Als diplomaat in Oeganda dreigde hij cynisch te worden over westerse financiële steun aan een dictatuur. Met zijn organisatie 100Weeks kiest Jeroen de Lange zijn eigen weg om armoede te bestrijden: hij geeft cashgeld aan de allerarmsten in Afrika.
schrijft voor de Volkskrant over zingeving.
‘Wil je iets aan onrecht en conflicten in de wereld doen, dan moet je eropaf. Dat heeft mijn vader me voorgeleefd en dat ben ik zelf ook gaan doen – je moet ter plekke zijn en naar mensen luisteren.’
Dus fietst Jeroen de Lange, wanneer hij kabinetschef van de gemeentesecretaris onder de Amsterdamse burgemeester Job Cohen is, daags na de moord op Theo van Gogh in 2004 naar de buurt van diens moordenaar Mohammed B. ‘om te horen waar de haat vandaan komt’. De volgende dag repareert hij in zijn overall samen met jonge moslims fietsen, terwijl zij hem vertellen over hun grieven, zoals discriminatie en het neerkijken op hun godsdienst. Hun verhalen dragen bij aan zijn ideeën over wat Amsterdam te doen staat, met het gemeentelijke actieplan ‘Wij Amsterdammers’ tot gevolg.
Het Ideaal
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
Inspiratie daarvoor put hij ook uit zijn eerdere werk als diplomaat in Rwanda. Daar arriveert hij in 2001, zeven jaar na de genocide van de Hutu’s op de Tutsi’s. Beide bevolkingsgroepen, nog vervuld van verdriet en haat, moeten het weer met elkaar zien te rooien. ‘Na de genocide was het vooral zaak de onderlinge spanningen, de polarisatie, te verminderen. Na de moord op Van Gogh drong de parallel met Rwanda zich bij me op. Ook in Amsterdam namen na een geweldsuitbarsting de spanningen in de stad toe, de conflictdynamiek was vergelijkbaar.’
Het kweken van begrip tussen bevolkingsgroepen en het streven naar internationale solidariteit lopen als een rode draad door zijn leven. Hij is afkomstig uit een Brabants gezin, waarvan de ouders, beiden werkzaam in het onderwijs, actief in de vredesbeweging zijn en tot de progressieve vleugel van de katholieke kerk behoren. In de jaren zeventig hangt zijn ouderlijk huis vol met politiek getinte posters, tegen kernwapens en voor de PPR. Als jochie loopt hij met zijn ouders mee in een Vietnam-demonstratie.
Als middelbare scholier zet hij zijn eerste eigen schreden op het pad van maatschappelijke betrokkenheid, wanneer hij, midden in de Koude Oorlog, met medescholieren een reis naar Oost-Duitse leeftijdgenoten organiseert. Het is een poging om aan de ontspanning tussen burgers in Oost en West bij te dragen. ‘We kwamen erachter dat die Oost-Duitse jongeren niet veel anders in hun leven wilden dan wat wij wilden.’
Met zijn studiekeuzen, ontwikkelingseconomie en internationaal recht, hoopt hij eveneens ‘een betere wereld’ dichterbij te brengen. Concreet krijgt dat vorm bij vredesorganisatie Pax. ‘Eropaf’ betekent dan reizen naar Israël en landen in Oost-Europa organiseren met als doel ‘het maatschappelijk middenveld in die landen te steunen’. Tot verrassing van zijn omgeving verruilt hij die ‘burgerdiplomatie’ voor de echte diplomatie, via het diplomatenklasje van Buitenlandse Zaken: ‘Mijn vrienden vonden dat een grote grap, ze zagen mij als een activist. Maar ik wilde proberen dingen van binnenuit te veranderen’.
Na zijn jaren in Rwanda en op het Amsterdamse stadhuis volgen vanaf 2006 vier jaren in Oeganda – eerst als diplomaat, later voor de Wereldbank. In die laatste rol komt hij in aanraking met het thema dat hem in de afgelopen tien jaar heeft beziggehouden: armoedebestrijding. In 2015 begint hij 100Weeks, een niet-gouvernementele organisatie waar de inmiddels 56-jarige De Lange in de afgelopen jaren aanzienlijk meer tijd aan heeft besteed dan aan het advieswerk dat hij vanaf zijn woonboot in Broek in Waterland doet. Het concept van 100Weeks is: honderd weken lang geld geven aan vrouwen in extreme armoede, zonder voorwaarden vooraf, met als doel vrouwelijk ondernemerschap te stimuleren. ‘Het is waanzinnig succesvol gebleken. Van de tienduizend vrouwen die we hebben gesteund, heeft 82 procent zich uit de armoede opgewerkt. Dat helpt het hele gezin, dus we hebben wel vijftigduizend mensen bereikt.’
Hoe beviel u de overgang van activisme naar diplomatie?
‘Die vond ik vreemd genoeg niet zo groot. In Rwanda, mijn eerste post voor Buitenlandse Zaken, bevond ik me op het snijpunt van activist en diplomaat. De ene ambassadeur vond dat prachtig, de andere had er soms moeite mee. Maar dat heeft me nooit tegengehouden, ik stapte gewoon op iedereen af. Bij ons thuis organiseerden we borrels, waar al snel het hele maatschappelijk middenveld van Kigali, de hoofdstad van Rwanda, kwam: mensenrechtenactivisten, journalisten, noem maar op. Voor hen was ik een toegankelijke, open diplomaat, maar ik kon het ook goed vinden met de minister van Justitie. Ik was verantwoordelijk voor justitie, mensenrechten en media. We hadden aardig wat budget, waardoor ik concrete veranderingen in gang kon helpen zetten.’
Kunt u een voorbeeld geven?
‘De omstandigheden in de gevangenissen in Rwanda waren mensonwaardig. Gevangenen hadden honger en zaten bovenop elkaar; wanneer iemand wilde slapen, moest een ander staan. Velen hadden aan de genocide deelgenomen, maar dat is nog geen reden ze niet menswaardig te behandelen. Daarom hebben we veertigduizend bedden laten lassen. Daarvoor bezocht ik gevangenissen. Ik ontmoette een keer een kok, die in potten stond te roeren, en gaf hem een hand. Na afloop vertelde de gevangenisdirecteur dat die man baby’s tegen de muur kapotgegooid had. Verbijsterend, shaking hands with the devil, dat was dat moment voor mij. Van de genocide kwam ik in het land overal sporen tegen. Ik heb kerkjes gezien waarin de lijken nog lagen opgestapeld.’
Hoe weet u wat het goede doen is in zo’n complex land?
‘Dat is inderdaad lastig. Voor je het weet maak je als buitenstaander dingen erger, omdat je niet goed begrijpt welke krachten er spelen. Wat helpt: goed luisteren naar mensen ter plekke. Ik ben bijvoorbeeld een nauwe samenwerking aangegaan met de bekende radiomaker George Weiss van Radio La Benevolencija. We wilden de genocide als onderwerp aansnijden, met vragen als: hoe kon het zover komen en wat is ervoor nodig om herhaling te voorkomen? Ik heb toen inspiratie gehaald uit een boek over de Cosby Show, het tv-programma dat wit Amerika anders naar zwart Amerika heeft laten kijken. Dat spoor van education entertainment leidde tot een soapserie – een liefdesgeschiedenis tussen een jongen en een meisje, tegen de achtergrond van toenadering tussen bevolkingsgroepen. Half Rwanda zat aan de radio gekluisterd om die serie te volgen, er is bewijs dat het bijdroeg aan verzoening tussen Hutu’s en Tutsi’s.’
Hoe bent u op het idee van 100Weeks gekomen?
‘Toen ik in Oeganda bij de Wereldbank werkte, kwam er iemand uit Washington dat idee pitchen: niet langer werken via allerlei organisaties en bureaucratie, maar direct wekelijks een bedrag geven aan vrouwen onder of op de armoedegrens. Via een overboeking per sms was dat technisch eenvoudig geworden. Ik dacht destijds: ‘Dit slaat helemaal nergens op, dan kunnen we de tent net zo goed sluiten.’ Het leek me geld over de balk smijten, ik kon me niet voorstellen dat het goed zou worden besteed.
‘Op dat moment was ik zelf met heel andere bedragen in de weer. Ik was voorzitter van de donorgroep van westerse landen die voor honderden miljoenen begrotingssteun aan de Oegandese regering gaf. Dat was bestemd voor onderwijsprojecten, zorg, infrastructuur, noem maar op. We dachten zo de grote armoede in het land te kunnen bestrijden. Op papier mooi, maar in de praktijk kwam het neer op het sponsoren van de dictator, Yoweri Museveni (die al sinds 1986 aan de macht is, red.). Ik herinner me een nachtelijke sessie met een andere Wereldbank-econoom, waarbij ons de omvang van de corruptie duidelijk werd. ‘Die gasten lachen ons vierkant uit’, zei ik. Het werd me toen glashelder dat ons geld alleen maar werd gebruikt om een dictator zijn macht te laten behouden. Dan loop je het gevaar cynisch te worden.’
