Home

Ik vrees dat de Oekraïners worden vergeten

De eerste keer dat ik na de invasie de grens overstak, deed ik dat te voet met een 10-liter-jerrycan benzine in mijn hand. Oekraïne was droog komen te liggen, de rijen voor de benzinestations waren lang, het wachten vaak zinloos, en ik moest met mijn fixer naar Mykolajiv zien te rijden.

Simone Peek is buitenlandredacteur bij NRC.

In deze tijd willen vrouwen geen parfum, benzine is de geur van rijkdom, hoorde ik toen. Het klonk mooi – ik heb het in de krant gezet – maar urenlang met een lekkende jerrycan achterin in de auto zitten geeft flinke hoofdpijn.

De schok van de invasie was begin 2022 groot. Maar de eenheid die Oekraïne daar tegenover zette, was nog groter. Een platitude, maar het is echt waar. „De ogen van hen die besloten op een dag te sterven in de strijd, zijn altijd helderder dan die van anderen”, schreef dichter Yaryna Tsjornohoez. Die eerste lente, nadat Rusland was teruggetrokken rond Kyiv, sprankelden de ogen van veel Oekraïners op deze strijdbare wijze.

Elke paar maanden probeer ik terug in Oekraïne te komen. Soms blijf ik een paar weken of een maand. Tussendoor werk ik de reportages uit die ik heb opgehaald. Vanuit Nederland doe ik interviews, versla ik het nieuws, plan ik een volgende reis.

Eén ding blijft me treffen. Hoe hard ik ook mijn best doe om in Nederland te begrijpen wat er in Oekraïne gebeurt, en hoe vaak ik er inmiddels ook ben geweest – elke keer dat ik Kyiv instap, worden me in één oogopslag dingen duidelijk waarvan ik vooraf geen weet had, omdat ze zo alomvattend en vanzelfsprekend zijn dat Oekraïners er aan de telefoon niet over praten.

Bijvoorbeeld hoe na nachtelijke luchtaanvallen de vermoeidheid voelbaar wordt in de stad. Hoe ze iedereen tijdelijk vertraagt. Hoe je voorbijgangers kunt aankijken alsof jullie allebei door de gangen van een verzorgingstehuis schuifelen, overgeleverd aan oncontroleerbare krachten.

Of hoe diep het snijdt in de mens als vaders en moeders, ouders en kinderen door de oorlog gescheiden worden. Voor hoeveel mensen dat geldt. Hoe het de sociale structuur van het land in miljoenen stukjes heeft geslagen.

Moed erin houden

Ik deelde in 2023 een treincoupétje in de nachttrein met een vrouw die haar man op ging zoeken langs het front bij Zaporizja. Een paar uur zouden ze samen hebben. Voor het eerst in maanden. De vrouw praatte onophoudelijk, tot ik zei dat ik ging slapen, daarna zag ik haar tussen mijn wimpers door rechtovereind de nacht in staren, om bij het eerste zonlicht haar haar te kammen en make-up op te doen.

Slecht nieuws vertelde ze haar man nooit, zei ze. Dat is mijn taak, zei ze. De moed erin houden. Ze gaf me haar nummer en we zouden bellen over hoe het was gegaan. Maar haar telefoon bleef de dagen daarna uit.

Afgelopen lente ging nog een telefoon op zwart van iemand wiens ogen al meer dan drie jaar schitterden. Ik stuurde: „Sasja, ben je er nog?”. ‘Laatst gezien’ onder zijn naam in WhatsApp ging van weken, naar maanden, naar lang, heel lang geleden. Ik ontmoette Sasja toen hij herstelde van zijn vijfde hersenschudding, ergens in 2023. Hij verdedigde dat laatste strookje land dat Oekraïne controleert in de provincie Loehansk. Een dodemanspost.

Ik ben maar een journalist en weet niet waarom hij me altijd bleef schrijven. Waarom hij zijn fotoarchief aan me opstuurde en video’s van hoe hij zingend een gevecht uitkomt waar de helft van zijn groep was achtergebleven. Of waarom hij me soms midden in de nacht schreef dat hij gek werd en het niet meer aan kon. Dat ik terugstuurde: „Sasja, morgen komt de zon op.” Het was alles dat ik kon bedenken.

Elke keer dat ik terugkom in Oekraïne, voelt het ergens alsof ik in een nieuw land terecht ben gekomen. De benzinepompen waren snel weer bijgevuld, de stroomvoorziening is al honderd keer gerepareerd, inwoners groeven waterputten in hun achtertuinen toen de kranen droogvielen, de scholen hebben klaslokalen in schuilkelders. Rechters werken ’s nachts in de luchtverdediging.

President Zelensky ontvangt Oekraïense vlaggen tijdens de opening van de Nationale Militaire Begraafplaats in Kyiv Foto Vitalii Nosach/Getty Images

Maar hoe inventief en standvastig Oekraïne ook blijft, Rusland blijft even inventief en standvastig werken aan zijn vernietiging.

Tijdens een van mijn reizen vorig jaar zag ik plotseling, voor het eerst, dat Oekraïne weer een beetje gewoon Oekraïne is geworden. De eigenzinnigheid kwam terug. Er kwamen weer festivals. Echte feesten. Vóór de avondklok, die nog steeds geldt. Aan het ontbijtbuffet in de hotels kwam ik in de beginjaren vooral collega’s en artsen tegen, nu zijn er conferenties en steeds meer internationale gasten op zakenreis.

Het is moeilijk te beschrijven, het normale leven. Een volk, bestaand uit individuen. Net als in Nederland, gewoon mensen op straat zonder Groot Plan tegen de vernietiging. Maar niemand is in Oekraïne in staat dat plan helemaal los te laten.

‘Het is niet veilig’

Aan het eind van deze winter was ik op reportage richting Pokrovsk, een stad in het oosten die toen half (en inmiddels voor driekwart) omsingeld was door de Russen. Over een weg die onder vuur ligt naar een legerpost die een week eerder nog door een raket was geraakt.

Ik wilde het veiligheidsplan bespreken met de legerofficier die me meenam. Ze keek me aan. Veiligheidsplan? Ze zei: „Het is niet veilig.” Ik zei: „Wat kunnen we doen om het risico zo klein mogelijk te maken?” Ze schudde haar hoofd naar deze vrouw uit een andere wereld. „Er is niets dat we kunnen doen. Je wil daar naartoe, toch?” Toen we na vier uur weer op dezelfde plek uitstapten, zag ik voor het eerst haar lach.

De chauffeur die me rondreed, had geen krimp gegeven. Pas dagen later hoorde ik hem zeggen dat hij in elf jaar oorlog nog nooit zo veel verschillende dingen in zo’n korte tijd had zien ontploffen als die avond in Pokrovsk.

Aan het front bestaat alleen nog het nu. Ik zag mannen hun uitrusting controleren vlak voordat ze naar hun positie gingen. De angst in hun ogen. Serhi van 35 sloeg kruisjes in het groene licht van de pantserwagen. Ik vroeg hoe hij zich voelde. „Ik ga daarheen om te doden, snap je dat?” zei Serhi, me indringend aankijkend. „Niet omdat ik dat wil, maar omdat het moet. Ik vecht voor vrede.”

Vrede.

Niet eerder schreef ik zo veel artikelen over ‘vrede’ als afgelopen maand. Eén ding is duidelijk: Europa’s lot is diep verbonden geraakt met dat van Oekraïne. Dat realiseren de Europese leiders zich, en dat lijkt me goed.

Wat ik mis, wat ik bijna nooit hoor – nee, wat ik vrees – is dat de Oekraïners vergeten worden. Niet Oekraïne, maar de Oekraïners. Dat het voor lief wordt genomen dat zij de Russen bezighouden, terwijl Europa langzaam zoekt naar consensus over zijn defensie.

Maar er worden bovenmenselijke offers gevraagd van het volk. Hoe langer, hoe ondraaglijker.

Afgelopen week werd een Oekraïense politicus op straat doodgeschoten, door een man die zegt dat hij wraak wilde nemen voor het sneuvelen van zijn zoon in de verdediging van Bachmoet. Afgelopen week werd een gemobiliseerde man doodgeschoten bij de grens in Odesa, terwijl hij illegaal zijn land probeerde te ontvluchten. Afgelopen week opende president Volodymyr Zelensky een nieuwe begraafplaats voor nog te vallen en nog te vinden doden.

Nog meer wapens

Europa heeft tijd nodig. Voor de krantenlezer zijn de verhalen over mannen aan het front sleets geworden. Maar in de hele Europese Unie lijkt het moeilijk mensen te vinden die ook maar één teen in dat gloeiendhete water willen steken. We horen nu plannen over nog meer wapens. Europa koopt, maar weigert ze zelf te bedienen. Europa moet veiligheidsgaranties afgeven, maar als je goed luistert, wil het die zelf ook.

Ik denk aan de officier uit Pokrovsk – oorlog is niet veilig. Ik wil maar zeggen, het is niet vanzelfsprekend wat de Oekraïners doen. Ze hebben geen andere keuze.

Afgelopen maand ging Sasja plotseling van ‘heel lang geleden’ naar ‘10 minuten geleden online’. „Simone!” schreef hij, en hij stuurde een reeks foto’s van hemzelf, ingepakt als mummie, zijn verband vol gele jodiumvlekken. Hij kon niet typen de afgelopen maanden. Maar het gaat weer beter. Prima zelfs.

Dan ben je nu toch klaar zeker, schreef ik. Gewond genoeg om niet meer te hoeven vechten.

„Ik ben nog niet klaar”, schreef Sasja. „Alles wordt Oekraïne.”

Source: NRC

Previous

Next