De wereld staat er somber voor, maar het laatste wat we moeten doen is de toekomst lijdzaam afwachten. Houd moed en dóé iets, zegt filosoof en cabaretier Tim Fransen. Maar ja, wat dan?
Het is een vreemde ervaring. Jarenlang was ik die irritante persoon die mensen wakker probeerde te schudden over hoe beroerd de wereld ervoor staat. Doorgaans waren de reacties iets in de trant van: ‘Ach, dat valt allemaal wel mee, toch?’
Inmiddels is de stemming zodanig omgeslagen dat ik mezelf – vaak tegen dezelfde mensen – hoor zeggen: ‘Hé joh, kop op, niet de moed verliezen!’
Tijdens een recente lezingentournee vroeg Tommy Wieringa zijn publiek avond aan avond wie er nog een paar generaties vooruit durft te denken. De oogst was mager: bijna niemand leek nog vertrouwen te hebben in de goede afloop. Wieringa hield er het onheilspellende gevoel aan over een ontmoeting te hebben gehad ‘met de avant-garde van een mensheid die collectief haar vertrouwen in de toekomst verloren had’.
Afgaande op zijn Optimisme zonder hoop, eerder dit jaar verschenen als het essay van de Maand van de Filosofie, zullen de bezoekers van zijn lezing niet veel vrolijker weer naar huis zijn gegaan. In niet mis te verstane woorden beschrijft Wieringa hoe met name de klimaatcatastrofe ons het zicht op een hoopvolle toekomst ontneemt. Natuurlijk, de geschiedenis is vol uitzichtloze tijden geweest – toen de Zwarte Dood in de 14de eeuw dorpen en steden ontvolkte, zal de sfeer ook niet op en top zijn geweest.
Maar dit keer is het anders. Dit keer is de toekomst zélf de crisis: ‘De klimaatcatastrofe heeft ons opgezadeld met een vorm van toekomstloosheid die zonder precedent is in de geschiedenis van de menselijke soort.’
De afgelopen tijd verschenen tal van boeken die gaan over met wat we gerust kunnen omschrijven als een crisis van de hoop. Welke houding moeten we aannemen tegenover een tijd, een toekomst die ons niet langer toelacht, maar ons beangstigend aanstaart?
Zo houdt de Amerikaanse wetenschapsjournalist Sumit Paul-Choudhury in zijn eerder dit jaar verschenen boek The Bright Side tegen de klippen op een vurig pleidooi voor optimisme. Volgens hem is optimisme weliswaar gebaseerd op een psychologische illusie; die roze bril is wel noodzakelijk om te kunnen handelen.
De Nederlandse filosoof Mara van der Lugt betoogt met minstens zoveel overtuigingskracht min of meer het tegenovergestelde. In haar scherpzinnige boek Hopeful Pessimism (2024; de vertaling verschijnt volgende maand) doet ze juist een goed woordje voor pessimisme, ‘de diepe bereidheid om de ernst van de situatie onder ogen te zien’.
Aan de hand van voorbeelden als Václav Havel en Greta Thunberg laat Van der Lugt zien dat tal van invloedrijke activisten niet handelden omdat ze de toekomst nou zo zonnig inzagen, maar omdat ze het beest in de bek keken. Doordrongen van de ellende en het onrecht, voelden zij de noodzaak in actie te komen. Niet met de verwachting op succes, maar vanuit een morele plicht.
Deze strijdlustige houding in donkere tijden lijkt op het ‘optimisme zonder hoop’ waar ook Wieringa op uitkomt, al definieert hij de begrippen ‘hoop’ en ‘optimisme’ verwarrend genoeg precies omgekeerd aan hoe hedendaagse filosofen dat doorgaans doen.
Toch zal Van der Lugt geen praktisch bezwaar maken als Wieringa optimisme bepleit als ‘een blijvende stuwende kracht die je in staat stelt de goede dingen te blijven doen zonder dat er een onmiddellijke beloning volgt’.
Van der Lugt zelf waarschuwt dat het uiteindelijk niet zou moeten gaan over ‘woorden en gevoelens’, maar om daadkracht en morele verantwoordelijkheid.
Bovendien kun je je afvragen hoe zinvol het is om mensen te overtuigen van een bepaalde mentale houding. Uit onderzoek blijkt dat ons optimisme of pessimisme grotendeels is aangeboren. Beide zijn psychologische strategieën om met een onzekere wereld om te gaan.
De optimist bestrijdt onzekerheid door te geloven dat het wel goed komt, de pessimist door de verwachtingen laag te houden. Een geestige illustratie: geef een optimist voor aanvang van een spannende taak een peptalk in de trant van ‘maak je geen zorgen, jij kan dit!’ en de optimist zal inderdaad beter presteren.
Geef diezelfde positieve peptalk aan een pessimist, en hij zal juist slechter presteren. Voor een pessimist werkt het prestatiebevorderend als je zegt: ‘Deze taak is supermoeilijk, dus ga er maar van uit dat het niks wordt, dan kan het altijd nog meevallen.’
Op dezelfde manier zal de optimist vermoedelijk eerder overtuigd raken door een boek als The Bright Side, en de pessimistische medemens (*Tim steekt hand op*) door een pleidooi over hoopvol pessimisme.
Alle semantische twisten en persoonlijkheidstypes daargelaten zijn al deze denkers het over één ding eens: we moeten niet passief afwachten tot het goed komt, we moeten aan de bak. Handjes uit de mouwen. Niet lullen maar poetsen.
Maar daarmee verschuift de vraag naar: wát moeten we dan doen? Waar moet ons handelen zich op richten?
Hierin schuilt de werkelijke crisis van de hoop. Aan strijdlust alleen hebben we niet veel, als we niet weten waar we met onze strijdlust naartoe moeten. Strijdlust is weinig waard zonder strijdplan.
In dit opzicht is het recente essay van Roxane van Iperen illustratief. Ook in haar Eigen planeet eerst krijgt de klimaatcrisis een hoofdrol toebedeeld. Niet alleen vanwege de ernst van het probleem, maar ook omdat het in haar ogen de tekortkomingen van ons huidige systeem blootlegt.
Net als Wieringa wijst ze het zogenoemde einde van de geschiedenis aan als noodlottig keerpunt. Met het einde van de Koude Oorlog leek de ideologische strijd om het beste politiek-economische systeem definitief gestreden. Het communisme was verslagen, de triomfantelijke eindoverwinning leek te gaan naar het democratisch kapitalisme. Iets beters dan dit was er niet, en zou er ook nooit komen – het welbekende ‘TINA’ van Margaret Thatcher: there is no alternative.
Wieringa en Van Iperen beschrijven hoe we dat ‘superieure’ kapitalistische systeem voor onze ogen zien transformeren tot een ware dystopie. Wat ooit werd gepresenteerd als het beste van alle mogelijke systemen, heeft zich ontwikkeld tot een geglobaliseerde structuur die groeiende ongelijkheid voedt, democratische instituties uitholt en de aarde genadeloos uitput.
Beide auteurs schetsen hoe een monsterverbond van big tech, alt-rightpopulisme en een zich versterkende oligarchie het publieke debat gijzelt met desinformatie, de klimaatcrisis ontkent en politieke macht centraliseert in handen van de superrijken.
Tegen deze coup, een samensmelting van autoritair leiderschap en neoliberale kapitaalbelangen, zijn onze trage democratieën simpelweg niet opgewassen.
Maar de vraag is dan: wat moeten we doen? Roxane van Iperen stelt aan het eind van haar boek ‘geen hapklare oplossingen’ te hebben. Het hoofdstukje getiteld ‘Wat nu?’ telt slechts enkele pagina’s en leest meer als een verantwoording: ‘Mijn hele leven verzet ik me al tegen het idee dat wanneer je probeert een probleem in kaart te brengen, je in één adem door ook de oplossing moet aanreiken.’
Woorden waar je wel als denker, maar vermoedelijk niet als automonteur of loodgieter mee wegkomt.
De essays van Wieringa en Van Iperen zeggen iets over de algemene teneur. We lijken maar al te goed in staat om de boosdoeners en de boemannen aan te wijzen, maar zodra het aankomt op hoopvolle alternatieven blijft het stil.
Ironisch genoeg is die ideeënarmoede een regelrechte erfenis van dat vervloekte ‘einde van geschiedenis’; dat ingebeelde eindstadium van het democratisch kapitalisme. Hoezeer velen van ons Margaret Thatcher ook mogen verachten, het lijkt wel alsof wij allemaal een innerlijke Thatcher hebben die zegt: ‘Haal je maar niks in je hoofd, er is geen geloofwaardig alternatief voor dit kapitalistische systeem. Waar dacht je aan? Dat goede oude communisme van Stalin en Mao weer van stal halen? Laat me niet lachen.’
En dus zit er voor ons weinig anders op dan af te geven op die techmiljardairs en die stomme rechts-populisten die de boel verstieren.
Zie daar de werkelijke crisis van de hoop: we zijn niet alleen het geloof kwijt in ons huidige systeem, we zijn ook het geloof kwijt dat er een alternatief mogelijk is. En dus staren we als verstijfde herten in de rechts-autoritaire koplampen, terwijl we elkaar af en toe nog een vergeefse peptalk geven om niet helemaal de moed te verliezen.
Het is dan ook de hoogste tijd om de illusie van alternatiefloosheid te doorbreken. Want nuchter beschouwd was ‘het einde van de geschiedenis’ op economisch vlak weinig meer dan de triomf van het neoliberalisme – en het daarmee vergroeide aandeelhouderskapitalisme.
Die overwinning was zó volledig dat zelfs linkse leiders de neoliberale agenda uitvoerden: van Wim Kok tot Bill Clinton, van Lionel Jospin en Gerhard Schröder tot Tony Blair en Barack Obama. De zege was zo diepgaand dat velen het zelfs vandaag de dag niet herkennen als ideologie, maar als een vorm van pragmatisch realisme – als iets wat hoogstens hier en daar getemperd of bijgestuurd moet worden.
Op politiek vlak was het einde van de geschiedenis niet zozeer de zege van dé democratie, als wel de zege van de armoedigste versie daarvan: eentje die bestaat uit een vierjaarlijkse multiplechoicevraag, vaak geïnformeerd door wie we het sympathiekst vinden overkomen in tv-talkshows, voorafgegaan door een parade van leugens (‘nareis op nareis’) en loze beloften (‘iedereen krijgt 1.000 euro’) om de kiezer te verleiden.
Gelukkig zijn er nog altijd genoeg scherpe geesten die groots durven te denken. Economen, sociologen, juristen, filosofen en tal van andere denkers komen met beloftevolle voorstellen om de uitdagingen van de 21ste eeuw te lijf te gaan.
Om onze verbeeldingskracht op te rekken, is het de moeite waard om eerst even uit te zoomen en stil te staan bij de spectaculaire politieke en sociale vooruitgang die is geboekt in de vorige eeuw. In zijn boek Een kleine geschiedenis van de gelijkheid vergelijkt rockstereconoom Thomas Piketty het Europa van 1914 met het Europa van 1980.
In 1914 had slechts een klein groepje (rijke) mannen stemrecht, had ook slechts een kleine minderheid toegang tot middelbaar onderwijs en was er van enig sociaal vangnet amper sprake. De kloof tussen arm en rijk was zelfs nog groter dan in onze tijd van Bezos en Musk.
Hoe anders lag het Europa van 1980 erbij? De koloniale rijken waren ontmanteld. Universeel stemrecht was een feit voor zowel mannen als vrouwen, waarmee we voor het eerst konden spreken van volwaardige representatieve democratieën. Toegang tot (middelbaar) onderwijs was een vanzelfsprekendheid, net als pensioenregelingen, toegankelijke gezondheidszorg en andere sociale grondrechten.
En misschien nog wel het spectaculairst: de immense materiële ongelijkheid was geslonken tot historisch kleine proporties. Dit was grotendeels te danken aan sterk progressieve inkomstenbelastingen – percentages van 80 tot zelfs 90 procent voor de allerrijksten waren geen uitzondering – boven op forse vermogens- en erfbelastingen.
Binnen twee generaties had het politiek-economisch systeem een totale transformatie ondergaan. Of het nu ging om democratische ontwikkelingen, sociaal-economische rechtvaardigheid of zelfs internationale rechtvaardigheid – dankzij politieke en maatschappelijke strijd werd radicale vooruitgang een feit.
Deze historische blik zou ons moeten bevrijden van het verlammende idee dat we nou eenmaal met dit systeem zitten opgezadeld, en dat de machtsverhoudingen nou eenmaal zijn wat ze zijn.
Nu kent de 21ste eeuw een aantal unieke uitdagingen die vragen om unieke antwoorden. Wat als we de ideeën van een aantal hedendaagse denkers naast elkaar leggen? Want wie een paar tegels oplicht, ziet dat het wemelt van de beloftevolle ideeën.
Laten we beginnen met onze democratieën. De onvrede over het gebrekkige functioneren van de huidige democratie is wijdverbreid, van links tot rechts. Voor (extreem)rechts is die onvrede over de democratie een reden om haar af te breken en te vervangen door een sterke leider, een CEO, of zelfs door het fascisme in een nieuw fris jasje te steken.
De begrijpelijke reflex daartegen is om de democratie in haar huidige vorm te verdedigen. Maar een groeiende groep denkers schetst een alternatieve route, namelijk door te stellen: ‘Inderdaad, onze democratie volstaat niet langer in het licht van deze tijd. En dus moeten we haar, in plaats van ervan weg te bewegen, uitbreiden en verdiepen.’
Dit kan door democratische innovaties zoals burgerberaden of participatief budgetteren, waarbij burgers meedenken over maatschappelijke problemen of bijvoorbeeld zelf bepalen hoe (een deel van) het gemeentebudget wordt verdeeld. Dit is wat onder anderen Yale-hoogleraar politicologie Helene Landemore bepleit en, dichter bij huis, Denker der Nederlanden David Van Reybrouck.
Succesvolle praktijkvoorbeelden hiervan zijn er steeds meer. Schrijver Eva Rovers pleit in haar binnenkort te verschijnen boek (Waarom we politiek niet alleen aan politici kunnen overlaten) voor een Derde Kamer: een permanent burgerberaad bestaand uit gelote inwoners die wetsvoorstellen kunnen ontwikkelen rond grote maatschappelijke vraagstukken.
Van minstens zo groot belang is het democratiseren van de economische macht. Want de vraag is: kunnen we überhaupt wel spreken van een democratie als de meest impactvolle beslissingen worden genomen door een select groepje aandeelhouders waarover de overgrote meerderheid van burgers niks te zeggen heeft? Bijvoorbeeld hoe kunstmatige intelligentie zich ontwikkelt, in welke technologieën we willen dat bedrijven investeren, schone of vervuilende, hoe (sociale) media functioneren en hoe die het publieke debat beïnvloeden.
De politiek econoom Tom Malleson stelt daarom: daar waar de verwezenlijking van politieke democratie de grote emanciperende kracht was van de 19de en 20ste eeuw, zou economische democratie dat kunnen zijn van de 21ste eeuw.
Het democratiseren van de economische macht volgt niet de gecentraliseerde route van het communisme – de totalitaire experimenten van de 20ste eeuw kunnen definitief begraven blijven – maar juist een gedecentraliseerde. We moeten de economische democratie niet zozeer zien als een alomvattend plan, maar eerder als een overkoepelend concept waaronder tal van ideeën en voorstellen vallen. Allemaal met als doel het terugwinnen van controle over onze maatschappij op aandeelhouders die roekeloos hun winst maximaliseren.
Zo pleit cultuurfilosoof Thijs Lijster voor een herwaardering van de commons (de meenten), waarbij goederen en hulpbronnen in gemeenschappelijk beheer worden gehouden zonder winstoogmerk. Voorbeelden hiervan bestaan al, van buurtmoestuinen tot Wikipedia, van repaircafés tot het baanbrekende Human Genome Project.
Andere voorstellen gaan over democratisering bínnen het bedrijfsleven. Neem de groeiende populariteit van werkerscoöperaties, waarbij werknemers zelf de dienst uitmaken. Zo kent Nederland inmiddels meer dan zevenhonderd energiecoöperaties, waarbij burgers zelf investeren in windmolens of zonneparken. De winst wordt vervolgens onderling verdeeld, of zelfs opnieuw geïnvesteerd in de lokale gemeenschap.
Hybride bedrijfsmodellen zijn ook denkbaar. De Belgische hoogleraar sociologie Isabelle Ferreras pleit ervoor om bij grote bedrijven, naast de nu almachtige aandeelhoudersgadering, ook een werknemersvergadering in te voeren met evenveel macht of zelfs vetorecht. Op die manier kunnen werknemers meebeslissen over bijvoorbeeld het investeringsbeleid, de loonverdeling of de aanstelling van een nieuwe CEO.
Het voorstel van bestuurskundige Nicolette Loonen gaat nog een stap verder: grote bedrijven zouden een maatschappelijke raad moeten installeren die verder kijkt dan winstmarges en ook maatschappelijke waarden meeweegt.
Kan het nog ambitieuzer? Zeker. Wat dacht je van het voorstel van hoogleraar politieke filosofie en economische ethiek Rutger Claassen voor wat hij een corporate social assessment noemt. Hierbij worden bedrijven om de zoveel jaar beoordeeld aan de hand van (democratisch opgestelde) maatschappelijke waarden. Al naar gelang hun prestaties kunnen ze worden beloond of bestraft, bijvoorbeeld via een fiscale korting of een fiscale boete. Op deze manier worden bedrijven gestimuleerd tot maatschappelijke waardecreatie.
Om de groeiende macht van de superrijken aan banden te leggen, stelt hoogleraar Ingrid Robeyns dat er een limiet zou moeten worden gesteld aan vermogen: het zogenoemde limitarisme. Niet alleen om redenen van rechtvaardigheid, maar ook omdat we het ons in het licht van de klimaatcrisis niet kunnen permitteren dat er talloze slapende miljarden op de bank staan.
In lijn hiermee is ook het voorstel van Thomas Piketty voor een wereldwijde vermogensbelasting voor de ultrarijken van 1,5 tot 3 procent, bestemd voor een speciaal klimaatfonds.
Nog ambitieuzer? Dan kunnen we ijveren voor een wereldwijde grondwet, zoals de Indiaas-Nederlandse toponderzoeker Joyeeta Gupta bepleit. Hoewel vruchtbare mondiale samenwerking momenteel verder weg lijkt dan ooit, zal ooit het besef moeten indalen dat we uiteindelijk niet zonder kunnen. Bij zo’n wereldwijde grondwet zouden natiestaten grotendeels soeverein blijven, maar zouden kwesties van mondiaal belang ook mondiaal geregeld worden.
Denk aan gevaarlijke technologieën zoals kernwapens en kunstmatige intelligentie, maar ook aan belastingontwijking, de uitstoot van broeikasgassen en het verlies van biodiversiteit. Voor de totstandkoming hiervan stelt Gupta haar hoop niet zozeer in politici, maar eerder in een internationale burgerbeweging die zo’n mondiale grondwet eist.
Misschien denkt u nu: Tim, deze ideeën vind ik helemaal niks. Dat kan heel goed!
Goede kans ook dat er nog veel betere ideeën te bedenken zijn. Maar het punt is: het is zinloos om over hoop te spreken zonder te spreken over ideeën die zulke hoop kunnen belichamen.
Hopen dat alles goed komt en tegelijkertijd geloven dat alles wel zo’n beetje kan blijven zoals het is, is een vorm van fatalisme.
Hoop moet meer zijn dan een positieve peptalk om ons humeur op te vijzelen. Echte hoop komt in de vorm van alternatieven voor een failliet systeem. Alleen zo kan hoop inspireren tot collectief handelen.
Dat laatste is belangrijk, want één ding is zeker: de veranderingen die nodig zijn, zullen niet plaatsvinden omdat er straks een coalitie komt met PvdA-GroenLinks, of omdat Henri Bontebal premier wordt. (Of op wie u uw hoop dan ook heeft gevestigd.) Ook hier bevatten de ontwikkelingen van de 20ste eeuw een cruciale les: bij omwentelingen van het soort dat telt, vormen politici meestal slechts het sluitstuk, nooit het beginpunt.
Of het nu gaat om de ontmanteling van de koloniale rijken of de invoering van het vrouwenkiesrecht: het begint altijd bij burgers die zich organiseren, die politieke strijd leveren en zich inzetten voor nieuwe sociale praktijken.
Dat zal misschien wat onwennig zijn voor ons, bij wie is ingeprent dat de ideologische strijd definitief is gestreden, die nog vooral gewend zijn aan de rol van consument. Nadat wij het eindstation van het democratisch kapitalisme hadden bereikt, konden we comfortabel achteroverleunen, spulletjes bestellend met onze telefoon, series kijkend vanaf onze hoekbank, met af en toe een korte onderbreking om de politici te kiezen die de boel voor ons bijsturen.
Maar deze tijd vraagt iets anders van ons. Een nieuwe rol. Niet langer die van consumenten die hun individuele verlangens najagen, maar van actieve burgers die opkomen voor onze gezamenlijke leefwereld.
Want als we ons machteloos voelen tegenover de destructieve krachten van deze tijd, van klimaatverandering tot Big Tech, dan is dat misschien wel juist omdat we onszelf zijn gaan zien als individuele consumenten. Zoals de filosoof Hannah Arendt schrijft in haar boek On Revolution (1963): ‘Geïsoleerde mensen zijn per definitie machteloos. (...) Macht ontstaat altijd uit het samen handelen van mensen.’ Laten we daarom de handen ineenslaan.
Misschien dat uw innerlijke Thatcher af en toe toch nog de kop opsteekt: ‘Hoe realistisch is verandering nu helemaal?’
Als iemand die zich identificeert als hoopvolle pessimist zou ik daarop willen antwoorden: we staan er beroerd voor en we hebben geen enkele garantie op succes. Maar dat is precies de situatie waarin hoop hoort te schitteren. In de woorden van filosoof Catriona McKinnon: ‘De context van hoop is radicale onzekerheid.’
Als we zeker wisten dat het kat in het bakkie was, hadden we geen hoop meer nodig.
Tim Fransen is cabaretier en schrijver. Voor zowel zijn voorstelling Het kromme hout der mensheid als De mens en ik won hij de Poelifinario in de categorie engagement. Zijn boek In onze tijd – Leven in het Calamiteitperk werd dit jaar bekroond met de Socratesbeker.
Tommy Wieringa: Optimisme zonder hoop. Pluim; 96 pagina’s; € 8.
Roxane van Iperen: Eigen planeet eerst – Waarom onze democratie geen antwoord heeft op het grootste vraagstuk van deze tijd. De Bezige Bij; 168 pagina’s; € 20,99.
Mara van der Lugt: Hoopvol pessimisme. Uit het Engels vertaald door Menno Grootveld. Boom; 256 pagina’s; € 24,90.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant