Duizenden jaren voor de oude Egyptenaren en de bewoners van Chili, waren Zuidoost-Aziatische mensen al druk in de weer met het zo goed mogelijk mummificeren van de doden. Hun manier: zet de overledene weken, of zelfs maanden, in de rook.
Maarten Keulemans is wetenschapsredacteur bij de Volkskrant, gespecialiseerd in klimaat en microleven.
Dat werpt licht op een oud raadsel: waarom er in Zuid-China, Vietnam, Thailand en Indonesië en Maleisië geregeld prehistorische menselijke resten opduiken met schroeiplekken op de botten, soms met het hoofd er los bij. Mislukte crematies?
Totdat bij archeoloog Hsiao-chun Hung van de Nationale Australische Universiteit in Canberra het kwartje viel. De resten doen haar denken aan een gebruik dat ze kent van het hedendaagse Nieuw-Guineaanse bergvolk de Dani. Die bewaren hun doden door ze langdurig boven een vuurtje te roken, waarna men de lichamen bewaart en ze bij religieuze feesten weer naar buiten haalt.
Gedetailleerd, technisch onderzoek van prehistorische 54 begrafenissen verspreid over Zuidoost-Azië geeft Hung nu gelijk. De botten van de meeste doden blijken vol te zitten met bepaalde mineralen, die alleen maar ontstaan bij verhitting tot boven de 525 graden. De oudste onderzochte exemplaren zijn zo’n 12 duizend jaar oud, wel vijfduizend jaar ouder dan de tot dusver oudst bekende mummies, uit Chili.
Waarschijnlijk werden de doden op een stellage boven een vuur geplaatst, en niet bijvoorbeeld rondgedraaid aan een spit. Zo had een van de doden voetbotten die enorm heet moeten zijn geworden, maar ook een tand zonder sporen van extreme hitte. Een teken, dat men de dode rechtop boven een vuurtje had gezet.
Dat bij sommige doden de hoofden los zijn, kan duiden op een rituele nabehandeling, of op pech: misschien kwam het hoofd na het roken spontaan los. Ook zitten er op sommige botten snijsporen. Een aanwijzing voor magie, opperen Hung en collega’s, in vakblad PNAS. Van onder meer Australische Aboriginals is bekend dat ze soms stukjes vlees van gerookte doden afsnijden om er amuletten van te maken.
De mensen die de praktijk tot zo’n vierduizend jaar geleden beoefenden, moeten jager-verzamelaars zijn geweest. Waarschijnlijk werden de doden eerst stevig vastgebonden. Dat zou verklaren waarom ze vaak in onnatuurlijke poses worden gevonden, met hoog opgetrokken knieën en samengevouwen armen.
Het is geen toeval dat men in Zuidoost-Azië tot het roken van doden komt, betoogt Hung. In Egypte is het dermate droog dat doden er, na wat voorbewerking, vrij gemakkelijk mummificeren. Op andere plekken – zoals hoog in de Andes – werkt de droge kou mee. Zo’n voordeel hebben mensen in het warme, vochtige Zuidoost-Azië niet.
Rook droogt een lichaam niet alleen uit, maar ontdoet het ook van bacteriën. Dat ‘stelt mensen in staat toe om fysieke en spirituele banden te onderhouden met hun voorouders, als overbrugging van de tijd en het geheugen’, schrijven de onderzoekers plechtig.
Een ander markant hedendaags voorbeeld van het roken van doden dat Hung aanhaalt is dat van de Anga in Nieuw-Guinea. Dat volk rookt zijn notabelen, en plaatst ze vervolgens in een inham in een rotswand. ‘De mensen geloven nog steeds dat de geest van de dode overdag vrijelijk rondzwerft en ’s nachts terugkeert naar het gemummificeerde lichaam’, aldus Hung.
Luister hieronder naar onze wetenschapspodcast Ondertussen in de kosmos. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Alles over wetenschap vindt u hier.
Source: Volkskrant