is correspondent Verenigde Staten van de Volkskrant. Hij woont in New York.
Waar lopen de correspondenten van de Volkskrant tegenaan in hun dagelijkse leven? Vandaag: Thomas Rueb is ’s nachts in New Jersey op zoek naar benzine en stuit op een oude wet.
‘Sir, sir! Excuse me!’ Ik hang al half uit de auto voor ik doorheb dat er tegen mij wordt gesproken. Een man met een veiligheidshesje sloft met zwaaiende armen op mij af. Ik kijk om me heen, het donkere tankstation is verder verlaten, en wijs alsnog stompzinnig op mijn borst. Ik? ‘Yes, you!’, roept de man in fluorescerend geel. ‘Blijf in uw auto.’
Dit soort hesjes – niemand draagt ze zomaar – vraagt gehoorzaamheid. Ik zak gedwee terug in mijn stoel. Wanneer de man mijn raampje bereikt, is hij al buiten adem. ‘Wat kan ik voor u doen?’, hijgt hij.
‘Uh’, antwoord ik. ‘Ik kom tanken?’ De man rolt met zijn ogen. ‘Snap ik ook wel. Maar hoevéél?’
Dan valt het kwartje. Ik moet vanuit Delaware ongemerkt de grens met New Jersey zijn overgestoken. De enige Amerikaanse staat waar je niet zelf mag tanken.
Het is er beter om geen haast te hebben. Pompstations in New Jersey hanteren het tempo van voorbije tijden. Hier wachten automobilisten obligaat tot een ‘pomper’ hun voortuig heeft bereikt. Ook in de spits of, zoals nu, midden in de nacht.
De reden voor deze wet, zoals wel meer in de staat die diende als decor van tv-serie The Sopranos, is enigszins maffioos.
In 1949 besloot ene Irving Reingold, pompuitbater te Hackensack, een kartelafspraak met zijn concurrenten te breken. Hij verlaagde de literprijs van 79 naar 71 dollarcent. Zijn besparing: geen pompbedienden, destijds door heel het land gemeengoed.
Concurrenten gromden, dreigden, beschoten zijn tankstation. Reingold, een legerveteraan, plaatste doodleuk kogelwerend glas.
Dus werd het de politiek. Pompbazen overtuigden het lokale Congres om bediening ‘wegens de veiligheid’ wettelijk te verplichten. Prijzen schoten omhoog, Reingold verhuisde naar Florida en de regel versteende tot, inmiddels, traditie.
‘Gooit u hem dan maar vol’, hoor ik mezelf mompelen. De man in het gele vestje knikt. Vreemd om hem iets op te dragen wat ik zelf met één stap naar buiten zou kunnen. ‘Kan ik eigenlijk bij u pinnen?’ Weer een oogrol. Een ja, besluit ik.
Elke zoveel jaar ontstaat er in New Jersey weer discussie. Drie gouverneurs op rij poogden de wet af te schaffen. Steeds volgt er verzet. ‘Politieke zelfmoord’, verzuchtte gouverneur Phil Murphy in 2021.
Maar waaróm?
Gedeeltelijk is het lokale trots: want waar elders zie je dit nog? Het zijn ook de banen: drieduizend tankstations verschaffen in New Jersey werk aan zo’n tienduizend ‘pompers’. Oud-gouverneur Chris Christie noemt het vooral een ‘genderding’: vrouwen zouden zich er veiliger door voelen. Of ligt het eigenlijk gewoon aan New Jerseys beruchte winters?
Critici wijzen op iets anders. De lobby van pomphouders, en hun greep op de politiek, zou hier nog altijd onverbiddelijk zijn. Naar verluidt was Irving Reingold daar op zijn sterfbed, in 2017, nog altijd furieus over.
‘Helemaal vol’, herhaalt de pompman. ‘Komt goed, hoor.’ Hij neemt mijn creditcard aan en sloft uit mijn vizier. Stilte, secondenlang. Even begin ik te twijfelen. Maar dan hoor ik het klepje van tank openspringen. De slang uit de houder klikken. De geruststellende zoem van bewegende benzine. Ja, denk ik. Dit heeft wel iets.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant