Als Europa een grootmacht in de wetenschap wil zijn, moet het één koers uitzetten. De Brusselse bureaucratie zorgt voor financiële continuïteit, betoogt Robbert Dijkgraaf.
Kan Europa’s nadeel een Cruijfiaans voordeel zijn? Er is geen gebrek aan diagnoses over wat er allemaal mis is met de Oude Wereld. Al een jaar lang ligt een stapel rapporten stof te vergaren op Europese regeringstafels, met bovenop de vlijmscherpe en meedogenloze analyse van Mario Draghi.
Al dat denkwerk kan in één regel worden samengevat: in Europa is het geheel minder dan de som der delen. Nationaal beleid is onnodig gefragmenteerd en staat soms zelfs haaks op elkaar. Verdeeld en versnipperd wordt Europa weggespeeld op het geopolitieke schaakbord.
Schaal is de sleutel tot succes. In de huidige kenniseconomie concentreert productiviteitsgroei zich in producten en diensten die moeiteloos de grens overschrijden. Een miljoen streamingabonnees toevoegen is zoveel gemakkelijker dan een miljoen extra auto’s verkopen. Bits en kennis bewegen ongehinderd over de wereld. Ondertussen struikelen Europese bedrijven over interne barrières die snelle opschaling belemmeren en toegang tot investeringskapitaal beperken. Dit schaalvoordeel geldt evenzeer voor maatschappelijke problemen. Virussen, nitraten en migranten laten zich net zomin stoppen aan de grens.
Diepgaande wetenschappelijke uitdagingen, van klimaatdynamiek tot de samenstelling van het heelal, vragen eveneens om een gezamenlijke aanpak. Schaal maakt onderzoekscentra van wereldklasse mogelijk die buiten het financiële bereik en de organisatiekracht van een enkel land liggen. Kijk naar het succes van CERN in Genève als het wereldcentrum van de deeltjesfysica en hopelijk straks onze eigen Einstein-telescoop in Limburg voor zwaartekrachtsgolven. Voor mij was een hoogtepunt de eerste foto van een zwart gat waarvoor sterrenkundigen onze hele planeet wisten om te bouwen tot één virtuele radioschotel.
Maar anders dan in de Verenigde Staten, waar bijna al het publieke onderzoeksgeld vanuit Washington wordt bestierd, bepaalt Brussel nog geen 10 procent van het Europese wetenschapsbudget. De rest wordt in de hoofdsteden van de lidstaten uitgegeven. Dat nationale beleid is een verzameling wiebelende kompasnaaldjes die alle kanten op wijzen. Als Europa een grootmacht in de wetenschap wil zijn, moet het één koers uitzetten. Dan moeten de Brusselse instrumenten als krachtige magneten al die kompassen op één lijn brengen. Europa moet een echte onderzoeks- en innovatie-unie worden.
Een stap voorwaarts zou het opzetten van gemeenschappelijke Europese onderzoeksplannen kunnen zijn, georganiseerd rond belangrijke strategische thema’s die continentale schaal vereisen – of het nu gaat om wetenschappelijke doorbraken, maatschappelijke transformaties of economisch concurrentievermogen. Slimme specialisatie kan de huidige verspillende duplicatie elimineren en kritieke lacunes dichten. Zo kan ieder land en elke instelling zich richten op zijn sterkste punten, terwijl distributieve netwerken ervoor zorgen dat geen enkele regio achterblijft.
Voor de wetenschap kunnen Europa’s vaak bekritiseerde kwalen van complexiteit en traagheid een feature worden in plaats van een bug. Want omgekeerd bezien geven ze juist bestendigheid en voorspelbaarheid – essentiële voorwaarden voor wetenschappelijke excellentie.
De vermaledijde Brusselse bureaucratie creëert stabiliteit door nationale politieke schommelingen uit te middelen. Waar een land naar rechts afbuigt, gaat een ander naar links. „Wortel N”, grap ik dan als fysicus (waar natuurlijk niemand om kan lachen) want statistische demping gaat met de wortel van het aantal deelnemers. Zo fluctueert het gemiddelde van 25 landen 5 keer minder dan een enkel land.
Europa’s langere financiële planningshorizon biedt broodnodige continuïteit. We zitten nu midden in de onderhandelingen voor de Brusselse begroting voor de komende zeven jaar. Vanuit Den Haag gezien is dat een oneindigheid – voor je het weet ben je weer vier kabinetten verder. Opvallend genoeg zie ik hierover maar weinig discussie in Nederland, terwijl een verhoogde inzet voor onderzoek en innovatie cruciaal is.
De Brusselse voorspelbaarheid is hard nodig, want de gemiddelde levensduur van een Europese minister is slechts 22 maanden. En dat was nog vóór de recente politieke drama’s in Den Haag en Parijs. Voor een politicus komt de spreekwoordelijke houdbaarheid van een krop sla snel in beeld.
Samenwerking blijft Europa’s superkracht. De moderne wetenschap ontstond in de zestiende en zeventiende eeuw in die typische Europese mix van samenwerking en concurrentie met een verfrissende openheid voor andere perspectieven en culturen, met name voor de islamitische wetenschap. In de Republiek der Letteren reisden geleerden van stad naar stad. Als het aan het ene hof te heet onder de voeten werd, dan stond vaak een andere vorst met open armen klaar.
Die ingewikkelde architectuur van Europa – veelstemmig, open en uitdijend – maakt flexibele partnerschappen mogelijk. De 27 lidstaten vormen de harde kern omringd door cirkels van min of meer gelijkgestemde naties. In de tweede ring zijn nu al twintig landen formeel geassocieerd met het Europese kaderprogramma voor onderzoek, waaronder het Verenigde Koninkrijk, Canada, Nieuw-Zeeland, Zuid-Korea en hopelijk binnenkort ook Japan. Daarmee overstijgt Europa zijn geografie. Genoeg innovatieve landen zoeken betrouwbare allianties in een wereld van supermachtenrivaliteit. Wie wil zich deze dagen aansluiten bij de Verenigde Staten of China met het risico als vazalstaat te eindigen?
Naast deze structurele voordelen beschikt Europa over een nog krachtiger wapen: zijn waarden. Er is een bekend gezegde dat politiek stroomafwaarts ligt van cultuur. Brede culturele ontwikkelingen bepalen vaak politieke uitkomsten en niet omgekeerd. Europa heeft een unieke kans om te staan voor de universele waarden waar de wetenschap bij gedijt maar waar sterke leiders kriebelig van worden: inclusiviteit, transparantie, integriteit en de academische vrijheid om alles te kunnen onderzoeken, ook juist politiek gevoelige onderwerpen als klimaat, vaccins en gender. Deze ‘zachte’ culturele krachten zouden net zo beslissend kunnen zijn als budgetten en programma’s.
Ingeklemd tussen de grootmachten Amerika en China, die de autoritaire duimschroeven aandraaien, ligt er een unieke kans voor het oude continent. Soft power kan weleens Europa’s keiharde concurrentiekracht blijken.
Natuurkundige Robbert Dijkgraaf is universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
Source: NRC