Home

De eerste souvenirs: wat de Engelse adel in Italië kocht, is nu te zien in het Mauritshuis

Grand Tour Jonge Britse graven en baronnen maakten in de 17de en 18de eeuw vaak een ‘grand tour’ door Europa. De kunstwerken die ze uit Italië meenamen, zijn nu te zien in het Mauritshuis. „Wat de Italianen niet uit de grond konden halen, gingen ze produceren.”

Holkham Hall, nu bewoond door de achtste graaf van Leicester

In de schaduw onder de bomen van landgoed Holkham Hall staan plukjes reeën te grazen. De ontvangsthal van het oude Engelse landhuis staat vol marmeren zuilen en Italiaanse sculpturen. Een roodbehangen kamer die vroeger als kleedruimte bedoeld was, heet nu de Landschappenkamer en doet die naam eer aan; van vloer tot plafond hangen er schilderijen aan de muur van Italiaanse landschappen.

In de bibliotheek staan familiefoto’s op de tafels tussen kasten vol historische boeken. Bruiloften, innige omhelzingen met een hond, zomerse zeilboten. De achtste graaf van Leicester, Thomas Edward Coke, woont hier met zijn gezin. Je went eraan, op zo’n groot landgoed wonen, zegt hij. „In elk geval kom je gemakkelijk aan je acht- of tienduizend stappen per dag.” Hij is een nakomeling van de eerste graaf van Leicester, Thomas William Coke, degene die dit landhuis liet ontwerpen.

De meeste kunstwerken kocht de eerste graaf tijdens zijn reizen naar het vasteland van Europa, vooral naar Italië. In de zalen en gangen hangen manshoge geschilderde portretten van hun familie of scènes uit mythische verhalen. Vaak staan de bordjes met namen van de kunstenaars er apart onder. Pompeo Batoni, Giuseppe Chiari, Claude Lorrain.

Interieur van Burghley House, Lincolnshire

Een aantal van de werken die hier in Holkham Hall aan de muur hangen, is dit najaar uitgeleend aan het Nederlandse Mauritshuis. In Den Haag opent 18 september de tentoonstelling The Grand Tour – Bestemming Italië. De expositie laat kunstwerken zien uit drie vooraanstaande landhuizen in Engeland. Naast Holkham Hall, dat ligt in Norfolk, lenen ook Burghley House in Lincolnshire en Woburn Abbey (Bedfordshire) stukken uit hun collectie uit. Het zijn schilderijen, tekeningen en objecten die niet eerder in Nederlandse musea te zien waren.

Begin van toerisme

Het landhuis en de collectie van Thomas William Coke „vormen samen het perfecte voorbeeld” van de Grand Tour als fenomeen, vertelt Maria de Peverelli, hoofd van de collectie van Holkham. „Het huis en de collectie zijn voor elkaar ontworpen en hebben zich samen ontwikkeld. Veel hangt hier nu nog ongeveer zoals Coke het bedoeld had. Op een paar werken na, die helaas verkocht zijn.” Nabestaanden verkochten soms kunst om hun belastingen te kunnen betalen. Een paar tekeningen van Leonardo da Vinci die Coke kocht, zijn nu bijvoorbeeld in het bezit van de Amerikaanse miljardair Bill Gates.

Als tiener, hij was nog maar vijftien jaar, volgde Coke de trend voor de jonge en rijke Britse adel om een Grand Tour te maken. In 1712 ging hij voor het eerst op reis naar Europa om daar over kunst te leren en om te kopen wat hij mooi vond voor zijn huis. „Zijn aankopen waren bijzonder goed gedocumenteerd”, zegt Maria de Peverelli. „We weten precies waar hij heen ging en waar hij geld aan uitgaf.” Coke had onderweg begeleiding van een leraar en een gouverneur, die beiden hoogopgeleid waren en wisten waar ze moesten zijn in Rome, Venetië of Napels.

In de zeventiende en achttiende eeuw beleefde de Grand Tour als verschijnsel een hoogtepunt. De reizen, die zomaar een paar jaar konden duren, staan bekend als het begin van het moderne toerisme. De schilderijen, objecten en sculpturen die de Britten kochten als herinnering van hun reis, waren souvenirs avant la lettre. De jonge adel nam ook de Italiaanse mode over, met hoge witte pruiken en strakke broeken. Thuis in Engeland kregen ze als bijnaam macaroni’s. „Een denigrerende verwijzing naar alles wat Italiaans was”, staat in het boekje The Grand Tour van de Britse auteur Mike Rendell.

Angelica Kauffman, Portret van Brownlow Cecil, 1764, Burghley House

De Grand Tour werd als overgangsritueel gezien, als afsluiting van hun opvoeding voor de jonge elite. Maar de aristocraten vulden hun reis naar het vasteland niet allemaal hetzelfde in. Voor sommige losbandige types waren drank, gokken en seksuele uitspattingen hoofdzaak, maar er waren ook professionele verzamelaars die zich wijdden aan het maken van de juiste keuzes voor hun kunst. De door hen aangeschafte, grote geschilderde landschappen en portretten lieten ze ingepakt in grote dozen naar Engeland verschepen.

Andere aristocraten waren vooral op jacht naar souvenirs die gemakkelijker te vervoeren waren: fossiele stenen, munten of snuiftabaksdozen. Lang niet al die voorwerpen waren origineel of van hoogstaande kwaliteit, schrijft Rendell. Vervalsingen en slechte kopieën waren in overvloed aanwezig en daaromheen ontstond een nieuwe industrie: „Wat de Italianen niet uit de grond konden halen, gingen ze zelf produceren in pottenbakkerijen of kleine fabrieken in achterafstraatjes.”

Interieur van Holkham Hall, Norfolk

Schatbewaarder

John Cecil en Anne Cavendish, de vijfde graaf en gravin van Exeter, gingen maar liefst vier keer op Grand Tour en „gaven hun geld uit alsof het zijn waarde zou verliezen”, vertelt John Culverhouse. „Eerlijk is eerlijk, ze wilden pronken met hun welvaart en goede smaak.” Culverhouse is conservator van landgoed Burghley House en woont zelf ook op het terrein, al jaren. De graaf en gravin wilden, dit was in de tweede helft van de zeventiende eeuw, een soort Europees paleis van Burghley House maken.

Als stel vormen zij een belangrijk onderdeel van de tentoonstelling in Den Haag, samen met hun achterkleinzoon Brownlow Cecil, de negende graaf, die twee keer een Grand Tour maakte. De nazaten van Cecil wonen nog steeds in Burghley House. Op de begane grond van het landhuis vermengen antiek meubilair en sierplafonds zich met tafels vol legobouwwerken van de kinderen. De huidige bewoners lenen bijvoorbeeld een portret van Brownlow Cecil uit 1764 uit aan het Mauritshuis. Het werd gemaakt door Angelica Kauffman, in die tijd een vooraanstaand en populair kunstenares.

De plafonds van de dinerzalen in het landhuis zijn beschilderd met mollige cherubijnen en Olympische goden en godinnen. In de gastenverblijven hangen overal schilderijen en mozaïeken, en de kabinetten en vazen komen ook bijna allemaal uit Europa. John Cecil kocht meer dan driehonderd schilderijen op zijn reizen, zegt conservator Culverhouse: „Moet je je voorstellen dat zijn personeel thuis weer zo’n stel grote dozen zag aankomen. Wat heeft hij nu weer aangeschaft, moeten ze gedacht hebben.” Ze lieten de werken over water vervoeren, vanaf Felixstowe aan de kust over kanalen het binnenland in.

William Cecil, de voorvader van John Cecil en de eerste baron van Burghley, was in de zestiende eeuw één van de machtigste mannen van Engeland. Hij was jarenlang de belangrijkste adviseur van koningin Elizabeth I en beheerde haar vermogen. Culverhouse: „Hij kreeg betaald met stukken land, kocht daar zelf weer nieuwe stukken bij en bouwde zo zijn rijkdom op.”

Andere aristocraten financierden de reizen en uitspattingen van hun zoons – en soms ook dochters – met dubieus geld dat ze in de Britse koloniale gebieden en met slavernij verdienden. Maar volgens auteur Mike Rendell heerste in die tijd vooral kritiek op het feit dat de Engelse elite haar vermogen, „mogelijk miljoenen ponden”, uitgaf in het buitenland, in plaats van het in de eigen economie te investeren. „Economen gingen los op de extravagantie ervan.” Vervoer, accommodatie en begeleiding moesten allemaal betaald worden, nog los van de uitgaven aan kunst.

Souvenirs te koop

Na de Franse revolutie in 1789 en tijdens de Napoleontische oorlogen daarna, werd reizen door Europa moeilijker en gevaarlijker. En begin negentiende eeuw kwam de stoomtrein op, waardoor de reizen hun exclusiviteit verloren. Door technologische ontwikkelingen en gemakkelijker import daalden de voedselprijzen in Engeland en verloor de aristocratie aan welvaart en relevantie. De belastingen op landbezit stegen en ook de beide Wereldoorlogen hakten erin, toen de regering beslag legde op veel landhuizen om ze te gebruiken als ziekenhuizen of voor wapenopslag.

Interieur van Holkham Hall, Norfolk

Tegenwoordig halen eigenaren van de landgoederen die de moeilijke tijden overleefden, zelf een aanzienlijk deel van hun inkomsten uit toerisme. In Stamford verkoopt de Court-yard Shop van Burghley House onderzetters, mokken en sleutelhangers met tekeningen van het landhuis. En boeken over de geschiedenis van Engelse landhuizen. Op het landgoed worden geregeld klassieke concerten, boerenmarkten en paardenwedstrijden georganiseerd.

Op het landgoed van Holkham staat een viersterrenhotel en er zijn bruiloften mogelijk, met een ceremonie in de marmeren entreehal. Bij het landhuis zit een souvenirwinkel waar hondensnoepjes, lokale bessenjam en stevige buitenkleding te koop zijn. Hun landhuis is drie dagen per week geopend voor publiek, vertelt graaf William Coke van Holkham Hall. Ze krijgen ongeveer 45.000 bezoekers per jaar. Buiten op het hele terrein zijn dat er veel meer, daar komen tussen de 250.000 en 300.000 bezoekers fietsen, paardrijden of met hun hond wandelen.

Hij en zijn vader, de zevende graaf van Leicester, hebben hun best gedaan de originele inrichting van het interieur zoveel mogelijk te behouden. „Het zou wat arrogant voelen om veel te veranderen. Thomas Coke heeft zich jaren in zijn kunst verdiept, wie zijn wij dan om zijn concept te verstoren? Om de zoveel jaar kopen we nieuwe vloerkleden, dat wel, want die slijten nogal.”

Source: NRC

Previous

Next