Wie carrière in China wil maken, trekt naar een van de zogenoemde ‘eersterangssteden’: Beijing, Shanghai, Guangzhou of Shenzhen. Maar wie geluk boven geld stelt, kiest voor Dali – een bergstadje in de provincie Yunnan.
Door Julie Blussé
Fotografie Billy Kwok
Yao Wenkai (32) heeft de tijd. Kruislings gezeten achter zijn theetafel schenkt hij, al pratend, steeds opnieuw thee in voor zijn gasten. Af en toe vult hij de pot weer met heet water. Door de houten schuifdeuren van zijn woonkamer kijkt hij uit op de binnenplaats van zijn huis, waar de regen gestaag neervalt. Eigenlijk wilde hij een ommetje maken langs het Erhai-meer. Maar hij kan wachten. ‘Over een half uur is die bui wel voorbij’, schat hij. ‘En anders drinken we eerst nog een kopje koffie.’
De 32-jarige Yao Wenkai zit in de binnenplaats van zijn huis in Dali, een stad in het zuidwesten van China.
Het smaakvolle, traditioneel Dalinese hofhuis waar Wenkai met zijn moeder woont en een bescheiden bed and breakfast met vier kamers runt, heeft hij zelf van top tot teen gerenoveerd en ingericht. Geen verrassing dus dat hij is opgeleid als landschapsontwerper en jarenlang door heel China werkte aan projecten voor bedrijven uit Shanghai. ‘Maar dit is het eerste project waar ik trots op ben’, zegt hij.
Het traditioneel Dalinese hofhuis waarin Yao Wenkai met zijn moeder woont, heeft hij zelf ingericht en gerenoveerd.
Wenkai is een van de vele Chinezen die deel uitmaken van een opmerkelijke migratiestroom. Al decennia trekken ambitieuze jongeren naar de grote steden, maar de laatste jaren komt Dali juist op als toevluchtsoord voor wie de grootstedelijke druk wil ontvluchten.
Dit kleine bergstadje in het zuidwesten van China, idyllisch gelegen aan een meer op 2.000 meter hoogte en omringd door bergen, staat bekend om zijn natuur, milde klimaat en relaxte levensritme. ‘Dalifornia’ wordt het ook wel genoemd. Veel valt er niet te verdienen, maar de levenskwaliteit is hoog, zegt Wenkai, die een paar jaar geleden uit Shanghai hierheen verhuisde. ‘We ruilen hier geld in voor tijd.’
Dali ligt op de westelijke oever van het 250 vierkante kilometer grote Erhai-meer.
Exacte cijfers over het aantal nieuwkomers in Dali ontbreken, maar hun aanwezigheid is onmiskenbaar in het straatbeeld. Ze hangen rond in de lokale microbrouwerij, bezoeken yogaretraites, en tikken op MacBooks in cafés die biologische Yunanese filterkoffie serveren. Hun relaxte, linnen hemden en batiksjaals verraden dat ze met regelmaat tripjes maken naar Laos en Thailand, zo’n 400 kilometer richting het zuiden.
Dali trok al veel eerder mensen aan die aan het keurslijf wilden ontsnappen: hippies, spirituele zoekers en andere alternatievelingen bevolken de stad al decennia. Volgens een bekend Chinees gezegde ben je hier, ‘waar de bergen hoog zijn en de keizer ver weg’, namelijk het meest vrij. Ook politieke dissidenten vonden er een toevluchtsoord, zoals dichter Liao Yiwu, die deelnam aan de studentenprotesten van 1989.
De opkomst van de Dali-droom hangt samen met de neergang van de Chinese droom, zo legt de 26-jarige Beijinger Yang Ji uit. Hij is net als Wenkai een nieuwkomer in Dali, en eigenaar van meerdere bed and breakfasts. Die Chinese droom beloofde jongeren dat hard werken in de grote stad zou leiden tot een goed inkomen en een beter leven dan dat van hun ouders. Maar zelfs voor Yang, die als manager bij een socialemediabedrijf royaal verdiende, bleek die belofte niet houdbaar.
Enkele jaren geleden drong het tot hem door: hoe hard hij ook spaarde, een appartement in Beijing zou hij nooit kunnen kopen. ‘Het leven in Beijing was te vermoeiend’, zegt hij, ‘te juan’ – een Chinees woord dat letterlijk ‘naar binnen rollen’ betekent, en dat jongeren gebruiken voor de vicieuze cirkel waarin steeds harder werken steeds minder oplevert.
Ook Wenkai’s loopbaan in Shanghai belandde in zo’n neerwaartse spiraal. Na een burn-out nam hij ontslag. Hij vond een nieuwe baan, maar toen zijn baas naar de Verenigde Staten vertrok, besloot hij verder te zoeken. Dat bleek lastiger dan ooit: de coronapandemie en de vastgoedcrisis hadden zijn werk in de landschapsarchitectuur vrijwel stilgelegd. Uiteindelijk restte alleen zijn oude werkgever. Daar waren de werkomstandigheden inmiddels fors verslechterd: ‘Vroeger deed ik het werk van twee mensen, nu van drie.’ Wenkai maakte vaak werkdagen van zestien uur, met hooguit één of twee dagen vrij per maand.
In de rustgevende natuur rondom Dali geniet Yao Wenkai van een fietstocht.
Zo kwam ook Wenkai tot het besef dat het leven in Shanghai niet meer loonde. Op een dag besloot hij dat met zijn ouders te bespreken. Beiden werkten als fabrieksarbeider in Hebei, nabij Beijing. Zijn vader is pijpfitter, zijn moeder werkte tot haar recente pensioen als lasser. Ze hadden zich suf gespaard, in de hoop dat hun zoon ooit een appartement zou kunnen kopen in de grote stad. ‘Maar toen heb ik ze voorgerekend dat dat nooit zou lukken.’
Wenkai kwam met een alternatief plan: wat als hij met dat spaargeld een bed and breakfast begon in Dali? Hij kon zelf een traditioneel Dalinees huis opknappen, en zijn moeder kon komen inwonen en voor de gasten koken. Een radicaal plan, vond Wenkai’s moeder, die haar hele leven bij hetzelfde staatsbedrijf had gewerkt. Maar ze stemde toe, en inmiddels is de 57-jarige Wang Lizhi erg gelukkig in Dali.
‘Bij ons thuis in het noorden is het minder open. Hier in Dali zijn er mensen van allerlei pluimage, met alle mogelijke levensstijlen’, zegt Wang. ‘Ik ben hier ook gegroeid.’ Ze bezoekt boeddhistische tempels in de buurt en mijmert poëtisch over de veranderlijke wolkenluchten boven Dali: ‘Elk uur weer anders, als een wereld van illusies.’ Haar man keek verbaasd op toen hij haar na een paar maanden terugzag. Lachend: ‘Hij vond dat ik veel te gebruind was.’
Wang Lizhi (57), de moeder van Yao Wenkai, woont met haar zoon in Dali. Ze kookt voor de gasten van de bed and breakfast van Wenkai.
De vrijzinnige cultuur die Wang beschrijft is de laatste jaren wel wat afgezwakt. Tot voor kort was Dali een populaire reisbestemming voor psychonauten, omdat de vrije verkoop van wiet en paddo’s er gedoogd werd. Nu wordt daar veel strenger tegen opgetreden. Toch kan een hoteleigenaar in het centrum toeristen nog altijd moeiteloos wijzen op marihuanaplanten die vlak buiten de stadsmuren in het wild groeien.
Buiten diezelfde stadsmuren zitten ook nog volop hippie-achtige types op kleedjes snuisterijen te verkopen aan toeristen. Zo ook de 35-jarige Qing Yanjun, die onder de bijnaam ‘Animal’ door het leven gaat, en trots zijn zelfgewoven hoeden toont.
Qin ‘Animal’ Yanjun (35, rechts) verkoopt zelfgewoven hoeden op een muziekfestival in Dali. Hij verkoopt zijn waren al ruim tien jaar.
Al ruim tien jaar verdient hij genoeg met zijn waren om van te leven, maar dat wordt de laatste jaren moeilijker door de toenemende populariteit van Dali. ‘Het is een achttienderangs stadje’, zegt hij lachend, ‘maar een kom noedels kan hier nu meer kosten dan in Beijing.’
Tot zo’n tien jaar geleden kwamen vooral backpackers naar Dali, nu willen ook toeristen uit de grote steden tijdens hun spaarzame vakantiedagen de ‘Dali-droom’ beleven. Ze lieten zich inspireren door een roadmovie uit 2014 die idyllisch eindigt in het stadje, en door de hitserie Waar de wind waait (2023), waarin een jonge vrouw, à la Eat, Pray, Love, zich herbezint in Dali. Op de meest fotogenieke plekken van Dali – langs het Erhai-meer, bij de pagodes en in het oude centrum – drommen zij samen voor het perfecte plaatje. In China wordt dit fenomeen ‘inklokken’ genoemd, alsof ook vakantie vieren bestaat uit het afvinken van een takenlijst.
Ook toeristen uit grote steden komen langs om de ‘Dalidroom’ zelf te ervaren. Met tempels, het Erhai-meer en pagodes heeft de stad genoeg fotogenieke plekken te bieden.
Veel van de gasten in Wenkai’s bed and breakfast leiden een leven dat sterk lijkt op het zijne van vroeger. Ze vertellen hem soms dat ze hem benijden, en hij gaat dan graag met ze in gesprek om ze een zetje in de juiste richting te geven: ‘Als boeddhist heb je de verantwoordelijkheid en plicht om de nieuwe kennis die je hebt opgedaan aan anderen over te dragen’, zegt hij. ‘Misschien kunnen dappere mensen wat vertrouwen geven aan de mindere dapperen.’
Toch zijn de meeste mensen volgens Wenkai te gehecht aan de droom van het grotestadsleven om een nieuwe koers te kiezen, zelfs als dat leven steeds minder oplevert. Ze lijken op kikkers in langzaam kokend water: ‘Misschien hebben ze andere kikkers gezien die zijn ontsnapt, maar zelf durven ze er niet uit te springen.’
In de Copperbelt van Zambia is de invloed van China alomtegenwoordig, mede dankzij de aanleg van de Tazara-spoorlijn. Uit strategische overwegingen waagt ook de EU zich op de aardmetalenmarkt. En aan zijn eigen Afrikaanse spoorproject: de Lobito-corridor. Is China nog in te halen? En wat heeft Zambia daaraan?
Sinds Trumps boude stelling dat ‘China het Panamakanaal beheert’, raast er een geopolitieke orkaan over het kleine Panama. In het oog van die storm zitten de Panamese Chinezen. ‘Het Westen kijkt met haast naar de wereld. China is geduldig.’
Onafgemaakte gebouwen vormen in heel China een zichtbaar symbool van de vastgoedcrisis die het land teistert. Voor Chinese vrijbuiters vormt een zo’n zogeheten lanweilou (‘verrot gebouw’) juist een toevluchtsoord. ‘Ik zie mezelf niet als zwerver, de buitenwereld vast wel.’
Source: Volkskrant