Home

De palmboom stilt een verlangen naar wat je niet hebt

In het Drentse Erica, een langgerekt kanaaldorp met aardappelvelden tot aan de horizon, vind je even voorbij de Pannekoekendijk een kas vol verlangen. Naar vrijheid. Vakantie. Pina colada op een Bounty-eiland met azuurblauwe zee.

De kas, anderhalve hectare groot, staat vol palmbomen. Dwergpalmen. Waaierpalmen. De Chileense vederpalm, die, als je (heel heel veel) geduld hebt, tot 25 meter hoogte reikt. En terwijl bezoekers dezer dagen van heinde en verre aanwaaien om zo’n palm met dikke korting op een oplegger te laden, zijgt Herbert Riphagen vooraan in zijn kantoortje tussen alle belletjes en papierwerk neer in zijn stoel. „Het is wat hectisch.”

Verlangen naar wat je niet hebt. Dat is, denkt Riphagen (56), wat de Nederlander in de palmboom zo aantrekt. Zet er eentje voor het raam en je vertoeft aan de Stille Oceaan. En dat kán, hè, benadrukt hij. Ook door klimaatverandering. Want heel wat soorten zijn tot min 16 graden winterhard. Die komen uit het hooggebergte. En goed, geen kokosnoten, maar desnoods haal je de stamharen eraf en dan heb je wel die kokosnoten-feel.

Midden jaren negentig begon Riphagen zijn exotische plantenkwekerij, Gardenpalms Europe, en toen waren het óf hele rijke mensen die er eentje kochten, zo’n kolossale, als statussymbool in de voortuin, of excentrieke, getrouwde mannen met een opvallende kleur auto. De palm was iets nieuws, „iets avontuurlijks”.

Later werd-ie gemeengoed. Je trof ’m in zwembaden, hotellobby’s, op cruiseschepen, en ook bij de Nederlander thuis. Vooral in steden: het ultieme vakantiegevoel in de betegelde postzegeltuin. En toen rond 2017 de economie boomde kon je er niet meer omheen. Palmboombehang, -kussens, -T-shirts. „Alsof we leefden in het paradijs.”

Verlangen naar zijn jeugd in Indonesië, dat is wat Riphagen, zoon van ontwikkelingswerkers, in de palm zo aantrekt. Blootvoets langs de rijstvelden in Sulawesi. Getrouwd en genesteld in Nederland na de geboorte van zijn dochter begon hij als een van de eersten in Nederland met palmzaden kiemen. Op zolder, in bakjes van de afhaalchinees.

En twee keer per jaar trekt hij met locals – en zijn dochter – de jungle in, met hangmat en tijgerbalsem tegen ongedierte, op zoek naar planten die nog niemand kent. Metershoge palmbladeren in de felste kleuren. Hij plukt er de zaden van, laat ze kiemen en na een test in z’n tuin in Dedemsvaart weet hij welke overleven in het Nederlands klimaat.

Daar, in zijn eigen voortuin, staat een bananenboom van tien meter. Vinden kinderen geweldig. Net als plantenliefhebbers. Buitenlanders. En ook steeds meer jongvolwassenen waarderen uitheemse soorten. Ze verzorgen ze zelf, soms in glazen pot.

Maar Jan Modaal heeft er nog altijd wat moeite mee. En ook de overheid wil liever inheems. Want waarom niet de openbare ruimte inclusief rotondes vol planten met palmboom? „Blijft tenminste groen in de winter.”

Niet dat dát de reden is voor zijn faillissement. Toegenomen concurrentie. Big tech. Afgenomen interesse post-corona in tuinieren. Maar Riphagen heeft nog wat bv’s over. En misschien plant hij nog eens stiekem een banaan langs de vangrails van de A37. „Is-ie zo vier meter hoog.”

Freek Schravesande doet elke donderdag ergens vanuit Nederland verslag.

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next