Home

Midas Dekkers: ‘Dat mensen denken: laat die Dekkers maar lullen – ja, dat zou ik ook doen’

Bioloog Hij denkt niet dat er naar hem geluisterd wordt – „absoluut integendeel”, toch schreef Midas Dekkers met Het menselijk tekort zijn 52ste boek. „Dat is weer mijn menselijk tekort.”

Midas Dekkers: „Ik hoef het einde der tijden niet te voorspellen, dat komt vanzelf wel.”

Woensdagmiddag. De scholen zijn uit en een stroom bakfietsen passeert het oude gemeentehuis van Weesperkarspel waarin bioloog en schrijver Midas Dekkers woont. Zijn huis ligt precies op de route tussen de gigantische nieuwbouwwijk Weespersluis en de plaatselijke hockeyclub. Vrij zicht op wat hij al decennialang een van de grootste problemen van deze tijd noemt: overbevolking. „Je hóórt ze fokken in die nieuwe huizen.” Ook in Het menselijk tekort, zijn 52ste boek verschijnt 3 oktober, wordt het nadrukkelijk benoemd.

Binnen ruikt er zoals het eruitziet: een groot, oud museum waarin Dekkers (79) samenwoont met zijn vriendin Ruth Thiadens. Wanden vol boeken in alle kamers, opgezette dieren, dierenembryo’s op sterk water, mensenschedels. In zijn werkkamer, de voormalige raadszaal, staat het pronkstuk: een grote, volle vitrinekast. „Het ware nut hiervan is dat ik meteen in de goede stemming raak als ik hier ’s middags binnenkom” – Dekkers slaapt meestal tot die tijd – „en die opgezette beesten en die boeken zie. Dan is de helft van het werk al gedaan.”

Heeft u een favoriet?

„O, nou, ik vind dit kalfje wel… Wil je het vasthouden?” Hij opent de kast en pakt het eruit. „Een steenvrucht. Het komt voor dat het embryo in de baarmoeder afsterft. Daar blijft het zitten, waar het helemaal versteent. Ze vinden het pas als de koe bij het slachthuis komt.”

Zelfs de hoefjes zijn helemaal gaaf.

„Ja, ze zijn echt prachtig. Het leuke is dat deze beesten, net als karkassen, na hun dood eigenlijk nog mooier worden dan ze waren toen ze nog leefden. Zo begrijp je dat het met de dood niet afgelopen is, nee, dan moet de finishing touch nog komen. Kijk, deze kat.” Hij staat intussen aan de andere kant van de vitrine. „Zie je dat hij door het mummificeren nog kattiger is geworden dan hij al was? Al die pezen zijn samengetrokken, waardoor hij een klauwende expressie krijgt. En deze” – een plankje lager nu – „deze zijn ook leuk. Een tijgertje en een leeuwenwelpje, ik kreeg ze van een man die twee van die ouderwetse wasmanden vol had. Met alleen een bordje erbij waarop stond: ‘Arnhem dierentuin 1942’. Het wordt aan je fantasie overgelaten wat er in Arnhem in 1942 is gebeurd. Voor je het weet heb je er weer een boek over geschreven.”

Hoe komt u aan al deze objecten?

„Je krijgt eens wat, je vindt eens wat.”

U vindt soms een mensenschedel?

„Jaaa, je krijgt niet altijd hard of het allemaal wel mag. Maar deze” – hij wijst een van de schedels aan – „heb ik gekregen van een huisarts die ermee ophield. Vroeger hadden huisartsen een schedel op hun bureau staan om te laten zien dat ze een goede huisarts waren. Later begonnen ze zich af te vragen of dat nou wel zo’n goed idee was, haha. Maar wat kan ik voor je doen qua drinken? Water, jenever, wijn? Ik zit zelf nog aan de thee. Hij is niet meer zo vers, maar het kan nog net, denk ik.” Hij gaat een tweede kopje halen en schenkt in uit een thermoskan.

Het lijkt alsof u met uw nieuwste boek alles nog één keer gezegd wilt hebben.

„Stel je voor dat je iets heel goeds geschreven hebt, iets heel slims bedacht. Is er een verbod om het daarna nog een keer te zeggen? Het leuke is wel: naarmate je ouder wordt, verandert je perspectief voortdurend. En steeds verkeer je in de waan dat je het nu beter hebt gezien, en dat je dat ook maar eens wereldkundig moet gaan maken. Maar wat je denkt dat een verbetering van inzicht is, is gewoon een kwestie van ouder worden.”

Staan er in dit boek ook nieuwe inzichten?

„In ieder geval voor de lezer. En ook wel voor mijzelf.”

Wat dan?

„Vroeger geloofden mensen in God. Ze dachten dat God het allemaal zo verzonnen had en dat vonden ze niet eens zo erg, want iedereen was ervan overtuigd dat God beslist geen prutswerk zou afleveren. Daarna dachten we dat we bevrijd waren van de dwang van een opperwezen en dat we eindelijk onze eigen gang konden gaan. Maar ook toen we zelf ons lot in onze handen hadden, bleef het een tranendal op aarde. En wat bleek nou? De ware God die ons bestuurt, die zit in onszelf: DNA. We hebben de dwingeland God ingeruild voor de dwingeland DNA. Geen beginnen aan! We zouden, nu we voor de tweede keer met zo’n dwingeland zijn geconfronteerd, eens kunnen nadenken of er aan dat onvermijdelijke misschien ook wel hele leuke kantjes kunnen zitten.”

Wat bedoelt u met het onvermijdelijke?

„Ik kan geen honderd meter lopen in een seconde, ik kan niet met iemand samenleven zonder bij tijd en wijle ruzie te krijgen, ik kan niet ophouden met niet te begrijpen waarom al die mensen kindjes willen krijgen terwijl de wereld al vol is. En laten we Gaza maar helemaal buiten deze discussie houden. Het komt erop neer dat we voortdurend dingen doen die we helemaal niet willen. En dat we voortdurend dingen willen die we helemaal niet doen. We wíllen de wereld niet kapotmaken, we wíllen wel elke dag vrolijk zingend opstaan en vrolijk zingend weer naar bed gaan, maar we dóén het niet. En waarom doen we niet wat we willen? Is dat nou per se omdat we het niet kunnen?”

Wat denkt u?

„Wij doen nou eenmaal wat des mensen is. De meeste ouders denken: wij zijn een hele goeie papa en een hele goeie mama, dus dat kindje van ons wordt een heel goed kindje. En je voedt het ontzettend goed op en het gaat naar de beste scholen en je brengt het in je bakfiets heen en weer. Maar als je een beetje pech hebt, komt er een ongelooflijke etter uit. Wat jouw kind later in zijn leven zal doen, daar heb je als ouder heel weinig over te zeggen.”

Opvoeding speelt toch wel een rol? U schrijft zelf dat het van de opvoeding afhangt in hoeverre je tegen je eigen genen bent opgewassen.

„Als je partner ervandoor gaat met een ander, nou, ik weet niet hoe het met jou is, maar ik word dan stinkend jaloers. En dat wil ik helemaal niet, want ik weet dat jaloezie een heel negatieve emotie is waar narigheid van komt. Maar het borrelt in je op, het is met niets tegen te houden. Nee, ik geloof niet dat opvoeding de belangrijkste factor is in wie wij zijn. Ons karakter, ons menszijn, onze individualiteit wordt niet door onze talenten bepaald, maar door onze tekorten. En dat zijn dingen die diep in je liggen: ben je jaloers, kun je tegen je verlies, heb je aanleg voor verslaving? Als bioloogje leer je over ‘de beperkende factor’. Als jij een plantje wilt laten groeien, geef je dat plantje een vruchtbare bodem vol lekkere stofjes, zoals natrium en kalium. Maar als er ook maar één stofje ontbreekt, wordt het een heel ongelukkig plantje. Hetzelfde recept geldt voor de mens: ook al heb ik een prettig klimaat, genoeg te eten en een dak boven mijn hoofd, als er één ding ontbreekt, is die ene min véél bepalender dan al die plussen.”

Welke van al onze tekorten is u het dierbaarst?

„Ik denk dat het verlangen het meest wezenlijke tekort is. Wij worden voortgedreven door verlangen: als we nou maar genoeg van dit doen, of genoeg van dat laten, of genoeg geld hebben, of een mooie partner vinden. Mensen denken: o, had ik alles maar. Nee! Dat is het meest verschrikkelijke wat je kan overkomen! Want dan heb je niks meer te wensen. Wij zouden zonder tekort niet kunnen leven, want dan zouden wij geen verlangen meer hebben. En dan zouden we niks meer doen.”

Maar in uw boek pleit u ook voor mínder willen en doen, omdat de wereld daar enorm van zou opknappen. Verlangen is ook destructief.

„Je hebt het volste gelijk van de wereld. Maar dat is nou het wrange. Je kunt hoog springen, je kunt laag springen, maar de wereld wordt nooit beter. Gelukkig heb je wél lekker gesprongen.”

In de pakweg drie miljard jaar dat het leven bestaat, schrijft hij, heeft geen enkele soort de hegemonie opgeëist. „De kabeljauw niet met al zijn eieren, noch de dinosauriërs met al hun macht. Nooit had een soort de hoogmoed om te denken dat hij het zonder de andere soorten kon stellen. Tot de mens kwam.” Op roofdieren hoeft de mens niet meer te rekenen om zijn bevolkingsexplosie te bedwingen – die zijn alleen nog een attractie in dierentuinen en reservaten. Het échte gevaar, voorspelt hij, komt van bacteriën en virussen. Zoveel mensen die zo dicht op elkaar leven, en die voortdurend de hele wereld overgaan. „Die virussen lachen zich dood! Wij zijn het transportsysteem voor wereldwijde epidemieën.”

Dat is uw voorspelling voor het einde van de mensheid?

„De Covid-19-pandemie was een heel duidelijke waarschuwing. Ik heb gelukkig een leeftijd bereikt waarop ik denk: ik mag in mijn handjes knijpen dat ik zo ver gekomen ben. De rest van mijn leven besteed ik eraan om te kijken of er iets uitkomt van alle ellende die ik de mensen voorspeld heb.” Hij lacht opgewekt. „Ik hoef het einde der tijden niet te voorspellen, dat komt vanzelf wel.”

Misschien is het vanwege uw leeftijd makkelijker om daar zo laconiek over te zijn.

„Zeker! Vooral als je geen kindjes hebt gemaakt.”

Na u de zondvloed?

„Ik heb bijna tachtig jaar besteed aan waarschuwen. En nú heb ik inderdaad iets van: nou, ik kan er niks meer aan veranderen.”

Heeft u het idee dat er naar u geluisterd is?

„Nee, absoluut integendeel.”

Schreef u al die boeken in de wetenschap dat ze geen enkel effect zouden sorteren?

„Ik ben, terecht, een scepticus. Desondanks heb ik mijn best gedaan de mensen te overtuigen van mijn wereldkijk. Dat is weer dat menselijk tekort: juist doordat ik weet dat ik dat informatietekort nooit zal kunnen oplossen, heb ik extra mijn best gedaan die boeken zo goed mogelijk in elkaar te zetten en mijn argumenten op te tuigen met weetjes, grapjes en filosofische gedachten. En dat mensen dan toch denken: laat die Dekkers maar lullen – ja, dat zou ik ook doen. Maar ik heb plezier gehad aan het schrijven en mijn schoorsteen rookt er aardig van. Wil je nog een kopje thee? Of iets anders misschien?”

Tijdens het schrijven van dit boek dacht hij voor het eerst dat het misschien zijn laatste zou worden. „Ik vind het vreselijk leuk om een idee te krijgen en om boeken te lezen van mensen die iets over datzelfde idee hebben bedacht, en te kijken wat ik daaraan toe te voegen heb. Maar op de momenten waarop ik dat idee vervolgens via een veel te dun trechtertje vanuit mijn hoofd op papier moet krijgen, denk ik: dit doet zeer, misschien moet ik er mee ophouden.”

In 1997 schreef u in uw boek ‘De vergankelijkheid’ dat het u spannend lijkt om een oud mannetje te zijn. Vanuit de gedachte dat je steeds meer jezelf wordt naarmate je ouder wordt. Hoe voelt dat nu het zover is?

„Ah, dat was een goed boek. Die gozer heeft gelijk. Ik voel mij steeds meer mijzelf. En ik hoop dat als ik doodga, ik zelfs daar vrede mee heb. Wat ik wou zien heb ik wel zo’n beetje gezien. Ik heb niet te veel kwaad gedaan en ik laat geen schulden achter. Het enige wat er nog ontbreekt is dat… Je moet je op een gegeven moment een beetje moe gaan voelen. Zo van: wat zou ik nog naar buiten gaan, ik zit wel goed hier op mijn stoeltje. Als je dát stadium bereikt, is dat fantastisch.” Hij knikt. „Maar die vermoeidheid moet nog komen.”

U vindt troost in wat dichter Neeltje Maria Min in een interview zei: „Als het zover is en de dood zich aankondigt, dan hoop ik dat ik denk: hé, daar had ik nou net zin in.”

„Een goddelijk mooie zin. Alsof sterven iets is wat je moet dóén. Ik ervaar doodgaan als iets wat je overkomt. Maar bij Neeltje is het meer van: hop, hop, hop, een beetje stappen, rugzakje op de rug, wat gaan we doen vandaag? Er klinkt vrolijkheid, waar ik gelatenheid voel.”

U schrijft dat u wel duizend jaar zou willen worden.

„Als ik een café binnenkom en ik weet dat het over een half uur sluit, dan heb ik een half uur plezier. Maar ik heb liever dat het café pas over vier uur sluit. Het is een grappige streek van de Schepper dat niemand het uur zijns doods kent. Ik ben heel benieuwd of ik hier net zo rustig zou zitten als ik zou weten dat ik over twee dagen, drie uur en vijf minuten doodga.”

Wat denkt u?

„Ik denk dat jíj onrustiger zou zitten, want zo aardig ben je wel.” Hij lacht hard. „Zal ik iets anders te drinken halen? Wijn, bier, jenever? Ik neem een borreltje.”

Hij denkt zijn hele leven al na over zijn levenseinde, zegt hij als hij terugkomt. „Er is geen uur voorbijgegaan waarin ik niet aan de dood gedacht heb. Ik vind het een fascinerend verschijnsel. En een rotstreek, natuurlijk.”

Wat heeft al dat nadenken over de dood u opgeleverd?

„Naarmate ik de onvermijdelijkheid van het einde duidelijker zie, slaag ik er steeds beter in om mij daarbij neer te leggen. Als het nou niet met al te veel pijn gepaard gaat, dan moet het maar.”

Bent u er al eens dichtbij geweest?

„Ik heb twee keer het idee gehad dat het nu toch wel gebeuren zou.”

Wat gebeurde er?

„Dat doet toch niet ter zake?”

U zei net dat u elk uur van uw leven over de dood hebt nagedacht. Ik vraag me af hoe het is als het dan daadwerkelijk zover lijkt te zijn.

„Ik wil wel over een eerdere ervaring vertellen. Jaren geleden was ik met een filmploeg in Namibië. Daar groeit niks, op één plant na, de Welwitschia mirabilis. Dus daar gingen we heen, in een Volkswagen-busje. Ik heb nog nooit zó’n treurige plant gezien, dus dat hadden we vlot gefilmd. Maar toen bleek dat de chauffeur vergeten was om te tanken. Mobieltjes waren er nog niet. De meesten bleven wachten in het busje, maar ik ben samen met de chauffeur gaan lopen. Het stomste wat je doen kunt in een woestijn. We hadden geen eten bij ons, geen water. We kregen binnen de kortste keren allerlei hallucinaties. Ik zag olifanten met lampjes aan hun slurf, ik zag een muur voor me opdoemen, ik werd binnen één etmaal helemaal gek. En ik dacht ook: ik ga dood. Buitengewoon leerzaam.”

Hoe ging u om met de gedachte dat u zou gaan sterven?

„Gelaten. Geen paniek. Er is weleens onderzoek gedaan naar mensen die bijna zijn opgegeten door een krokodil, maar op het laatste nippertje gered zijn. Niets dan gelatenheid!”

En voelde u die gelatenheid ook bij die twee keer waarover u niets wilt zeggen?

„Oh nee, dat was afschuwelijk. Paniek en wanhoop. Dat kwam, denk ik, doordat ik nog een uitweg zag. In de woestijn zag ik die niet meer. Het is dus eigenlijk heel vervelend om nog een uitweg te zien.”

Wanneer speelde dit?

„Oh, ik denk zo rond mijn zestigste. Of zeventigste.”

Ik vind het moeilijk voorstelbaar dat iemand vergeet wanneer hij bijna is gestorven.

„Ik heb één fantastisch tekort: een slecht geheugen. Stel je voor dat je je alles zou herinneren. Ik lees tegenwoordig vaak in de krant dat mensen die iets ergs is overkomen, daar de rest van hun leven een trauma aan overhouden. Ze gaan van de ene psychiater naar de andere. Als ik vroeger een probleem had, zei mijn moeder altijd: ‘Jongen, neem een borrel.’ Dat kan een wonderbaarlijk geneesmiddel zijn.”

Dat is het nog steeds voor u, of niet?

„Het hoort bij mijn leven. Ik vind het leven niet altijd prettig. Zonder verdoving zie ik niet hoe ik het zonder kleerscheuren moet doorkomen.”

Wat vindt u lekker aan jenever?

„Niks! Het smaakt naar niks! Het is alleen alcohol en water. Het gaat mij om de uitwerking. Nee zeg, stel je voor dat het ook nog lekker zou zijn. Dan had ik nóg een reden om te drinken.”

Schrijft u uw boeken met een borrel erbij?

„Vroeger dacht ik dat alcohol hielp bij het schrijven. Maar de laatste twintig jaar drink ik geen druppel meer tijdens het schrijven. Pas daarna denk ik: en nu is het borreltijd.”

Dus u bent minder gaan drinken?

„Ja, ik ben niet gek. Als je heel veel drinkt, ga je dood.”

Uw vader was alcoholist en is daaraan gestorven. Beschouwt u uw voorkeur voor dit genotsmiddel als iets genetisch?

„De neiging tot alcoholische genietingen heeft een grote erfelijke factor.”

Hij is de laatst levende van zijn familie. Geen van zijn vijf broers en zussen heeft kinderen gekregen. „Gewoon nooit aan gedacht. Geen behoefte.” In psychologiseren over een mogelijk verband tussen hun „rommelige jeugd”, ze groeiden op in het café van hun alcoholverslaafde vader en daarna in het café van hun alcoholverslaafde stiefvader, en de kinderloosheid van het voltallige nageslacht heeft hij geen zin.

Hoe is het om als laatste over te blijven?

„Het scheelt een hoop familieverjaardagen waar ik niet naartoe hoef.”

Misschien een impertinente vraag, maar…

„Ah, eindelijk! Het bier werkt!”

Naar wie gaat dan straks uw nalatenschap?

„Dat heb ik twee jaar geleden gelukkig eindelijk geregeld. Alles gaat naar de dierenbescherming. Wakker Dier, bijvoorbeeld, en de Faunabescherming, maar ook vogel- en egelopvanginstellingen. Je kunt, ík kan, allerlei valse gedachten hebben bij mensen die hun liefde makkelijker aan dieren geven dan aan medemensen. Maar ik ben zo blij dat er mensen zijn die dat doen. Het helpt niks, de natuur wordt er niet beter van en in sommige gevallen wordt zelfs het beestje er niet beter van, maar het is liefde. Echte, pure liefde.”

WIE ISMIDAS DEKKERS?

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Source: NRC

Previous

Next