Argentijnse literatuur Geïnspireerd door het surrealisme schreef César Aira een wonderlijk verhaal waarin alles en iedereen steeds verandert van richting en vorm.
Schrijven in Parijs, aan een tafeltje op een terras. Menig auteur droomt ervan, de verteller van De naaister en de wind doet het. Soms lukt het zo goed dat hij almaar doorschrijft en in een roes raakt. Het enige dat hij wist, was dat hij een avonturenroman wilde schrijven, vol wonderlijke gebeurtenissen en verzinsels. Die roman werd wonderlijker dan je je ooit had kunnen voorstellen.
Een intrige is er nauwelijks. Je zou kunnen zeggen dat het begint met twee jongens die spelen in de lege laadbak van een vrachtwagen, in Coronel Pringles, een stadje in het zuiden van de provincie Buenos Aires. Een van de twee verdwijnt. Wellicht is de chauffeur vertrokken zonder dat hij de jongen in de laadbak in de gaten had. Zijn moeder, net bezig met het naaien van een waanzinnig mooie trouwjurk voor een tekenlerares, gaat er in een taxi achteraan. Ze belandt in Patagonië, een „wonderschone en onbeschrijflijke woestenij waar zich allerlei avonturen zouden kunnen afspelen”. Daar racet haar echtgenoot in zijn rode vrachtwagentje weer achteraan, gevolgd door een blauw speelgoedautootje.
De Argentijn César Aira (1949) schrijft geen romans, zou je kunnen zeggen, maar creëert een onnavolgbaar oeuvre, waarin logica, waarschijnlijkheid en karaktervorming geen rol spelen. Hij publiceert de ene titel na de andere – inmiddels rond de honderd – en beweert in interviews dat hij nooit naleest wat hij heeft geschreven. Kunst gaat wel uit van de werkelijkheid, vindt hij, maar de realiteit is niet meer dan startpunt.
Wat volgt op dat begin, die jongen in de laadbak, is een onophoudelijk proces van „transformatie”, een woord dat in dit boek vaak voorkomt. Alles en iedereen verandert voortdurend van richting en van vorm, niets blijft hetzelfde. Alles, schrijft Aira, „is een kwestie van transformatie van angsten: dat zet de labiele, veranderende maatschappij op zijn kop”. Aira lijkt chaos te verzinnen om de chaos te lijf te gaan. Als het er even op lijkt dat hij, als geste naar de in volstrekte verwarring verkerende lezer, orde wil scheppen in zijn verhaal en een keurig lijstje maakt van zijn personages, trekt hij dat houvast meteen weer onder je voeten weg.
In die lege ruimte van Patagonië, het land van de wind, ontploffen fantasie, ruimte en tijdsbesef. Hier regeert de pure vrijheid van de verbeelding. Dus lees je dat resten van een gordeldier worden omgebouwd tot een rijdende auto en verandert een vrachtwagen in een labyrint. De wind blijkt een almachtige magiër die, net als in speelfilms, kant-en-klare pokertafels kan laten aanvliegen. Het levert in de knappe vertaling van Adri Boon bizarre, hilarische scènes op. Maar er zit ook grimmig geweld in Aira’s boek. Wie een trouwjurk draagt zal lijden, wie in een auto vlucht zal worden vermorzeld en als vrouw kun je zomaar een monster baren, „harig en lichtgevend, lelijk en wanstaltig als een demon”.
De schepper van een dergelijk universum is op allerlei manieren schatplichtig aan het surrealisme. Vliegt de witte trouwjurk op tienduizend meter hoogte „met een majestueuze traagheid hoewel het eigenlijk heel snel moest gaan”, dan noteert Aira: cadavre exquis. Het is een van de technieken die Breton en andere surrealisten gebruikten om het onderbewustzijn te peilen en de verbeelding aan te jagen. Iemand schrijft daarbij een vervolg op een tekst van een ander, waarbij hij alleen de laatste regel onder ogen krijgt. Op die manier worden scènes aan elkaar geregen die onderling geen enkel verband hebben. Zo kun je De naaister en de wind zeker lezen.
Toch speelt dit boek, lijkt me, vooral met elementen uit een eerder universum van de verbeelding: dat van de Frans-Uruguayaanse negentiende-eeuwse dichter Lautréamont. Dankzij zijn cultboek Les chants de Maldoror werd de jonggestorven dichter (hij werd vierentwintig) een voorloper van het surrealisme. In dat vervreemdende boek staat een beroemde zin: een jongeman is „mooi als de toevallige ontmoeting van een naaimachine en een paraplu op de snijtafel”. De naaister en de wind lijkt er een echo van. Monsters, zwanen, verdwaalde reizigers, vliegende vissenstaarten, sneeuwpoppen – ze transformeren en banen zich een weg van het ene oeuvre naar het andere. Het is wonderlijker dan je je ooit had kunnen voorstellen.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC