Home

Familie vermiste Syriërs: ‘Wij hebben het recht om het lot van onze geliefden te kennen’

Syrië In Syrië zijn sinds 2011 ruim 177.000 mensen verdwenen. Negen maanden na de val van het regime-Assad, weten hun families nog altijd niet wat er met hen is gebeurd. „Ik heb nog steeds hoop dat hij terugkeert.”

Iman Saleh (53). Haar man Mahmoud Sinan was taxichauffeur en verdween kort na het begin van de Syrische opstand in 2011.

Drie vrouwen kloppen aan bij een kantoortje in Yarmouk, een vrijwel volledig verwoeste wijk en Palestijns vluchtelingenkamp in Damascus. Ze hebben gehoord dat er een lokale raad is opgericht voor de zoektocht naar de duizenden vermisten uit de wijk.

Kunnen de leden van de wijkraad soms ook iets voor hen betekenen? De familieleden van de vrouwen zijn nog altijd spoorloos. Iman Salehs man verdween in 2011. Ghadda Sinans zoon verdween in 2013. Wafa Ahmed Salehs zoon verdween in 2014.

Het is negen maanden geleden dat het Syrische regime van Assad in december 2024 ten val werd gebracht door de rebellen van Hay’at Tahrir al-Sham (HTS), en een Syrische overgangsregering werd aangesteld onder leiding van voormalig HTS-leider Ahmed al-Sharaa.

Sinds die ‘bevrijding’, zoals de val van Assad hier wordt genoemd, hebben de vrouwen tevergeefs gezocht naar hun geliefden. De kortstondige hoop dat ze eindelijk met hen zouden worden herenigd, heeft opnieuw plaatsgemaakt voor onzekerheid en uitgestelde rouw.

Gedwongen verdwijning

Sinds het begin van de Syrische opstand tegen het regime van Bashar al-Assad in 2011 zijn er volgens schattingen tussen de 100.000 en 200.000 mensen in Syrië verdwenen. Volgens het Syrische Netwerk voor de Mensenrechten gaat het om ruim 177.000 personen.

‘Gedwongen verdwijning’ is een onderdrukkingspraktijk die in Syrië al decennia wordt toegepast. Al in de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen nog onder Hafez al-Assad (de vader van Bashar), verdwenen er massaal opgepakte burgers. Niet alleen politieke opponenten van het regime – activisten, journalisten, demonstranten – werden op grote schaal opgepakt, gemarteld en geëxecuteerd. Andere Syriërs waren simpelweg op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats.

De man van Iman Saleh (53) verdween kort na het begin van de Syrische opstand in 2011, vertelt ze in haar huis in een grotendeels verwoeste straat in Yarmouk. Aan de protesten tegen Assad nam haar man Mahmoud Sinan (1964) niet deel; hij was op een doordeweekse dag de deur uitgegaan om te werken als taxichauffeur, en kwam niet meer terug.

Na de val van het regime trokken tienduizenden Syriërs vanuit binnen- en buitenland naar de beruchte martelgevangenissen die kort daarvoor waren bevrijd, op zoek naar vermiste familieleden. Saleh bleef aan de telefoon gekluisterd, voor als er bericht zou komen over haar man.

„Toen de gevangenen naar buiten kwamen en de wereld toekeek, hadden we hoop. Ik heb veel rondvraag gedaan, maar niemand wist iets over hem. Wie aan het begin [van de opstand] is verdwenen, komt nooit meer terug.” Met haar verdwenen man heeft ze zeven kinderen. „Mijn jongste zoon was in 2011 vijf jaar. Hij is nu twintig, en heeft nauwelijks herinneringen aan zijn vader.”

Alleen al uit de wijk Yarmouk verdwenen sinds 2011 circa zevenduizend mensen, vertelt Batir Tamim, een lid van de wijkraad. Daarvan zijn er slechts 65 teruggekeerd sinds de val van het regime. Het aantal vermisten uit de wijk bleek na een recente inventarisatie nog hoger te liggen dan verwacht, zegt Tamim. „Sommigen waren tot voor kort bang om te delen dat hun familieleden waren opgepakt en verdwenen, uit vrees dat dit gevolgen zou hebben voor de rest van de familie.”

Wafa Ahmed Saleh. Haar zoon verdween in 2014.

Ghada Sinan (54). Haar zoon verdween bij een checkpoint bij de ingang van Yarmouk, in het voorjaar van 2013.

De enige zoon van Ghada Sinan (54) verdween in het voorjaar van 2013, bij een regeringscheckpoint bij de ingang van Yarmouk, dat steevast omgeven was door sluipschutters. Vanuit zijn werkplaats in Homs in Noord-Syrië, waar hij als smid werkte, bezocht Mohammed zijn moeder wekelijks in het kamp, om haar geld te geven.

Na zijn verdwijning ging Sinan om de paar maanden naar de militaire politie in Damascus. „Daar kreeg ik te horen dat hij in orde was, en dat ik hem kon bezoeken in de Saydnaya-gevangenis. Maar ik durfde niet, want ik had gehoord dat als je daar op bezoek ging, ze [de gevangenen] werden geslagen.” Direct na de val van Assad, op 8 december vorig jaar, ging ze alsnog. „Ik sliep vier dagen in de tuin om te kijken wie er naar buiten kwamen.”

Saydnaya, de beruchte martelgevangenis in Damascus die is omschreven als ‘menselijk slachthuis’, stroomde vol met naasten en nieuwsgierigen. Nadat duizenden gevangenen waren vrijgelaten, werd er verwoed gezocht naar andere overlevenden en doden. Ook gevangenisdocumentatie werd doorzocht en meegenomen.

Maar net als talloze andere Syriërs verkeert Sinan nog altijd in onzekerheid over het lot van haar zoon. Gevraagd naar Mohammeds leeftijd noemt ze hoe oud hij nu zou zijn, 38 jaar. „Ik heb nog steeds hoop dat hij terugkeert.”

Vernietigingskamp

„Veel families willen het antwoord op één vraag: wat is er met onze familieleden gebeurd?”, zegt Diab Serriya, medeoprichter van de Vereniging voor Gedetineerden en Vermisten van de Saydnaya Gevangenis.

De organisatie zet zich in voor onderzoek naar vermisten en gevangenen, de opsporing van daders, en de ondersteuning van families. Tot april dit jaar werkte ze vanuit het buitenland. Inmiddels houdt de vereniging kantoor in het centrum van Damascus – tot december vorig jaar ondenkbaar.

In een vergaderzaaltje leest Serriya handgeschreven briefjes voor die aan de muur hangen, met aanbevelingen en wensen van familieleden van vermisten: „Wij hebben het recht om het lot van onze geliefden te kennen, of ze nu in leven zijn of martelaar zijn geworden.” En: „Gevangenen zijn niet dood zonder bewijs of vaststelling.”

De centrale hal van de beruchte Sadnaya gevangenis, waar duizenden gevangenen werden gemarteld en gedood

Zelf zat Serriya gevangen in Saydnaya tussen 2006 en 2011, vanwege zijn oppositie tegen Assad. Hij werd er veelvuldig gemarteld, en nam in 2008 deel aan een opstand in de gevangenis. „Martelingen en mensenrechtenschendingen waren aan de orde van de dag. Maar na 2011 veranderde Saydnaya in een vernietigingskamp.” Volgens een Amnesty-rapport uit 2017 waaraan Serriya bijdroeg, werden in Saydnaya alleen al tussen september 2011 en december 2015 tussen de 5.000 en 13.000 mensen geëxecuteerd.

In 2012 vluchtte Serriya via Libanon naar Turkije. Van daaruit bleef hij onderzoek doen naar Saydnaya. Zijn recente terugkeer naar Syrië – vanuit Nederland, waar hij al enkele jaren woont – omschrijft hij als een „droom”.

Op zijn telefoon laat hij documenten zien van de Syrische veiligheidsdiensten die na de val van het regime werden gevonden, waarin de activiteiten van de Vereniging worden besproken. „Het regime maakte zich duidelijk boos over ons werk. Ik voel opluchting dat onze inspanningen niet voor niets zijn geweest”, zegt hij.

Veel bewijsmateriaal verdween

Serriya betreurt het als onderzoeker dat tijdens de eerste dagen na de val van het regime niet alleen veel bewijsmateriaal – zoals documenten en harde schijven – uit gevangenissen zijn meegenomen, maar ook dat allerlei hardnekkige geruchten de ronde deden, zoals de aanwezigheid van ondergrondse cellen.

Serriya’s organisatie benadrukt dat de huidige Syrische regering de zoektocht naar de vermisten en het opsporen van daders – ondanks alle andere problemen in het land – niet langer moet uitstellen. Amnesty onderstreepte onlangs dat het onderzoek onafhankelijk moet zijn, VN-richtlijnen moet volgen, en ook misdaden van oppositiegroepen moet meenemen.

Hoewel het Assad-regime verantwoordelijk was voor het gros van de verdwijningen, hebben ook gewapende oppositiegroepen, zoals Islamitische Staat, Hay’at Tahrir al-Shams (HTS) en het Syrische Nationale Leger, vermoedelijk duizenden verdwijningen op hun geweten.

In mei werd door de overgangsregering van president Ahmed al-Sharaa een Nationale Commissie voor de Vermisten in het leven geroepen, samen met een Nationale Commissie voor Transitional Justice (‘overgangsjustitie’). De VN, die in 2023 de Independent Institution on Missing Persons in Syria (IIMP) oprichtten, stelden recent een adviesraad aan waarin diverse Syrische slachtoffers en Syriërs uit het maatschappelijk middenveld deelnemen.

Maar volgens Serriya ontbreekt het de Syrische overgangsregering vooralsnog aan middelen en oprechte interesse in het lot van de vermisten en gevangenen en hun families. En dat is wrang, zegt hij, omdat een deel van de vermisten direct heeft bijgedragen aan de overwinning op Assad door hun oppositie tegen het regime.

„Voor die activiteiten hebben ze met hun leven betaald. Onder voormalige gevangenen heerst een groot gevoel van onrecht. Tot op heden zijn er geen serieuze stappen genomen in de richting van transitional justice.”

Massagraven

Dat komt mede doordat de regering voor talloze andere uitdagingen staat: de economie ligt – ook na de opheffing van sancties – op zijn gat, er zijn nog steeds uitbraken van geweld, er worden parlementaire verkiezingen georganiseerd. En bovendien, benadrukt Serriya, is de oorlog nog niet voorbij. „Assad was weliswaar de belangrijkste speler, maar er zijn nog andere strijdende partijen.”

Op verschillende plekken in Syrië zijn sinds december 2024 massagraven geïdentificeerd, ook op plekken die al eerder waren gedocumenteerd door de VN. Forensisch onderzoek is nodig naar deze en mogelijk nog onontdekte graven. „Maar het opgraven van massagraven zal nu niet het eerste zijn waar de regering geld aan besteedt; mensen moeten leven”, zegt Serriya daarover.  

Ook ontbreekt volgens Serriya zorg voor voormalige gevangenen en hun families. „De nieuwe regering geeft de boodschap af: ‘wij hebben jullie bevrijd’. Maar de levens van de vrijgelatenen zijn verwoest. En families van vermisten en gevangenen zijn sterk gemarginaliseerd.”

Muhammed Isa Rashdan (37). Hij zat zes jaar vast in de beruchte Saydnaya-gevangenis.

Dat geldt ook voor de familie Rashdan, die eveneens in een zwaar gehavend gebouw in Yarmouk woont. Muhammed Isa Rashdan (37) zag afgelopen december „na zes jaar voor het eerst weer daglicht”, toen hij vrijkwam uit Saydnaya, waar hij in een donkere, overvolle cel zat, en nauwelijks rechtop heeft gestaan. „Alle mogelijke martelingen werden daar uitgevoerd”, vertelt hij.  

Terwijl zijn moeder koffie serveert, vertelt ook zijn vader Isaa Rajaa Rashdan, die jarenlang vastzat in de gevangenis Far’ Filastin (‘Palestijnse Divisie’) in Damascus, over de martelingen die hij daar moest ondergaan. Nu vader en zoon vrij zijn, is van compensatie geen sprake; net als veel andere overlevenden leunen ze op hulp van familie en hun sociale netwerk.

Vijgenbomen

Terwijl grondig onderzoek in Syrië naar de vermisten en opsporing van daders nog op zich laten wachten, proberen lokale initiatieven de herinneringen aan de talloze vermisten levend te houden.

In Damascus waren de afgelopen maanden demonstraties en samenkomsten van familieleden. Het project ‘Truth Tents’ biedt in onder meer Yarmouk familieleden van vermisten de gelegenheid om samen te komen in tenten om over waarheidsvinding en gerechtigheid te praten.

Recent is een groep activisten en familieleden begonnen met ‘Hadaiq al-Tin’ (Vijgentuinen), waarbij vijgenbomen worden geplant voor vermisten en dodelijke slachtoffers. „In onze cultuur is het planten van een boom voor een ziel of iemand die is verdwenen een goede daad. Het dient ook ter vervanging van een graf: als plek waar mensen kunnen bidden en rouwen”, vertelt Marwa Salloum (31), een van de initiatiefnemers, wier oom werd gedood tijdens de oorlog, telefonisch vanuit Hish.

Bewoners en vrijwilligers van het Vijgentuinen-initiatief dragen bomen om te planten bij de opening van de tweede Vijgentuin in het zuiden van Idlib.

In dat dorpje op het platteland van Idlib, in Noord-Syrië, werd recent een vijgentuin aangelegd, een andere ligt bij het klooster Dair Mar Musa al-Habashi, ten noorden van Damascus. Bij iedere boom staat een bordje met een naam. Via QR-codes kunnen bezoekers lezen hoe iemand verdween of overleed.

„Maar tijdens onze samenkomsten praten we niet over hoe iemand is doodgegaan of verdwenen, maar over wie hij was, en hoe hij leefde. Het doel is om die verhalen levend te houden”, zegt Salloum. „De bomen zijn een symbool van hoop, en een boodschap aan de wereld dat er gerechtigheid moet komen. Mijn hoop is dat er door heel Syrië vijgentuinen worden aangelegd.”

Een olijfboom ter nagedachtenis aan een slachtoffer werd geplant bij de opening van de tweede Vijgentuin in het zuiden van Idlib.

 

Source: NRC

Previous

Next