Zanger, cabaretier en acteur Gerard Cox is zaterdag op 85-jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van slokdarmkanker, meldt zijn management. Hij maakte in augustus bekend dat hij ongeneeslijk ziek was.
is verslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over media en muziek.
In het begin van de jaren zeventig werd op indringende wijze en niet al te vriendelijk de vraag gesteld of Gerard Cox eigenlijk wel links genoeg was. De Rotterdamse cabaretier, acteur, zanger, oud-onderwijzer en levenslange Feyenoord-supporter had opgetreden in het muziekprogramma Op losse groeven van de rechtse Tros. Cox was daarmee, zo meende een deel van het progressieve kamp, overgelopen naar de vijand.
En dat allemaal vanwege een weemoedig liedje, deels van eigen hand, dat zijn loopbaan in 1973 een geweldige impuls gaf. Met ’t Is weer voorbij die mooie zomer forceerde Cox een stijlbreuk met zijn eigen oeuvre. De ‘wat cynische, links georiënteerde cabaretheer’, aldus Trouw destijds, had volgens critici domweg voor het geld gekozen.
En dat zong collega Ivo de Wijs ook, in de half-ernstige protestsong Pak de poen Ome Gerard.
Pak de poen, Ome Gerard
Altijd doen, Ome Gerard
Kampioen van het verdwaalde legioen, Ome Gerard
Duik met temerige teksten en met melige muziek
In de armen van je kwijlende publiek.
Zo was ook elders de stemming. In 1974 werd de cabaretpartner van Cox, Frans Halsema, om opheldering gevraagd. Samen hadden ze grote successen geboekt, in de brutale, maatschappijkritische voorstellingen Met blijdschap geven wij kennis (1968, ook met Adèle Bloemendaal) en Wat je zegt ben je zelf (1973).
Of Halsema er geen bewaar tegen had dat zijn partner bij de Tros had opgetreden, vroeg Trouw. Halsema begreep het wel, zei hij welwillend. De platenmaatschappij had er waarschijnlijk op aangedrongen en een tv-optreden was goed voor de bekendheid van het nostalgische liedje. ‘Als Gerard het nodig vindt, dan moet hij dat weten.’
Om het voor hem op te nemen zei Halsema ook dat Cox in de loop der jaren ‘wat vriendelijker’ was geworden. Wat de zaak er voor hem niet beter op maakte, was dat Cox plechtig had verklaard dat hij nóóit voor de Tros zou werken.
’t Is weer voorbij die mooie zomer werd mede door al die heisa een kantelpunt in de loopbaan van de Rotterdammer. Cox boorde een nieuw publiek aan en ook financieel ging het hem voor de wind. Van ’t Is weer voorbij die mooie zomer werden meer dan honderdduizend exemplaren verkocht. Als tekstschrijver en zanger deelde hij ruim mee in de revenuen.
Op vakantie in Frankrijk had hij in de zomer van 1973 op de radio en in een discotheek een nummer van de Frans-Amerikaanse zanger Joe Dassin gehoord, Salut les amoureux. Het origineel, City of New Orleans uit 1971, was van de Amerikaan Steve Goodman. Met steun van zangeres Lettie de Jong, producer Dick Bakker en orkestleider Rogier van Otterloo nam Cox het nummer op. ‘Toen moesten de diskjockeys de Zomer van die lastige, cynische cabaretier nog pikken. Dat is blijkbaar gelukt.’
Van de opbrengst kocht hij een boerderij in de Hoeksche Waard. Hij zou er nooit meer weggaan. In 1978 vatte hij alles nog eens samen, in een gesprek met NRC Handelsblad over ‘de media’. Nadat hij een tv-recensent van Het Parool achteloos voor ‘droplul’ had uitgemaakt en een van De Telegraaf voor ‘psychoot’, zei hij: ‘Voor rechts ben ik veel te links en voor links ben ik niet links genoeg.’
Ook verklaarde hij zijn ommezwaai. Hij begaf zich op een ‘breder terrein’ dan vroeger, zei hij. ‘Een show-achtig cabaret voor een zo breed mogelijk publiek. En tóch proberen het kritisch te houden. Terwijl we vroeger zuiver en alleen links geëngageerd voor een klein publiek stonden te werken.’
Een cynicus zou Gerard Cox altijd blijven. Het was een rol die hij met verve aandikte. Zijn aanvallen op alles wat Amsterdams was, waren legendarisch. Hij presenteerde zich als de achtergestelde, verongelijkte Rotterdammer en liet geen mogelijkheid onbenut om zijn weerzin tegen de hoofdstad en haar vermeend arrogante bewoners te tonen.
Na de Europa Cup-zege van Feyenoord nam hij in 1970 een treiterliedje op, Ajax is dood. Hij kreeg er spijt van. Het was een impuls, zei hij later, hij had niemand willen kwetsen. Ook ‘Hilversum’ kwam vaak aan de beurt, Studio Sport vooral. Studio Ajax noemde hij het programma, onder meer in zijn columns in de Feyenoord Krant. Tot op de dag van vandaag wordt een uitspraak over zijn favoriete club vaak geciteerd, ‘Feyenoord-supporter ben je niet voor de lol’.
Veel kwam samen in zijn rol als de aartsconservatieve mopperaar Jaap Kooiman in Toen was geluk heel gewoon, een nostalgische sitcom van de KRO waarin hij met verve samenspeelde met de vrouw met wie hij ondanks een scheiding tot zijn dood sterk verbonden bleef, stadgenote en collega Joke Bruijs. Vijftien jaar (1994-2009) lang leefde Cox zich uit als buschauffeur Kooiman.
Het personage riep herinneringen op aan Archie Bunker, de intolerante zeiksnor met talloze vooroordelen die zich in de jaren zeventig in de Amerikaanse serie All in the Family tegen elke verandering keerde. ‘Jaap Kooiman heeft die Archie-Bunkerachtige politieke incorrectheid die ik wel in hem kan waarderen’, aldus Cox goedkeurend.
Hij provoceerde graag. In de jaren zestig had hij in de satirische cabaretgroep Lurelei al hard van leer getrokken tegen religie (het lied God is niet dood) en het koningshuis.
Arme Ouwe over koningin Juliana leverde hem in 1966 een aanklacht wegens majesteitsschennis op. ‘Ik haat de monarchie/ Ik kan wel kotsen als ik Trix of Claus of Bernhard zie/ En Juliaan is ook niet veel, dat geef ik dadelijk toe/ Ze is volstrekt verwerpelijk, maar ze lijkt zo op me moe.’ Tot een veroordeling kwam het niet.
Minder ophefmakend, destijds, was in 1977 zijn rol als minnaar van een 14-jarig meisje (Marina de Graaf) in een film van Nouchka van Brakel, Het Debuut. Cox speelde een 41-jarige man die het meisje ontmaagde. Recensent Bertina van de Volkskrant was zeer over de film te spreken: ‘Naar deze love-story zullen de mensen in de bioscoop met genoegen willen kijken.’
Ook toen de tijden waren veranderd, in 2019, zei Cox tegen nu.nl dat hij dat ‘ook nu zou hebben gedurfd’. Hij dééd het er vaak om. In 1987 bracht hij een single uit waarvan de titel boekdelen sprak, Zo’n lekkere strakke blonde meid op ’n racefiets met de kernzin ‘Hou me vast jongens, anders rij ik er achteraan’.
Zijn liefde voor de ‘foute grap’ brak nooit. Cox was al anti-woke voordat woke als maatschappelijk verschijnsel ontstond. In 2015 zette hij ‘als trouwe abonnee’ in een ingezonden brief in de Volkskrant zijn grieven uiteen. ‘De tijden zijn blijkbaar veranderd’, stond erboven.
‘Ja, u kunt mijn humor en smaak wellicht niet waarderen en dat mag. Maar ik verdom het om in het jaar waarin ik vijfenzeventig geworden ben, met een prachtige carrière en leven achter mijn rug, eventjes weggezet te worden als een blanke boze ouwe racist die zijn ‘voorbeeldfunctie’ niet kent.’
Het was óók spel, deels, zei hij in 2019 in de Volkskrant nadat Sara Berkeljon hem had geconfronteerd met al die oude interviews ‘vol gemopper en gezeur’. Kankeren is léúk, zei hij. ‘In het theater al helemaal, mensen vinden het grappig. Misschien dat dat bij mij ook wel een beetje meespeelt. Misschien is het mijn toon.’
Hij ontkende het zelf, maar die plaat was grijsgedraaid. Hoe amusant vaak ook, zijn gemopper ontnam voor een deel het zicht op de veelzijdige artiest; op de begaafde theaterman die vanuit Rotterdam-Zuid een groot terrein veroverde en een sterke band met een groot publiek opbouwde. En grappig was hij ook, Gerard Cox.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant