de huidige aantallen bestuivende insecten is een minimumhoeveelheid habitat nodig, concluderen ze op basis van een analyse van internationale onderzoeken. Voor wilde bijen moet de hoeveelheid natuur in een landbouwomgeving minstens 16 procent bedragen, voor vlinders is dat maar liefst 37 procent.

De huidige EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 – 10 procent natuur in agrarische landschappen – blijkt daarmee dus aan de magere kant. „Het is beter dan niets, maar het zet nog niet echt zoden aan de dijk”, aldus co-auteur Thijs Fijen van Wageningen University & Research.

Het huidige natuurbeleid richt zich in landbouwgebied vaak ófwel op het verbeteren van bestaande natuur (bijvoorbeeld door minder vaak te maaien) óf op de aanleg van meer natuurelementen (bijvoorbeeld door houtwallen te plaatsen). Maar in welke mate die strategieën de populatieaantallen van soorten beïnvloeden was onbekend.

Een behangersbij bezoekt een bloem van de plant bernagie (Borago officinalis).

Daar hebben de Wageningse wetenschappers nu verandering in gebracht. Ze berekenden voor vier groepen bestuivers in gebieden met een gematigd klimaat (wilde bijen, zweefvliegen, hommels en vlinders) en één groep in een tropisch klimaat (wilde bijen) wat het minimale percentage aan natuur moest zijn in landbouwgebied om de soorten te behouden. De zweefvliegen bleken met 6 procent het minst kieskeurig, de vlinders met 37 procent het meest. De hommels en bijen schommelden ertussenin.

Voor hun analyse bestudeerden de biologen 59 onderzoeken uit negentien landen, met gegevens over 178.885 insecten. Slechts in drie van de studies komen tropische bijen voor. Fijen: „Vaak lees je in dergelijke ‘wereldwijde’ analyses dat de data uit de tropen niet zijn meegenomen omdat er te weinig artikelen beschikbaar waren. Wij hebben er in dit onderzoek bewust gekozen om die informatie wél mee te laten tellen, omdat we waarde hechten aan inclusiviteit.”

Dat zweefvliegen met zoveel minder natuuroppervlak toe kunnen verklaart hij aan de hand van hun leefwijze. „Het gaat vooral om trekzweefvliegen die soms van kilometers ver weg komen om hun eitjes af te zetten op de landbouwgewassen. Die zitten vaak vol luizen en dat is ideaal voedsel voor de larven.” Zelf zoeken de volwassen zweefvliegen naar nectar in de bloemrijkere natuurgebieden, maar daarvoor kunnen ze met een relatief klein areaal toe.

Hoeveelheid bloemen

Ook kwaliteit blijft belangrijk, schrijven de onderzoekers in hun artikel. Als kwaliteitsindicator kozen de biologen in hun onderzoek voor de hoeveelheid bloemen in een gebied. „Maar waar een verdubbeling in habitat een verdubbeling in populatie oplevert, is dat bij een verdubbeling van de kwaliteit niet zo eenduidig. Zo’n verdubbeling is bovendien vaak ook moeilijker te realiseren: de kwaliteit wordt daarmee onrealistisch hoog.” Of de door hen genoemde kwantiteiten wél realistisch zijn, hangt volgens Fijen af van je zienswijze. „Sommige boeren zullen wellicht zeggen: 18 procent, dat kán niet. Maar voor een ecoloog is 18 procent natuur vrijwel niets. En dit gaat dus echt om de minimale percentages. Wil je echt inzetten op groei van de insectenpopulaties, dan zul je nog hoger moeten gaan zitten.”

De bevindingen betekenen níét dat heel kleine natuurgebieden onbelangrijk zijn, zegt hij. „De percentages die wij noemen zijn drempelwaardes voor gebieden waar de kwaliteit van de natuur laag is. In Nederland hebben we ook veel kleine Natura 2000-gebieden die juist belangrijk zijn vanwege hun zeldzame, hoogwaardige natuur. Die natuurparels, die kleine postzegels natuur, kunnen we niet missen. En los daarvan zijn kleine stukjes natuur vaak ook nuttig als ‘stapstenen’ tussen natuurgebieden.” De ‘snippernatuur’ waar het huidige demissionaire kabinet zo graag van af wilde heeft dus zeker z’n waarde.

„In dit onderzoek hebben we louter gekeken naar aantallen bestuivers, niet zozeer naar de diversiteit aan soorten”, zegt Fijen. „Dat komt hopelijk nog in een vervolgonderzoek. Daarbij zou het best kunnen dat voor diversiteit de kwaliteit juist essentieel is. Sowieso is het goed om veel verschillende soorten natuur te hebben: diversiteit zorgt voor meer diversiteit.”

Een roodgatje (Andrena haemorrhoa) bij een wilg.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next