Waarna u zich het idee van geld weggeven aan de allerarmsten herinnerde?
‘Dat kwam pas jaren later weer bij me op. Na Oeganda heb ik lang gezocht naar hoe je armoede kunt bestrijden, dat thema liet me niet los. In Rwanda en Oeganda had ik gezien en geroken wat armoede betekent. Het is vuil, het is mensonwaardig en het doet iets met je hersenen: als je iedere dag in een overlevingsmodus zit, neem je suboptimale beslissingen. Ik had gezien hoe kinderen in de klas van de honger in slaap vielen,omdat ze niet hadden ontbeten. Tien jaar geleden ben ik met 5.000 euro van mezelf, familie en vrienden begonnen, nadat ik me had verdiept in wetenschappelijke studies die aantoonden hoe effectief deze simpele methode is.’
Hoe voorkomt u dan dat het geld verkeerd wordt besteed?
‘In de praktijk blijkt dat nauwelijks een probleem. We steunen alleen vrouwen, simpelweg omdat die beter met geld kunnen omgaan dan mannen. Wanneer ze omgerekend 8 euro of minder per week verdienen, krijgen ze er 8 euro per week bij. In eerste instantie zetten ze die verdubbeling in voor genoeg eten: ze gaan van één naar drie maaltijden. Het huis wordt gerepareerd, kinderen gaan naar school. Vrouwen durven weer naar de kerk, omdat ze een jurk kunnen betalen. ‘Ik ben weer iemand’, zei een van hen tegen me. Ongelooflijk ontroerend. Een kind van een van de vrouwen vertelde dat hij naar de universiteit gaat, dat was hem anders nooit gelukt. Dat motiveert me enorm.
‘De deelnemers weten dat de financiële steun na honderd weken eindigt. Dus wanneer ze de basis op orde hebben en iets van bestaanszekerheid ervaren, gaan ze plannen maken – voor een winkeltje, een naaiatelier, werk als fotograaf, noem maar op. Daarbij helpen we ze. In de vijf landen waar we actief zijn, hebben we coaches die trainingen geven in ondernemerschap en met geld omgaan. Daar komen de vrouwen elkaar tegen, ze helpen elkaar met sparen en ondernemen. Dat laatste gaat natuurlijk niet altijd goed, maar het scheelt alles dat ze niet langer dagelijks stress over eten hebben.’
Hoe komt 100Weeks aan inkomsten?
‘We hebben een trouwe groep van tweeduizend donateurs. Die geven ruim zes ton, daarnaast helpen stichtingen. Jaarlijks hebben we vier miljoen euro nodig, het is hard werken dat binnen te halen. Waar ik moeite mee heb, zijn ondernemers die van gekkigheid niet weten wat ze met hun geld moeten doen, maar glashard tegen me zeggen: ik geef niet om vrouwen in Rwanda. Dat gaat er bij mij niet in, ik ben zo anders grootgebracht. Soms lukt het me ze te overtuigen. Ik laat ze zien hoe efficiënt 100Weeks wordt gerund, als een business, daar kunnen ze wel respect voor opbrengen.’
Wat wilt u verder nog bereiken?
‘Met 100Weeks heb ik een organisatie opgebouwd die staat; er is een jong team dat het zonder mij kan, al blijf ik wel betrokken. Ik wil vooral het concept van 100Weeks in Nederland toepassen. Natuurlijk, we hebben hier uitkeringen, maar de sociale zekerheid is zo uitgekleed dat je niet meer van een fatsoenlijk bestaansminimum kunt spreken. Dat raakt me, net zoals het feit dat andere kinderen dan die van ons zo veel minder kansen in hun leven hebben. In Nederlandse steden heb je buurten waar jonge vrouwen tot in de derde generatie werkloos zijn. Tegelijkertijd is er een gigantisch tekort aan zorgpersoneel, bijvoorbeeld aan vroedvrouwen. Dat kan toch niet, daar moet echt wat aan gebeuren. Met 100Weeks heb ik aan internationale solidariteit bijgedragen, nu wil ik wat doen voor Nederlanders die door domme pech het niet dreigen te redden.’
Boekentip: De wereld van gisteren van Stefan Zweig.
‘Zweig schrijft over een maatschappelijke orde die onwankelbaar lijkt, maar toch instort. Zijn ‘wereld van gisteren’ kan die van morgen zijn. In de jaren dertig was er het fascisme, maar nu zijn we ook niet immuun voor zo’n ineenstorting. Dat besef motiveert me alles eraan te doen onze democratie te beschermen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant