Als 12-jarige stuurde schrijver Ko van ’t Hek met zijn beste vriend Jelle een verzonnen brief naar de brievenrubriek VPRO Achterwerk, die veel reacties losmaakte. 27 jaar later vraagt hij zich af: was die brief wel helemaal verzonnen? En zou hij Jelle kunnen terugvinden?
Natuurlijk heb ik de afgelopen jaren zo nu en dan aan Jelle gedacht, me afgevraagd hoe het met hem ging, zoals iedereen weleens denkt aan een oude vriend die uit beeld is geraakt.
Jelle was mijn beste vriend op de basisschool. We groeiden uit elkaar in de puberteit. En verloren elkaar uit het oog tijdens onze studententijd. Sindsdien komt hij zo nu en dan voorbij in een gedachte. Ik zocht hem op het internet weleens op, maar nooit nam ik de moeite om hem echt te vinden. Er was altijd wel een reden om het niet te doen. Wat moet je zeggen tegen een oude vriend die je zo lang niet hebt gezien?
Tot er een reden was om het wel te doen.
In mijn boek Börre, of de bekentenis van een leugenaar biecht ik een leugen op die Jelle en ik vertelden toen we 12 waren. Daarvoor had ik wel zijn toestemming nodig. Het was onze leugen. Dus zocht ik hem op en stelde hem ook die ene vraag die tijdens het schrijven op was gekomen: in hoeverre was het eigenlijk een leugen?
De leugen: toen we 12 waren – het was 1998 – besloten we een brief te sturen naar Achterwerk, de legendarische brievenrubriek achterop de VPRO Gids. Wij lazen die rubriek elke week en op een goed moment besloten we dat wij ook wel zo’n brief konden schrijven. Dat wil zeggen, dat we ook wel zo’n brief konden namaken.
We bedachten een verhaal met thema’s die vaak terugkwamen in de rubriek, waarvan we instinctief moeten hebben geweten dat die zouden werken: pesten, een dood huisdier en poëzie. Dat was voor ons blijkbaar de heilige drie-eenheid van de Achterwerkbrief. We bedachten een pseudoniem, Börre Lynstrøm. We bedachten dat hij 12 moest zijn, net als wij. We schreven de allerzieligste brief die we konden bedenken. Dat was ons nerdenkattenkwaad.
Die brief werd gepubliceerd en als gevolg kregen we meer dan honderd, voornamelijk handgeschreven, reacties uit het hele land. Mensen van alle leeftijden zonden ons hun oprechte liefde en weloverwogen advies – liefde waar we geen oog voor hadden en advies dat we ongelezen terzijde legden. De grap was immers al geslaagd. We waren 12.
Mijn moeder had ze gelukkig op zolder bewaard in een V&D-tas, waardoor ik ze 27 jaar later terug kon vinden. Ik ben ze alsnog gaan lezen, met dezelfde aandacht als waarmee ze zijn geschreven, en daarbij stonden de tranen in mijn ogen. Deze brieven zijn zo lief, zo hartverscheurend, zo echt, dat ik niet anders kon dan alsnog terug te schrijven. Om deze lieve briefschrijvers te bedanken, en om mijn excuses aan te bieden. Een mea culpa, in boekvorm. Maar dat kon niet zonder Jelles zegen. Ondertussen was ik ook wel benieuwd geraakt hoe het met hem was.
Ik herinner me Jelle als een stille, verlegen, blonde jongen die niet per se heel lang was, maar zijn lichaam toch wat slungelig droeg. Hij had iets aparts, hij trok bijvoorbeeld zijn sokken staand aan. Tegelijkertijd was hij op een bepaalde manier volledig één met zichzelf. Ik vermoed dat kinderen dat haarfijn doorhebben en dat hij daarom een van de populairste jongens van de school was.
Waarom precies weet ik niet, maar Jelle had mij uitgekozen als zijn beste vriendje. Hoewel hij dat waarschijnlijk zelf niet zo zag. Jelle was van niemand, hij was van zichzelf. Niet op een arrogante manier, maar op een eigenzinnige, jaloersmakende manier.
Ik daarentegen was klein en betweterig. Ik deed het goed op school en ik wist dat, op het pedante af. Ter illustratie: mijn bijnaam was Koter-bacterie-onderbroek-gymnasium-atheneum.
Jelle noemde mij trouwens nooit zo, zulke dingen deed Jelle niet.
Vrij snel na de publicatie van Börres brief in Achterwerk verhuisde Jelle uit Nigtevecht naar Hilversum. Dat is niet heel ver, maar voor een kind wel. Hij ging naar een andere middelbare school, naar een andere voetbalclub. We deden ons best om vrienden te blijven, maar dat bleek lastig toen we elkaar niet meer zo vaak zagen. We groeiden uit elkaar.
We hebben in onze studietijd nog een keer afgesproken in Amsterdam. Ik dronk koffie, hij bestelde verse muntthee. Inmiddels kun je overal verse muntthee bestellen, maar in de vroege jaren 2000 was dat een nieuw fenomeen. Het staat me levendig bij dat Jelle, nadat zijn thee op was, de munt ook at. Hoewel verse muntthee, nogmaals, een nieuw fenomeen was, wist ik dat dat niet de bedoeling was. Misschien wist Jelle dat ook wel en deed hij het toch, uit eigenzinnigheid of dwarsheid, misschien wist Jelle het niet omdat het de eerste keer was dat hij het dronk.
Ik weet niet of ik er iets over heb gezegd, maar door die merkwaardige handeling vond ik dat we voorgoed uit elkaar gegroeid waren. Ik was 18 of 19 en had veel oordelen. Börre en al het andere dat we samen hadden meegemaakt was ik blijkbaar vergeten.
Jelle terugvinden was niet gemakkelijk. Op internet levert zijn naam nauwelijks resultaten op, alleen een paar tien jaar oude verslagen van een schaaktoernooi. Even twijfel ik of ik hem niet ook heb verzonnen. Meteen daarna schiet door mijn hoofd: hij zal toch niet zijn overleden?
Dan stuit ik op de website van de organisatie waar zijn tweelingzus werkt. Een paar dagen later heb ik een bericht terug met een e-mailadres waarop ik Jelle kan bereiken. Hij leeft! Hij bestaat!
Als ik een week later station Hilversum uit loop, vraag ik me bij iedereen die langsloopt af: zou dit hem zijn? Iedereen kan Jelle zijn, want ik weet al heel lang niet meer hoe hij eruitziet. Maar ik weet ook dat al deze mensen Jelle niet zijn, want we hebben afgesproken bij een lunchtent in het centrum van de stad, hij is hier nu niet lichtelijk gehaast een trein aan het halen.
Ik stap het café binnen en vind geen blik van herkenning. Dan stapt een man naar binnen, een man die ontegenzeggelijk Jelle is. Hij is lang, langer dan ik me herinner, maar draagt zijn lichaam nog steeds op dezelfde wat onhandige wijze. We omhelzen elkaar ongemakkelijk en gaan aan een tafeltje bij het raam zitten.
Ondanks zijn zichtbare zenuwen heeft hij dezelfde soort kalmte over zich als vroeger. Ik herken ook meteen de klappen en deuken die hij de afgelopen vijftien jaar heeft opgelopen. Misschien omdat ik hem beter ken dan ik me realiseerde, misschien omdat ik ze ook heb en ze daarom bij anderen kan zien. Misschien is het wel allemaal waar. Iedereen die eind 30 is heeft klappen en deuken opgelopen.
Na een moeizame start gaat het gesprek al snel alle kanten op. We hebben het over hoe we schaakten, over de uren FIFA’ 97 en Wolfenstein 3D bij hem thuis in de computerkamer, over die middag dat we ons onderzoek naar dinosauriërs mochten doen in het lab van zijn vader in het AMC, waar we ons echte wetenschappers voelden.
We hebben het over de vraag of we belletje hebben gelelt, of we ’s avonds met onze eigen afstandsbediening door het dorp liepen om vanuit de bosjes stiekem bij nietsvermoedende tv-kijkers hun zender te veranderen, of dat dat verhalen van anderen zijn die we zo vaak gehoord hebben dat we het ons bijna zelf herinneren. We hebben het over filosofie, wat we uiteindelijk allebei hebben gestudeerd. Over hoe hij zijn studie doelmatig liet mislukken, want waarom moet alles altijd maar slagen? Een ruiterlijk maar zelfsaboterend ideaal zoals alleen jonge filosofen dat kunnen hebben. Jaloersmakend onverstandig punk. We hebben het over hoe ingewikkeld het leven soms is.
Het verwondert me dat we, ondanks dat we elkaar zo uit het oog zijn verloren, nog steeds zo op elkaar lijken: het filosofische, het dwarse, het melancholische. Ik vraag me af of we dat als kinderen al in elkaar herkenden.
Dan worden de broodjes op tafel gezet. Jelle heeft een broodje hummus, waar zulke grote bollen hummus op zitten dat het onmogelijk fatsoenlijk te eten lijkt. Ik heb een broodje pastrami, hoewel ik eigenlijk probeer vegetarisch te eten, maar als ik niet helemaal op mijn gemak ben, krijg ik om onduidelijke redenen meer zin in vlees. Op het broodje pastrami zitten grote bollen zuurkool. Grote bollen blijken de specialiteit van het huis.
We doen allebei een poging netjes te eten, de ontmoeting voelt op een bepaalde manier toch als een eerste date. We herkennen het ongemak bij elkaar, het proberen, het mislukken. We lachen erom, het mag er zijn.
Ik kijk naar hem — de halve vreemde die hier voor mij zit, die ik tegelijkertijd als geen ander ken — en ik voel me op een gekke manier gegrond, geworteld. Het is alsof we elkaar kennen op een ander, echter niveau. Ik weet: weer met hem in contact komen is de meest waarachtig denkbare bijvangst van het schrijven van het boek. Wat hem nu beweegt weet ik nauwelijks, maar ik herken de niet kapot te krijgen montere vrolijkheid van zijn vader en de zachte melancholie van zijn moeder, zijn helderblauwe ogen, die ietwat schuchtere blik die niets ontgaat, hoe jaloersmakend goedlachs hij is. Natuurlijk is hij zo. Hoezo had ik iets anders verwacht?
De serveerster haalt onze borden op en vraagt of alles naar wens is. Ik bestel nog een kop koffie, Jelle neemt een gemberthee. Ik vertel dat hij de laatste keer dat we elkaar zagen verse muntthee dronk en tot mijn ontsteltenis de slappe munt opat. Hij weet het niet meer, maar lacht er hard om. Ik zeg dat het me spijt dat dat voor mij zo belangrijk was. Hij snapt het. Ik weet niet of ik hem moet geloven, maar ik besluit het maar te doen.
Dit is het moment om Börre ter tafel te brengen, ik kan het niet langer voor me uitschuiven. We hebben elkaar vijftien jaar niet gesproken en nu zoek ik contact met hem om te vertellen dat ik onze leugen, ons vriendengeheim, wil openbaren. Misschien denkt Jelle dat ik helemaal niet in hem geïnteresseerd ben, dat ik een opportunistische eikel ben, dat ik alleen maar weer contact heb opgenomen omdat dat goed uitkomt voor het boek. Misschien wil hij wel helemaal niets met mij of Börre of wie dan ook te maken hebben. Allemaal dingen die ik denk, daar in dat Hilversumse lunchcafé, maar wat ik niet tegen hem zeg.
Ik laat hem de V&D-tas vol brieven zien, met daarin alle onversneden liefde en vertel hem hoezeer me dat heeft geraakt. Ik zie de herinnering in zijn ogen, hoewel de actieve herinneringen aan het schrijven en de publicatie bij ons allebei te ver zijn weggezakt. Dan zeg ik dat ik bezig ben met een boek waarin ik opbiecht dat wij de bedenkers van Börre zijn. ‘Vind je dit oké?’, vraag ik.
‘Ik snap niet precies waarom je dat wilt doen’, zegt hij, ‘maar doe wat je niet laten kunt. Op zich leuk, een boek.’
De zorgen die ik had zijn blijkbaar voor niets geweest. Ik denk aan wat mensen weleens zeggen: dat zorgen maken helpt, want vaak als je je veel zorgen over iets hebt gemaakt, blijkt het probleem uiteindelijk behoorlijk mee te vallen.
‘Ik wil mijn excuses aanbieden voor de leugen’, zeg ik, ‘maar daarvoor probeer ik erachter te komen in hoeverre het nou een leugen was. Of er toch niet een kern van waarheid in de brief van Börre zat.’
Hij kijkt me vragend aan.
‘Ik voel in mijn lichaam de ervaring van dat ik als kind ben gepest, maar mijn herinneringen laten me in de steek en mijn ouders weten ook van niets.’
‘O, maar dat weet ik wel’, zegt Jelle.
Ik hou mijn adem in.
‘Ja’, zegt hij, ‘je bent zeker gepest.’
Een scheut van verlichting vermengd met verdriet schiet door mijn lijf. De pijn van het pesten, de bevestiging dat de leugenachtige brief van Börre misschien niet zomaar een leugen was, maar een leugen met een kern van waarheid, het feit dat iemand zich je herinnert. Het geeft een bewijs van mijn jeugd, van mijn bestaan.
Hij zegt daar vervolgens iets interessants over: dat dat pesten nou eenmaal zo was, dat het niets uitmaakte voor hoe hij mij zag. Alsof het bij mij hoorde, net als de kleur van mijn ogen, als mijn lengte, als mijn naam. Alsof het een gegeven was, een feit.
Misschien is dat hoe het werkt als je kind bent. Misschien is dat hoe je de wereld als kind leert kennen. De zon komt elke ochtend op, in het weekend hoef je niet naar school, de bal is rond. Sommige kinderen zijn goed in voetbal, sommige kinderen ruiken raar, sommige kinderen worden gepest. De dingen zijn nou eenmaal zoals ze zijn. Ik werd gewoon gepest en dat was hoe het was. Tenminste, in Jelles herinnering.
We hebben het over herinneringen, en hoe feilbaar ze zijn.
We kletsen door, over de meisjes op wie we verliefd waren, over de reizen die we hebben gemaakt, over onze ouders, over dat onze basisschool een nieuwe naam kreeg terwijl wij erop zaten, dat die nieuwe naam werd gekozen uit inzendingen door leerlingen, dat wij ook hadden meegedaan aan die wedstrijd, maar niet hadden gewonnen, dat de nieuwe naam een stuk slechter was dan de naam die het daarvoor had, tot we opkijken en constateren dat het hele café leeg is. Iedereen is om halfvier ’s middags klaar met lunchen, alleen wij kunnen niet ophouden met praten.
Dit verhaal is samengesteld uit passages uit Börre, of de bekentenis van een leugenaar, het literaire non-fictie debuut van schrijver en filosoof Ko van ’t Hek, dat eerder deze maand verscheen bij Uitgeverij Thomas Rap.
De VPRO maakt wekelijks een podcast met de mooiste verhalen uit de rubriek Achterwerk van de VPRO Gids. De aflevering over Börre is hier te beluisteren.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant