Home

Crisis in de jeugdzorg duurt voort, zien inspecties: ‘Nog steeds onvoldoende zicht op de veiligheid en ontwikkeling van kinderen’

Rapport Opnieuw waarschuwen twee inspecties voor de staat van de Nederlandse jeugdbescherming en jeugdzorg. Er kunnen zich weer gevallen voordoen waarvan iedereen denkt: dit had niet mogen gebeuren. „Dat die boodschap niet nieuw is, maakt het des te schrijnender.”

Inspecties sluiten niet uit „dat zich opnieuw gevallen voordoen waarvan iedereen denkt: dit had niet mogen gebeuren”, zoals vorig jaar met het tienjarig meisje uit Vlaardingen dat zwaar mishandeld werd door haar pleegouders.

De jeugdbescherming en de pleegzorg zijn in Nederland ondermaats. „Te veel jeugdigen krijgen niet, te laat, of onvoldoende bescherming, begeleiding en hulp. Dit blijft onacceptabel en moet beter”, schrijven twee inspecties na grondig onderzoek in een donderdag gepubliceerd rapport. Er is „onvoldoende zicht op de ontwikkeling en veiligheid van jeugdigen” en dat leidt tot „serieuze risico’s”. Inspecties achten de kans „heel klein” dat zich situaties voordoen zoals vorig jaar met het tienjarig meisje uit Vlaardingen, dat bij een pleeggezin zwaar was mishandeld. Maar ze sluiten niet uit „dat zich opnieuw gevallen voordoen waarvan iedereen denkt: dit had niet mogen gebeuren”, aldus hoofdinspecteur Angela van der Putten van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.

In Nederland hebben bijna een half miljoen jongeren een vorm van jeugdzorg. Van deze jongeren wonen er ruim veertigduizend niet thuis. Bijna de helft van hen woont in een pleeggezin; bijna zevenduizend kinderen wonen ‘gezinsgericht’ elders, bijvoorbeeld in een ‘gezinshuis’ samen met andere kinderen onder begeleiding van professionals. Ruim veertienhonderd jongeren met ernstige gedragsproblemen wonen in de gesloten jeugdzorg . De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid waarschuwen al jaren voor het gebrek aan goede jeugdzorg. „Ik heb een déjà vu gevoel”, zegt Hans Faber, hoofdinspecteur bij de Inspectie Justitie en Veiligheid. „Zes jaar geleden hebben we onze zorgen over de veiligheid van kinderen kenbaar gemaakt. De bittere conclusie is dat er sindsdien niet echt iets is verbeterd. Dat is wrang.” Hoofdinspecteur Van der Putten: „Dit verhaal is niet nieuw. Er is nog steeds onvoldoende zicht op de veiligheid en ontwikkeling van kinderen. Dat deze boodschap niet nieuw is, maakt die des te schrijnender.”

Er is van alles te weinig

Het goede nieuws is dat áls kinderen hulp krijgen, deze daadwerkelijk effect heeft. Van der Putten: „Er zijn veel signalen dat het mis gaat, maar gelukkig ook verhalen dat kinderen en ouders zeggen dat als er intensief, betekenisvol contact is en er is hulp, ze ook echt geholpen zijn.” De jeugdzorgwerkers tonen volgens het rapport doorgaans „een enorme wil en grote betrokkenheid” en doen hun werk naar tevredenheid. „Jeugdigen en ouders zijn positief als de jeugdzorgwerker er voor hen is en als zij zich gehoord voelen. Sommige ouders zeggen dat zij hun jeugdzorgwerker deskundig, duidelijk, respectvol, begripvol en meedenkend vinden.” Ook op pleeggezinnen moet Nederland „zuinig” zijn, stelt Van der Putten; kinderen zeggen veelal „heel erg tevreden” te zijn over de hulp die hun wordt geboden. Het slechte nieuws is dat die hulp vaak ontbreekt. Er is onvoldoende één-op-één contact tussen jeugdzorgwerkers en het kind. „De pleegzorgmedewerkers gaan af op de verhalen van de pleegouders”, zegt Van der Putten. „En volgens sommige pleegouders komen de hulpverleners vaak niet eens op huisbezoek.” Dat de jeugdzorg tekort schiet, heeft met de houding van de jeugdzorgwerkers volgens de inspecties weinig te maken. Hoofdinspecteur Faber: „Zij proberen met alle macht te doen wat er nog kan. Maar ze hebben te werken met een systeem dat op dit moment niet werkt. Want er is van alles te weinig.”

Niet gepraat met de kinderen

Er is onvoldoende personeel in de jeugdzorg. Daardoor moeten kinderen die door een rechter onder toezicht zijn geplaatst te lang wachten op hulp, en missen zij de begeleiding van de instelling die daarvoor verantwoordelijk is. Te vaak krijgen ouders en kinderen wisselende hulpverleners over de vloer, die ook nog eens na korte tijd weer zijn verdwenen. Ook hapert de samenwerking tussen de verschillende instanties, zoals onder meer blijkt uit het door de inspecties opgetekende relaas van een vader, ‘Geoffrey’. Hij zag, na een vechtscheiding, zijn kinderen anderhalf jaar niet, om vervolgens te vernemen dat zijn kinderen bij hem, in zijn nieuwe samengestelde gezin, konden gaan wonen. Hulp kwam er uiteindelijk ook, van een ingehuurde zzp’er. „Die wilde het dossier niet lezen”, citeert de inspectie Geoffrey. „Deze jeugdbeschermer bleef een half jaar en is in die tijd maar één keer langs geweest.” Van diens vervanger hoorde Geoffrey tien maanden niets. Later kwamen er twee jeugdbeschermers langs. „Ik heb de kinderen speciaal eerder van school gehaald voor deze afspraak, maar de jeugdbeschermers hebben niet met de kinderen gepraat. In al deze tijd is er niet met de kinderen gesproken.”

In half jaar zeven keer verhuisd

Veel kinderen die onder toezicht zijn geplaatst, moeten onverantwoord lang wachten op gespecialiseerde hulp, van psychologen en gedragstherapeuten tot afkickcoaches. „Te bizar” noemt hoofdinspecteur Faber dat gemeenten, die deze hulp moeten betalen, de noodzaak daarvan om financiële redenen vaak ter discussie stellen. „Op last van de rechter bepalen gecertificeerde instellingen wat voor hulp aan kind en ouders moet worden gegeven. Dat is hun wettelijke taak. Maar vervolgens gaan gemeenten zich nog eens afvragen ‘is dit nu wel nodig’. Ik begrijp dat deze overwegingen financieel gedreven zijn, het kunnen dure trajecten zijn, maar de kosten van een behandeling mogen in individuele gevallen nooit doorslaggevend zijn.”

In het rapport komt ook de zestienjarige ‘Emma’ aan het woord, een meisje dat al kort na haar geboorte niet meer thuis kon wonen. Ze heeft, sinds haar gedwongen vertrek bij een vast pleeggezin op haar dertiende, talloze voogden en adressen versleten. In een half jaar tijd verhuisde ze zeven keer, nu woont ze in een gezinshuis, met begeleiding van ‘professionele ouders’. Ze hoorde onlangs dat er dertien diagnoses van haar zijn gesteld. „Er staan meerdere diagnoses in mijn dossier die niet waar zijn.”

Gefrustreerde hulpverleners

Bij alle crises in de jeugdzorg rijst de vraag of rechters af en toe maar beter kunnen afzien van het opleggen van een maatregel. Soms duurt het wachten op hulp immers zo lang, dat de situatie vaak alleen maar erger wordt. Ouders en kinderen raken het vertrouwen in de hulpverleners totaal kwijt, en dit wantrouwen maakte geschikte hulp onmogelijk. De hulpverleners raken gefrustreerd. Ook komt regelmatig voor dat een hulpverlener na maanden of jaren eindelijk een plaats heeft voor een kind, van wie de problematiek echter intussen alweer zo zeer is verergerd, dat de hulpverlener afhaakt. De inspecteurs moeten in dat verband denken aan het relaas van twee broers die bij hun moeder wonen. De ene jongen heeft psychische problemen, krijgt lange tijd geen hulp en pleegt een ernstig delict waarvoor hij in de gevangenis belandt. Zijn broer, ‘Jordi’, voelde zich hierdoor zo slecht dat hij niet meer naar school gaat. Jeugdreclasseerders voor beide jongens blijven weg, onlangs heeft de moeder gebeld. Jordi: „Twee weken later kregen we een brief: ‘Wij doen ons best om zo snel mogelijk iemand te zoeken. Bij vragen bel de piketdienst.’ We weten niet wat de piketdienst is, wat er in de tussentijd gedaan wordt en wanneer er weer begeleiding voor ons is.” Hoofdinspecteur Van der Putten: „Je ziet dat zo’n kind steeds verder afglijdt.”

Schijnveiligheid

Waar het in de jeugdzorg verder aan schort, stellen de inspecties, is het gebrek aan openheid van de gecertificeerde instellingen, die de zorg voor de kinderen moeten regelen. Deze organisaties moeten ophouden het bestaan van enorme wachtlijsten te maskeren door te spreken over bijvoorbeeld ‘werkvoorraden’ en daarmee suggereren dat zij hun wettelijke taak kunnen waarmaken, de situatie „onder controle” hebben en nog altijd zicht hebben op de kinderen. Dat dit niet zo is, moeten ze „helder en expliciet” duidelijk maken zodat er geen „schijnveiligheid” wordt gewekt.

Misschien wel de grootste oorzaak voor de crisis in de jeugdzorg, stellen de inspecties, is de „bestuurlijke impasse”; het onvermogen van de instellingen en politiek om maatregelen te nemen, het ontbreken van „stevig leiderschap”. Hoofdinspecteur Van der Putten: „Iedereen voelt machteloosheid. Wij roepen op daar niet in te berusten. Je kunt deze situatie niet accepteren.” Hoofdinspecteur Faber: „Ik heb gezocht naar een beeldspraak. Ik kom dan uit bij een complex gezin, misschien een gezin dat in een vechtscheiding ligt, waarin ouders voortdurend naar elkaar wijzen, zoals bestuurders nu ook doen. In een complexe gezinssituatie houden de ouders van hun kinderen. En dat zal hier ook onder bestuurders van de jeugdzorg zo zijn. Toch gaat de discussie te vaak over geld. Staat het kind daadwerkelijk bovenaan de agenda van bestuurlijk Nederland?”

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next