Ondermijning Het oogt verdacht: straten vol beautysalons zonder klanten, maar met hoge huren. Maar volgens het WODC draait het gros van de zaken legitiem op klandizie en speelt het in op de bourgondische levensstijl van Nederlanders. „We besteden simpelweg meer aan uiterlijke verzorging.”
Een zonnebankstudio.
Wie op een woensdagmiddag door de Rijnstraat en Van Woustraat in Amsterdam loopt, ziet achter de ramen van de talloze beautyzaken veel lege stoelen, of geen licht branden. Een medewerkster van een massagesalon kijkt een film, in afwachting van klanten die niet komen.
Vooroordelen genoeg over de beautybranche, blijkt uit de reacties onder een socialemediapost over badeendenwinkels. Al snel gaat het niet meer over badeenden: „Kappers. Het enige dat gewassen wordt, is geld. De Belastingdienst kijkt de andere kant op; om een bijstandsmoeder aan te pakken wegens een aftrekpostje.” Een ander: „Zit geen hond binnen, maar op papier een omzet van jewelste natuurlijk. En zo wassen ze de poederopbrengsten wit.” De teneur: er móét iets crimineels aan de hand zijn, met dat soort zaken.
Met deze opmerkingen begint een recent verschenen rapport Schone zaken van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC). Het maatschappelijk ‘debat’, waarvan de citaten ter voorbeeld dienen, én het feit dat Kamerleden en opsporingsdiensten al jaren met argusogen naar de beautysector kijken, was reden genoeg voor het ministerie van Justitie en Veiligheid om het WODC te vragen feit van fabel te scheiden. Onder de loep werden genomen: kappers, nagelstudio’s, massagesalons, zonnestudio’s en tattooshops. Wat gaat schuil achter de ramen van deze ondernemingen?
Het antwoord, zo blijkt uit het rapport: heel weinig. Conclusie van de onderzoekers: het idee dat de beautywereld massaal wordt misbruikt door de onderwereld voor witwassen of drugsproductie, is vooral een publieke misvatting.
In de Van Woustraat wil niemand van de zaken wat kwijt – behalve Glenn van Dijke (50), die al 25 jaar de kapsalon Headquarters runt. Hij zag de buurt De Pijp in een paar decennia drastisch veranderen. „Vroeger zat hier een bank, een groenteboer, een postkantoor. Nu bijna alleen nog beautyzaken.” Vooral tijdens de coronacrisis schoten ze als paddenstoelen uit de grond. „In die tijd werd ik zelfs door de politie gewaarschuwd: pas op voor mensen die aanbieden te investeren in je zaak.”
Van Dijke begrijpt de argwaan. „Natuurlijk is het vreemd dat er zóveel salons zijn, zonder zichtbare klandizie.” Hij rekent het snel voor: „Alleen al aan huur betaal ik 2.500 euro per maand. Dan heb ik het nog niet over personeel, belastingen en verzekeringen. Met een knipbeurt van zo’n 35 euro moet je dan flink doorwerken om alleen al quitte te spelen.”
Ja, er zijn wel gevallen van crimineel geld dat in een beautysalon werd geïnvesteerd, of nagelstudio’s die opvallend veel aceton bestelden – een oplosmiddel dat ook wordt gebruikt voor het uitwassen van cocaïne, legt WODC-onderzoeker Paul Gruter telefonisch uit. En zo nu en dan doken ook wat dubieuze investeringen op in het onderzoek. „Iemand met een crimineel verleden die ineens meerdere beautysalons opent, dat doet vermoeden dat er misdaadgeld in zit.” Maar dat zijn incidenten, niet meer dan gerommel in de marge.
Waarom strookt het beeld over de branche dan niet met de onderzoeksresultaten? De beautybranche is – in tegenstelling tot bijvoorbeeld de transportsector – geen belangrijke schakel in de drugscriminaliteit, staat in het WODC-rapport. En de zaken hebben een te kleine omzet om op grote schaal mee te witwassen.
In het onderzoek werden bovendien niet alle criminele activiteiten meegenomen die mensen associëren met schoonheidssalons. De onderzoekers keken alleen naar „criminele ondermijning”, zegt Gruter. Alleen als een beautyzaak door georganiseerde misdaad wordt ingezet om geld wit te wassen of drugsproductie te faciliteren, is daar sprake van. Zaken die in het publieke debat vaak óók onder die noemer vallen – zwart werk, uitbuiting of belastingontduiking – vielen buiten de definitie van structurele ondermijning. Of die vormen van criminaliteit wel voorkomen bij beautyzaken, is door het WODC niet onderzocht.
Het beeld van kapperzaken als witwas-walhalla’s, wordt deels veroorzaakt door vooroordelen over cultuurverschillen. Neem barbershops. „Wij Nederlanders kijken vreemd aan tegen zaken waar familie of vrienden rondhangen, of waar naast knippen ook een taart wordt verkocht”, zegt Gruter. Dat kennen we niet, vinden we dus verdacht. „Terwijl zo’n informele, multifunctionele bedrijfsvoering in andere landen juist heel gebruikelijk is,” legt de onderzoeker uit.
Kwetsbaar is de beautysector wel. Gruter: „Er gaat veel contant geld in om, de waarde van diensten is lastig in te schatten en het aantal klanten moeilijk te controleren.” Bovendien is sprake van een lage instapdrempel. „Iedereen kan een kapperszaak, nagelstudio of tattooshop openen. Alleen voor die laatste gelden GGD-hygiënecontroles. Voor zonnestudio’s bestaan richtlijnen, maar geen strenge verplichtingen.”
Volgens WODC-onderzoeker Gruter heeft de groei van beautysalons vooral te maken met de bourgondische levensstijl van Nederlanders. „We besteden simpelweg meer aan uiterlijke verzorging. Dertig, veertig jaar geleden gingen mensen veel minder vaak naar de kapper of naar een massagesalon. Tegenwoordig is dat een welvaartsverschijnsel dat we ons kunnen veroorloven.”
Source: NRC