Home

In verwoest Aleppo
sterft langzaam de hoop

Syrië bouwt aan een nieuwe toekomst sinds dictator Bashar al-Assad is verdreven. De verkiezingen van deze week zijn daarin een volgende stap. Hoe verloopt de wederopbouw na de jarenlange burgeroorlog?

Door Jenne Jan Holtland

Fotografie Bülent Kiliç

Op de dag dat Abu Abdo terugkeerde naar huis, prees hij God en huilde hij tranen van vreugde. Twaalf jaar lang had hij zijn wijk niet gezien. Twaalf jaar lang had hij noodgedwongen in buurland Turkije doorgebracht. Jaren waarin zijn zoons getrouwd waren en kleinkinderen hadden voortgebracht. Nu is de pater familias terug in de kapotgeschoten straten van zuidelijk Aleppo, de wijk waar hij ooit opgroeide.

Wat doet een verloren zoon die na jaren terugkeert?

De 64-jarige kleermaker, geboren als Mohammed Zibdiye ( ‘Abu Abdo’ voor vrienden), droogde zijn tranen en veegde zijn stoep schoon. Te midden van de verwoesting knapte hij zijn kleine appartement op. Zijn zoons en hij hadden 10 duizend euro aan spaargeld. Het regime van oud-dictator Bashar al-Assad was gevallen, er was weer ruimte om te dromen. Het resultaat mag er zijn: de tegels zijn nieuw, de deurbel is nieuw, de keuken is nieuw. Door de openstaande balkondeuren waaien de geluiden van de stad naar binnen.

Kleermaker Mohammed Zibdiye is na twaalf jaar teruggekeerd naar Aleppo.

Vanaf maandag zijn er parlementsverkiezingen in Syrië – op papier een belangrijk moment in de transitie naar een nieuwe politieke toekomst. In de praktijk klinkt er echter kritiek. De stembussen zullen niet opengaan voor de gewone man, maar alleen voor een selecte groep van zevenduizend notabelen en experts die speciaal door provinciale comités zijn gekozen. Logistiek kan het land nog geen ‘echte’ verkiezingen aan, verklaarde de regering van interim-president Ahmad al-Sharaa. Een derde van de parlementariërs zal sowieso door Sharaa worden benoemd.

Door dit alles zijn de verwachtingen laaggespannen. Voor mensen als Abu Abdo is de politiek hoe dan ook een parallel universum, ver weg van de dagelijkse zorgen. In heel Aleppo, de tweede stad (2,1 miljoen inwoners) van het land, zijn er weinig plekken die zo zwaar geleden hebben als zijn woonwijk, Sukkari.

Een meisje wandelt met haar vader in de wijk Sukkari. Met de wederopbouw van de wijk moet eigenlijk nog worden begonnen.

In 2011, bij het begin van de volksopstand tegen Assad, behoorde Sukkari tot de wijken waar men als eerste de straat opging. De daaropvolgende wraak van Assad is in het straatbeeld terug te zien: veel huizen zijn weggebombardeerd en nooit heropgebouwd. Aan alles is een gebrek – elektriciteit, stromend water, banen. De lokale kapper heeft geen vast tarief, en zegt: ‘Klanten betalen wat ze zich kunnen veroorloven.’

Zo eenvoudig als het klinkt, ‘wederopbouw’, zo weerbarstig is de realiteit. Er zijn wijken in (westelijk) Aleppo die altijd onder controle hebben gestaan van het regime en waar de verwoesting meevalt. Maar in de opstandige wijken is de destructie en armoede immens. Van grootschalige wederopbouw is nog geen sprake, daar heeft Syrië niet de middelen voor.

Aleppo was eeuwenlang de motor van de Syrische economie, die hapert nu flink. Banen zijn er maar weinig.

