Home

Wat te doen als je bloedvaten ‘moeilijk te prikken’ zijn?

Durf te vragen ’Moeilijke bloedvaten’ kunnen verschillende oorzaken hebben. Hoe kun je ze toch goed prikken?

Een donor geeft bloed bij de bloedbank.

Onlangs plofte deze vraag bij NRC op de digitale deurmat: „Ooit ben ik een paar jaar bloeddonor geweest, maar dat moest ik beëindigen omdat het een heel vervelende ‘operatie’ werd met veel peuren en blauwe plekken. Nu moet ik soms bloed afstaan voor controles. Dat gaat steeds moeilijker: men kan geen vat vinden, prikt opnieuw, of gaat onderhuids borduren op zoek naar een vat... Het is zeer onprettig voor mij, maar ook voor de bloedafnemer. Bestaan er geen eenvoudige apparaatjes om het vat op te sporen?”

Een vervelend verhaal. Het kan spelen bij diagnostiek of controle, bij bloeddonatie of het aanleggen van een infuus. Hoeveel mensen ‘moeilijk prikbaar’ zijn, is niet goed bekend én verschilt per context. Van ‘complexe patiënten’ die een infuus nodig hebben, is bijna 60 procent lastig te prikken, maar bij gezonde mensen is het percentage veel lager.

‘Moeilijke vaten’ kunnen verschillende oorzaken hebben, vertellen Kai-Anne Grotenhuis, donorarts bij bloedbank Sanquin, en haar collega Dorris Krebbekx, zelf een ervaren prikker. „Er zijn aangeboren factoren, zoals waar en hoe diep de aders liggen en hoe smal ze zijn”, zegt Grotenhuis. „Bij ouderen, maar ook bij mensen met hart- en vaatziekten of chemopatiënten, zijn de aderen en de weefsels eromheen minder stevig. Dat maakt het lastiger. De ader kan ook ‘wegrollen’ als je hem wilt aanprikken.” Ook overgewicht kan aders lastig vindbaar maken – of spiermassa. Krebbekx: „Vorige week hadden we een bodybuilder. Dat was wel even een uitdaging.”

Prikkers met ervaring

En dan zijn er tijdelijke factoren: door kou, uitdroging of spanning kunnen vaten samentrekken en zijn ze lastiger te vinden. Patiënten krijgen daarom het advies de handen te wassen met warm water, goed warm te blijven, water te drinken en afleiding te zoeken.

Heel belangrijk is de ervaring van de prikker, benadrukt Krebbekx. „Wij doen al snel tientallen afnames per dag”, vertelt ze. „Het is een kwestie van heel goed voelen. Waar de ader ligt, maar ook onder welke hoek je prikt en hoe diep. Het ‘wegrollen’ van een ader kun je meestal voorkomen door het vat met je andere hand strak te leggen. Zelf sta ik ook weleens met zweet op de rug, maar meestal lukt het gewoon.”

Mensen voor wie elke afname een hel is, ziet Grotenhuis niet, „want onze donoren zijn per definitie gezond. En als het prikken toch problemen geeft, dan blijven ze niet lang donor.” Sanquin gebruikt dus geen infrarood- of echohulpmiddelen om de vaten te vinden.

Maar patiënten die controles hebben, zoals onze briefschrijver, hebben geen keus. „Wij zien weinig écht lastige gevallen, minder dan 0,5 procent”, zegt Ina Diermanse van Certe, een organisatie voor diagnostiek en advies voor de gezondheidszorg. Dat patiënten zelf een apparaatje aanschaffen, heeft ze nog niet gehoord. „In onze ervaring voegen die hulpmiddelen weinig toe”, zegt ze. „Hooguit bij jonge kinderen. Maar meestal zit het probleem in de kwaliteit van de vaten. Dat los je niet op met zo’n apparaatje. En dan nog: die zijn kostbaar, en welke kies je dan? Het geeft meer gedoe dan dat het iets oplevert.”

Is er dan geen hoop voor de briefschrijver? Jawel: sommige grote ziekenhuizen hebben een speciale prikpoli voor moeilijke gevallen. Zij gebruiken echo als hulpmiddel. „In onze regio ken ik zulke poli’s niet”, merkt Diermanse op. Maar ook zij weet: „Bij een ervaren prikker lukt het eigenlijk altijd.”

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Source: NRC

Previous

Next