Home

‘Een van mijn collega’s keek mij heel indringend aan en zei: jij was echt aan het rammen’

Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Richard Stegeman (44) moest als aspirant-agent surveilleren tussen dronken horecabezoekers, terwijl hij net vier doden had gezien.

is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.

‘Het ziet er niet goed uit’, waarschuwde een collega me. ‘Je mag komen kijken, maar het hoeft niet.’

‘Daar stond ik, aspirant-agent, nog in opleiding, op een zaterdagnacht bij een auto die in Jirnsum te water was geraakt. Overal stonden ambulances, brandweerwagens en politieauto’s met hun koplampen gericht op de sloot.

‘Ik zag een spoor van brokstukken van een auto waarvan ik dacht dat het een zwarte Audi A4 was. Tot bijna 100 meter verspreid van een zwaar gehavende eik lagen delen van de carrosserie, de motor, een bumper – dit was duidelijk hard gegaan.

Verrekte hard

‘Het wrak lag in de sloot zonder dak, dat had de brandweer er al afgeknipt. Op de achterbank zat een dode. De bestuurder was eruit geslingerd en lag aan de overkant van de weg, al toegedekt met een oranje kleed. Achter de auto lag iemand nog onbedekt op z’n buik in de sloot. Ik stond er verbijsterd naar te kijken.

‘Ik liep de sloot in, zag de snelheidsmeter liggen onder de bestuurdersstoel, haalde die uit het wrak en legde hem op de wal. Hij was ‘bevroren’ op 160 kilometer per uur, op een landweggetje waar je maar 60 mocht.

‘Op de voorbumper stonden de vier ringen van het Audilogo, en het type: S8. Die is veel groter dan de A4, terwijl ik autotypes redelijk goed kan herkennen. Kun je nagaan hoe verrekte hard dat was gegaan.

In shock

‘Een collega zei: ‘Bij onze dienstauto staat een mogelijk familielid. Wil jij daar even heen gaan?’ Ik liep naar een man die in shock was, ging met hem in onze auto zitten en vroeg: ‘Wie bent u?’ Er kwam geen zinnig woord uit. ‘Zit mijn broer daarbij in?’, vroeg hij. Toen dacht ik: kak, dit is een direct familielid. Heftig. Ik stelde vragen: ‘Wie is je broer? Hoe ziet hij eruit? Wat voor lichamelijke kenmerking heeft hij? Littekens? Tatoeages? Waar is hij vanavond geweest, en met wie?’ Ik schreef alles op.

‘Toen vroeg hij me nog een keer: ‘Is het mijn broer?’ ‘Dat weet ik echt niet, jongen’, antwoordde ik. ‘Maar het ziet er niet goed uit’. Een poosje zaten we nog doodstil in de auto. Toen ging ik de informatie doorgeven aan collega’s.

‘Ik zag hoe de auto werd opgetakeld en daaronder nog een vierde dode op z’n buik in het water lag, en hoe alle doden werden geborgen. Daarna gingen we terug naar het bureau voor een debriefing, omdat we allemaal iets heel ingrijpends hadden meegemaakt. Ik kon alles goed relativeren. Dácht ik.

Uitgaansgebied

‘Op een gegeven moment komt de vraag: zitten we er goed bij? Yes! We gaan. Dus rond half drie ’s nachts reden we naar het centrum van Leeuwarden, omdat we die zaterdagavond horecadienst hadden. Dan surveilleer je te voet tussen de dancings en bars in het uitgaansgebied. Je zit ineens in een heel andere wereld, tussen feestvierende, dronken mensen.

‘Tegen de ochtend, toen de cafés dichtgingen en iedereen een vette hap haalde bij de shoarmazaak, kwam de melding dat in de Oude Doelesteeg agressie ontstond. We liepen daar met een man of zes naartoe. Twee groepen jongeren stonden tegenover elkaar, ze wilden knokken. ‘Wegwezen! Die kant op!’, riepen wij, en we vorderden iedereen de steeg te verlaten.

‘Sommigen luisterden niet, dus we begonnen te duwen: weg hier! Het werd grimmig en ze richtten zich ook tegen ons. Op een gegeven moment riep een collega: ‘Trek wapenstok!’ We waarschuwden nog één keer: ‘Verlaat het gebied, anders gaan we geweld gebruiken.’

‘Een van die jongeren riep tegen een collega: ‘Ik maak je dood.’ Toen trokken we onze wapenstokken en sloegen ze letterlijk de steeg uit. Dat gaat hard hoor, dan gaan wij echt op linie voorwaarts met z’n allen en dan sla je erop.

Schakelen

‘Het lukte: iedereen vertrok en de rust keerde terug. Bij onze dienstauto’s praatten we even na. Toen keek een van mijn collega’s mij heel indringend aan en zei: ‘Jij was echt aan het rammen.’ Op dat moment realiseerde ik me: jezus christus, ik zit helemaal niet goed in m’n vel. Een paar uur geleden stond ik tussen vier doden en sprak ik een aangeslagen nabestaande, en vervolgens sla ik in een steeg vol dronken koppies die niet willen luisteren mijn frustratie eruit.

‘Je moet enorm schakelen. Ik heb ervan geleerd dat je heel goed moet beseffen dat een heftig incident, of het nou een treinspringer, een ongeval of wat dan ook is, doorwerkt in de rest van je dienst en misschien zelfs langer. En dat is dus van invloed op hoe je reageert.

‘Sindsdien benoem ik het altijd even tegen collega’s als ik iets ingrijpends heb meegemaakt, en zeg ik: ‘Misschien is het beter als jij nu even het voortouw neemt.’ Heftige incidenten schrijf ik ook altijd op, ik schrijf ze letterlijk van me af. Dat lucht op, net als erover praten. Dan ben ik het kwijt.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next