Bij Abu Abdo heeft blijdschap plaatsgemaakt voor ontluistering. Het zijn niet alleen de huizen die kapot zijn, zegt hij hoofdschuddend op zijn sofa, maar ook de mensen. De werklui die hij inhuurde, kwamen hun afspraken niet na. Op straat vroeg hij mensen hun troep in de vuilnisbak te gooien – vergeefse moeite. Een neef kneep hem uit bij de aanleg van de tegels. ‘De mensen die ik vertrouwde, staken een mes in mijn rug.’

Zoom je in op de Syrische economie in het post-Assadtijdperk, dan zijn er twee verhalen te vertellen. Het ene is dat van de grote gebaren. Dat begon bij de Amerikaanse president Donald Trump die dit voorjaar beloofde de sancties op te heffen, hetgeen in het hele land tot feest leidde. De rode loper lag uit voor de rijke Golfstaten om te investeren. En dat gebeurt ook. Saoedi-Arabië stuurde een handelsdelegatie, en heeft ruim 5 miljard euro toegezegd, waarvan ruwweg de helft bedoeld is voor infrastructuur en luxevastgoed. Met andere Golfstaten (Qatar, Verenigde Arabische Emiraten) liggen er miljardendeals voor de toevoer van aardgas en de wederopbouw van de haven van Tartous.

Beeltenis van oud-dictator Bashar al-Assad op een muur in Aleppo.

Het tweede verhaal staat daar haaks op. Het opheffen van de sancties is een stroperig proces, en wordt door gewone burgers nog niet in hun portemonnee gevoeld. Wat hebben ze bovendien aan grote prestigeprojecten, als hun huizen nog in puin liggen? In totaal is er volgens de meest recente schattingen een slordige 106 miljard euro nodig voor de wederopbouw, geld dat Sharaa’s regering niet heeft. Volgens de Verenigde Naties zijn er sinds de val van Assad ongeveer 850 duizend Syriërs naar hun land teruggekeerd, maar het is nog allerminst duidelijk wat hun vaderland hun te bieden heeft.

Van oudsher geldt Aleppo als de motor van de Syrische economie, met een eeuwenoude traditie van handel en ambachtelijkheid. Al in de reisverslagen van Marco Polo, eind 13de eeuw, wordt de stad genoemd als een knooppunt op de Aziatische zijderoute, waar gehandeld werd in kruiden, textiel en parfum. De Aleppijnse zijde behoorde tot de beste ter wereld. Anno 2025 bestaat de textielsector nog steeds.

De lokale meubelmaker heeft nog wel voldoende opdrachten.

Het loont daarom de moeite om te gaan kijken in de industriële zone Sheikh Najjar, aan de noordrand van de stad. Wie op grote bedrijvigheid rekent, komt bedrogen uit. In de loodsen van Al-Nassaj, een textielbedrijf met vestigingen in elf landen, is het doodstil. De Italiaanse spinmachines draaien niet, de dikke rollen polyester liggen te verstoffen.

Het probleem, zo zegt accountant Shadi Zarour (40), zijn de stroomprijzen. Die liggen veel te hoog, grotendeels vanwege de kapotte infrastructuur. Per kilowattuur betalen Syrische ondernemers twee keer zoveel als hun Turkse concurrenten en zelfs vier keer zoveel als Irakezen. Dus zwijgen de machines in Aleppo. Zijn directeur zit in China, zegt Zarour, waar het bedrijf een vestiging heeft en waar de prijzen beduidend lager liggen. Maar mogelijk gloort er hoop: kort na het bezoek van de Volkskrant beloofde Sharaa – onder publieke druk – een korting van 20 procent op de stroomprijs.

Volgens accountant Shadi Zarour kan Syrië de concurrentie met het buitenland niet aan, ook omdat de stroomprijzen zo hoog zijn.

Was Syrië onder Assad nog een soort potdicht Noord-Korea aan de Middellandse Zee, nu staan de deuren naar het buitenland wagenwijd open. Veel te wijd zelfs, in de ogen van veel Syrische fabriekseigenaren. De importtarieven zijn door de regering flink omlaag geschroefd. Het gevolg is dat de markt overspoeld wordt met goedkope producten uit China en Turkije. De eerste vijf maanden van dit kalenderjaar kwam er voor ongeveer 860 miljoen euro aan spullen de grens over vanuit Turkije, een stijging van bijna 50 procent vergeleken met dezelfde periode vorig jaar.

Imad Yousfe zag zijn textielbedrijf failliet gaan, maar wanhopen doet hij niet. Hij vertrouwt op God.

Dit alles heeft gevolgen. Waarom zouden consumenten lokaal geproduceerde pantalons kopen, als de Turkse confectie goedkoper is? De 53-jarige Imad Yousfe nam ooit het textielbedrijf van zijn vader over, en hoopte het aan zijn kinderen door te geven. Nu is hij failliet. Zijn vier personeelsleden heeft hij ontslagen. Toch zit het niet in zijn aard om te somberen. Hoewel er niks te doen is, komt hij iedere dag naar zijn atelier. Opgewekt: ‘In de islam zegt God: je moet bidden en werken.’ Hij blaast een wolkje sigarettenrook. ‘God zal een andere deur voor me openen.’

Een economie die draait op import, is prima voor handelaren en winkeliers. Maar is het ook goed voor het land? Joseph Daher, een Zwitsers-Syrische politicoloog en schrijver van het boek Syria After the Uprisings (2019), is uitgesproken kritisch. ‘Voor echte wederopbouw heb je een maakindustrie nodig’, zegt hij aan de telefoon. ‘Daar zitten de banen, net als in de landbouw. Je kunt niet alleen leunen op handel.’ Daher is bang dat Syrië gaat lijken op het zwalkende broertje Libanon, sinds decennia drijvend op diensten en zogeheten remittances – dollars die worden opgestuurd door de diaspora in Europa en de Golfstaten. Het is geen duurzaam model.

Toch zijn er ook succesverhalen. Verderop in de industriële zone kun je het familiebedrijf vinden van Jack Bahhade (57), een meubelmaker die jaarlijks een omzet draait van omgerekend ongeveer 430 duizend euro. De Bahhades zijn een oud Armeens-Aramees geslacht, zeg maar gerust Aleppijnse aristocratie. Hun sofa’s, bedden en fauteuils worden op maat gemaakt, al naar gelang wat de klant wil. Ze exporteren naar de hele wereld. ‘Gespecialiseerd handwerk’, glimlacht de 29-jarige dochter des huizes, Natalie. ‘Zoiets vind je niet in Turkije.’

In de werkplaats wordt volop gezaagd, gebeitst en geschuurd. In totaal staan er veertig mensen op de loonlijst. Er lopen ook pubers rond die zomervakantie hebben en hun vaders assisteren. ‘Het voelt onwennig om minderjarigen aan het werk te zetten’, beaamt Natalie, ‘maar het openbaar onderwijs is een ramp. Op deze manier leren ze in elk geval een vak en zijn ze verzekerd van een toekomst.’

Natalie in de werkplaats van het familiebedrijf van de Bahhades, dat floreert mede door de vraag uit het buitenland.

Van buitenlandse concurrentie heeft de familie geen last. Niettemin delen ze de woede over het huidige regeringsbeleid. ‘De balans tussen import en productie is totaal zoek’, concludeert vader Jack, zijn ogen priemend vanachter een hippe montuurbril. Als dit zo doorgaat, zullen nog meer collega-ondernemers volgens hem de deuren moeten sluiten. Dan dreigen er massale ontslagen.

Online circuleerde deze zomer een oproep van fabriekseigenaren om in Aleppo te gaan demonstreren. De eis: weg met de lage importtarieven. Op zijn telefoon laat Jack een filmpje zien, waarin de bestuursvoorzitter van een bekend bedrijf reageert op de aangekondigde demonstratie. De man staat aan het hoofd van al-Taqwa, een schoenenimporteur met korte lijntjes naar Damascus. ‘Importeren uit China is ons recht’, briest de ceo in het filmpje. ‘Bij mensen die kwaad over ons spreken, zal ik de tong afsnijden.’

Wie het filmpje kijkt, voelt gelijk: dit gaat over meer dan importtarieven. Dit gaat over vriendjespolitiek en macht. Bedrijven zoals al-Taqwa komen uit Idlib, de provincie ten westen van Aleppo waar Sharaa’s mensen jarenlang hun uitvalsbasis hadden, destijds nog onder de noemer van het jihadistische Hayat Tahrir al-Sham (HTS). Nu de ex-rebellen het hele land controleren, lijkt het erop dat ze hun oude vrienden voortrekken. ‘Ga maar kijken aan de Turkse grens’, lacht Jack. ‘Iedereen met een nummerbord uit Idlib mag zo doorrijden.’

Terug naar de verwoeste straten van Sukkari. Op een paar meter van Abu Abdo’s woning is een oploopje ontstaan. De buurman in de straat, Ahmad Ramadan (73), vluchtte op het dieptepunt van de burgeroorlog met zijn gezin naar de Syrische kust. Onlangs keerde hij voor het eerst terug. Hij was blij met het weerzien, zeker, maar die vreugde werd al gauw overvleugeld door verdriet en boosheid.

Ahmad Ramadan met zijn zoon en zijn kleinzoon.

Hij wijst naar zijn flat, of wat daarvan over is: vijf verdiepingen, volledig ingestort onder het gewicht van een van Assads vatenbommen. En nu? De oude Ramadan toog naar de gemeente, zo vertelt hij, om een vergunning aan te vragen voor de renovatie. Daar kreeg hij te horen dat het papierwerk hem 4.300 euro zal kosten – geld dat hij niet heeft. Hij schudt het hoofd bij zo veel onrecht.

Als de Volkskrant navraag doet bij de gemeente, blijkt dat het niet om smeergeld gaat, maar om een optelsom van bedragen voor allerhande private instanties, variërend van een advocatenkantoor tot de bodemkundige dienst. Er zijn meer verhalen van Syriërs die dergelijke bedragen niet kunnen ophoesten, en die in sommige gevallen de overblijfselen van hun huis dan maar verkopen.

Dronebeeld van de wijk Sukkari, waarbij de verwoesting door de burgeroorlog goed te zien is.

Ramadan laat een takje door zijn vingers gaan. Zijn ogen zijn vochtig. ‘We dachten altijd: als Bashar (Assad, red.) eenmaal weg is, dan leven we langer. Dat gevoel is helemaal weg.’ Twee van zijn zoons kwamen recentelijk overgevlogen uit Duitsland, het land waar ze sinds jaren wonen. ‘Ze dachten dat het hier een paradijs zou worden.’ In plaats daarvan dropen ze teleurgesteld af. Het zou kunnen dat hun oude wijk ooit opgeknapt wordt. Maar voor het zover is, is er tijd nodig. Veel meer tijd.

Nu de dictator verjaagd is en Syrië bevrijd, keert Akram terug naar huis

Na een halve eeuw dictatuur en bijna veertien jaar oorlog werd Syrië in december bevrijd. De Volkskrant volgt Akram en zijn moeder Mariam op hun reis naar het thuis dat ze aan het begin van de oorlog moesten ontvluchten. ‘We moeten leren ons weer mens te voelen. Assad heeft onze zielen verbrijzeld.’

Deze druzen ontsnapten in Syrië aan de dood – en zien het land versplinteren

Na de bloedige moordpartijen op de druzen in Syrië van deze zomer dreigt het land in kantons uiteen te vallen. Een druzische familie ontkwam aan de dood door hulp van een bedoeïenen-familie. Maar zulke banden zijn verleden tijd.

Source: Volkskrant

Previous

Next