Spaanse literatuur In zijn vierde roman beschrijft Jesús Carrasco hoe hij een oud huis opknapt waar hij niet kan blijven. Zo laat hij zien hoe mooi handmatig werk kan zijn.
Het ezeltje Belena speelt een belangrijke rol in de roman ‘Ode aan mijn handen’ van Jesús Carrasco. Foto Axel Krien
Wie is Jesús Carrasco? Die vraag is misschien wel het beste te beantwoorden door deze scène uit zijn laatste autobiografische roman Ode aan mijn handen (Elogio de las manos). De Spaanse schrijver zit met zijn familie in hun huis op het platteland en de Italiaanse koffiepot – een percolator – is stuk. Het plastic handvat is afgebroken. Carrasco besluit het ding op te lappen met een oud hoefijzer dat hij in tweeën snijdt en waarvan hij de helft in het gat duwt waar voorheen het handvat vastgeschroefd zat. „Ik was niet op zoek geweest naar een esthetisch of poëtisch antwoord op het probleem met de koffiepot”, schrijft Carrasco. „Ik wilde alleen maar koffie kunnen inschenken zonder mijn handen te branden.” Dat is Carrasco: praktisch ingesteld, maar met een dosis humor. Een man die oplossingen zoekt met materialen die voorhanden zijn. Die graag werkt met zijn handen en accepteert dat tijdelijke oplossingen ook goede oplossingen kunnen zijn.
Het zijn deze thema’s die Carrasco aansnijdt in Ode aan mijn handen en die ook al terugkwamen in zijn eerdere werk. Zowel De vlucht, zijn succesvolle debuutroman uit 2013, als De grond onder onze voeten (2016) speelden zich af in Extremadura, de straatarme streek waaruit hijzelf afkomstig is. Beide romans namen de relatie van de mens met de aarde als uitgangspunt, door Carrasco op een tastbare, zintuiglijke manier beschreven. Ook Terug naar huis (2021), zijn roman over een jongeman die uit Schotland terugkeert naar het Spaanse platteland om zorg te dragen voor het noodlijdende houtzagerijtje van zijn overleden vader, raakt aan die thematiek. Daar leerde de hoofdpersoon, via het werken met zijn handen tussen de aftandse schaafmachines en oude werktafels, zijn stugge vader herwaarderen.
En nu is daar zijn vierde roman, bekroond met de Premio Biblioteca Breve 2024 en een ware lofzang op handmatig werk. In eerste instantie verzamelde Carrasco veel krantenartikelen, films en boeken over het onderwerp – zoals Handen van de Britse psychoanalyticus Darian Leader of De ambachtsman van de socioloog Richard Sennett. Maar hoe dit tot een verhaal te verwerken, wist hij lange tijd niet. Tot hij zich realiseerde dat zich voor dit ‘handen’-boek wel degelijk een hoofdpersoon aandiende: het huis dat hij en zijn gezin ruim tien jaar bewoonden. In dit bouwval, gelegen in een klein stadje in Zuid-Spanje, mochten de schrijver met zijn vrouw en twee dochters gratis verblijven tot de eigenaar de financiering rond zou hebben voor een appartementencomplex en het met de grond gelijk zou worden gemaakt.
Dit uitgangspunt – de onzekerheid over de duur van het verblijf in de woning, gecombineerd met de krakkemikkige staat waarin het verkeert – levert uiteindelijk een ontroerend boek op over de schoonheid van het sleutelen. En niet alleen dat, want wat betekent het als je iets repareert waarvan je weet dat het slechts voor even is? Dit leidt tot een andere levenshouding dan wanneer je in een huis investeert om daarmee de toekomst te bestendigen. Werken zonder einddoel maakt iemand bewuster van het werk zelf, meent Carrasco, en dus zaagt en bouwt en klust de schrijver erop los, in de wetenschap dat niets perfect hoeft te zijn. Vandaar een koffiepot met een hoefijzer als handvat. Niet mooi, wel functioneel en, op een bepaalde manier, liefdevol, omdat het object anders al op de vuilnisbelt was terechtgekomen.
En zo zijn er meer dingen in het huis die vragen om herstel. Zo repareert Carrasco het krakkemikkige traliewerk van een van de ramen – een nutteloze actie omdat de deur, die toegang geeft tot deze ruimte, niet op slot kan. Hij bouwt een nieuwe constructie om de laaghangende pergola omhoog te krikken en dicht, samen met zijn vrouw, de kieren en scheuren in de muren. Ook rommelt hij met de elektriciteit waardoor uiteindelijk een binnenlamp alleen aangaat door een stekker in een opbouwstopcontact in de tuin te steken.
Allemaal kleine renovaties waardoor het huis langzamerhand een vertrouwelijke plek wordt waar zijn twee jonge dochters volop genieten van het buitenleven en ook steeds meer vrienden langskomen. Het huis wordt dan ook, naarmate de jaren verstrijken en de graafmachines op zich laten wachten, steeds voller: met kippen, muizen, honden en de oude, aandoenlijke ezel Belena.
Over die zorg, over dat tijdelijke leven en de durf om los te laten en vooral niet conservatief te zijn (in de zin van behoudzucht) gaat deze roman.
Het huis, de materialen, de reparaties en wat dat met een mens doet – de ‘vervoering’ die kan plaatsvinden omdat werker, werk en voorwerp soms even samenvallen – dat alles weet Carrasco liefdevol te beschrijven, iets wat in de rijke vertaling van Jos Kockelkoren goed tot uiting komt.
Soms schiet Carrasco iets te ver door in zijn hang naar het oorspronkelijke (zelfs het interieur van een plaatselijk café wordt afgekeurd), tegelijkertijd maakt hij ook inzichtelijk wat we tegenwoordig missen in een geglobaliseerde, uiterst virtuele wereld waarin datgene wat ons bindt met de aarde steeds meer verloren gaat.
Dat aspect weet hij overigens wel met de nodige dosis humor aan te stippen. Zo vraagt hij aan zijn jongste dochter hoe zij in de roman genoemd wil worden waarna zij, na enig denken, zegt: R2-D2, naar een robot uit het fictieve Star Wars-universum. Een onmogelijke naam waar de schrijver in het begin van zijn boek braaf aan vasthoudt, tot hij het niet meer trekt omdat een zin als „we stapten de van grasgeur doortrokken dorp lucht in. R2-D2 was toen nog niet geboren”, te absurd klinkt. Hij vraagt zijn dochter dan ook of ze misschien toch iets anders wil verzinnen, waarna ze, na enig mokken, met haar nieuwe naam komt: Berta.
Hoe Berta, zijn dochter Maria en zijn vrouw Anaïs (eveneens fictieve namen) uiteindelijk van hun tijdelijke woning een thuis maken, en wat dat betekent, ‘wonen’, geeft hij op een treffende wijze weer in een passage waar hij beschrijft hoe een ruimte en haar bewoners elkaar wederzijds aanvullen. „Wie bewoont (...) draagt elke dag luchtstromen aan die vocht afvoeren en de constructie gezond houden (...) Wie bewoont, draagt geuren over die in de muren en meubels strijken: tabak, bloemkool, soep uit een pakje of eigengemaakte, gebakken vis, terpentine, luiers, verf, bleekwater, een takje gedroogde rozemarijn, vuile schoenen en kleren. Ochtend- en middagkoffie en pasta met tomatensaus, kip van het spit, stijfsel, een bosje bloemen, mosselen. En de talrijke geheimen van de intimiteit.”
Het is dan ook niet zo gek dat Carrasco, op het moment dat het gezin na vele jaren het huis voorgoed moet verlaten, er toch moeite mee heeft. Ze waren ‘slechts passanten’, schrijft hij, dat wist hij al die tijd, maar „ik weigerde afscheid te nemen van deze plek die inmiddels zo sterk met ons en met onze persoonlijke geschiedenis was verweven. Ik had me aan een huis gehecht dat niet van ons was en ik wilde die band niet zomaar verbreken.” Liefde ten volle ervaren, vanuit de onthechting, dat is wat Carrasco wilde nastreven. Dat is ook wat hij tot uiting wilde brengen in dit boek. Maar hij komt erachter dat hij toch menselijk is, en dat hij te veel waarde hecht aan dat waar zijn hart vol van is.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC