Bluegrass Muziek kent tal van genres en subculturen: NRC’s muziekprofessor biedt essentiële muziekkennis. Deze week: bluegrass. Wat moet je luisteren en wie moet je kennen?
Snaren, snaren, snaren. Daar is het in bluegrass – het kleine, onstuimige broertje van de countrymuziek – om te doen. Minimaal 27 in de traditionele bezetting met contrabas, gitaar, mandoline, viool en vijfsnarige banjo. Nog eens zes erbij als er ook een dobro meespeelt, zo’n stalen gitaar die je bespeelt met een buisje (slide) om de vinger. De muzikanten schouder aan schouder om één microfoon, en de noten vliegen je om de oren.
Uit Kentucky, waar de uitlopers van de Appalachen bedekt zijn met blue grass, veldbeemgras in het Nederlands (maar goed dat het genre niet hier is uitgevonden). Mandolinespeler en bluegrasspionier Bill Monroe muntte de term en het genre door zijn band ernaar te vernoemen. Muzikaal gezien is bluegrass geworteld in zogenaamde ‘old time music’, of ‘mountain music’: de muziek die Schotse en Ierse kolonisten meenamen naar de Verenigde Staten, waar het zich vermengde met Afro-Amerikaanse muziektradities zoals blues en gospel.
In de jaren 40 vindt de eerste duidelijke breuk plaats met de muziek uit de bergen: banjospeler Earl Scruggs van Monroe’s Blue Grass Boys ontwikkelt zijn kenmerkende pluktechniek met drie vingers, waarmee hij zijn instrument van begeleidings- tot solo-instrument promoveerde. Het wordt een van de definiërende factoren van het genre.
Als, uhm, tja, een heleboel snaren. Die overigens samen functioneren als een volwaardige band met ritmesectie. De contrabas dient als bassdrum door op de eerste en derde tel van de maat afwisselend de grondtoon en de kwint van de akkoorden te spelen. De gitaar en/of mandoline nemen de off-beat – de tweede en de vierde tel – voor hun rekening, en worden zo een soort snaredrum. Samen zorgt die combinatie voor eenzelfde boem-tsjak-stuwing als een drummer in een ‘normale’ band.
De structuur van de muziek is doorgaans simpel: een liedje dat bestaat uit een couplet en een refrein, vaak meerstemmig gezongen, liefst met knauwend Amerikaans accent. Daarna een hoop solo’s, en dan nog een keer een rondje couplet en refrein om het af te ronden. De meeste bluegrass-nummers bestaan uit hooguit drie akkoorden, en dan meestal ook nog eens dezelfde: G groot, C groot en D groot. Misschien nog een keer A mineur of F groot als er iemand in een dolle bui is.
Maar ondanks – of juist dankzij – die relatief simpele opbouw is er veel ruimte voor technische virtuositeit, vooral in de solo’s. Vliegensvlugge vingers, spervuren van noten, schijnbaar eindeloze lijnen die precies op het juiste moment tóch uitmonden in het volgende akkoord; ook dat is bluegrass.
Wees gewaarschuwd, oude bluegrass kan best wat gedateerd overkomen. Wil je toch graag bij het begin beginnen, luister dan naar The Osborne Brothers of The Country Gentleman, dan weet je ook meteen waar Mumford & Sons het vandaan halen. Mijn advies: kies als instapper voor iets vlotters als Tony Rice, een van de virtuoze vernieuwers van het genre. Of iets eigentijds als Gillian Welch, Billie Strings of de Punch Brothers, bij wie je hoort hoe het genre zich gemoderniseerd heeft.
Nog een kijktip: de odyssee van de gebroeders Coen Oh Brother, Where Art Thou, waarin het voortvluchtige personage van George Clooney onverhoopt een hit scoort met bluegrassklassieker ‘I’m a man of constant sorrow’.
Er is ook meer dan genoeg bluegrass te ontdekken op eigen bodem, trouwens. Neus rond op het Rotterdam Bluegrass Festival, zet de plaat Bluefinger van Bertolf op, of koop een kaartje voor Tim Knol en de Blue Grass Boogiemen. Hoed op, cowboylaarzen aan en je waant je zo op de Amerikaanse prairie.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC