Een vriend van mij, een Zwitserse museumdirecteur, adviseerde me de Wolfgang Tillmans-tentoonstelling in het Centre Pompidou te gaan zien.
Parijs was nazomers, van Tillmans begreep ik weinig, al vond ik het sympathiek dat de foto’s met plakband aan de muur waren bevestigd. De titel van de tentoonstelling luidde: Nothing Could Have Prepared Us – Everything Could Have Prepared Us. Zeker, maar waarop hadden we voorbereid moeten zijn?
Voor de voorzichtige en de betrokkene komt het leven neer op een lange voorbereiding, de escapist rent voor de catastrofe uit.
Tillmans indachtig bereid ik me voor op het feit dat de catastrofe me zal inhalen terwijl ik aan het rennen ben.
In de cafés, restaurants en nachtclubs van Parijs plukte men aan een servet of aan elkaar, ietwat gedachteloos, alsof de catastrofe al door de straten waarde.
Van Parijs reisde ik door naar Tel Aviv, niet als toerist, haast ik mij te zeggen. Voor een boek, non-fictie, getiteld Van Auschwitz naar Gaza. Gesprekken met slachtoffers, daders en hun buren. De buren zijn altijd het interessantst.
De zomer brandde voort. Ik voerde gesprekken, werkte aantekeningen uit, ’s avonds at ik in een restaurant tegenover mijn hotel waar de pasta even goed was als in Italië. Men moet blijven eten. Maar toen een jongeman met een baard mij een nachtclub naast het restaurant probeerde binnen te lokken met de belofte dat het tussen middernacht en 2 uur ’s ochtends happy hour was (van een happy hour op dat uur had ik nog nooit gehoord) zei ik, ‘nee’, want er zijn grenzen. Op elk gebied.
De avond erop voerde ik een kort gesprek met een Japanse sushichef. ‘Waarom werk je in Tel Aviv?’, vroeg ik.
‘Hiervoor werkte ik in Griekenland, maar het sushirestaurant ging failliet’, antwoordde hij terwijl hij het mes vakkundig hanteerde.
Ik zei het al, de buren zijn het interessantst.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant