Home

Hoe gedeelde waarheden vergruisden in het tijdperk van ‘post-truth’

Post-truth Of het nu gaat om verlies van vertrouwen in politiek en wetenschap, om de uitholling van het geloof in objectiviteit en feiten, of om de algehele crisis van de westerse cultuur – postmoderne denkers krijgen overal de schuld van. Terecht?

Friedrich W. Nietzsche. Foto Bettmann Archive

Is het allemaal de schuld van postmoderne dwazen? Van Franse filosofen als Jacques Derrida en Michel Foucault, die in hun onnavolgbare proza de waarheid op losse schroeven zetten? Of van het Duitse orakel Nietzsche, de ‘filosoof met de hamer’ die twintig eeuwen westerse wijsbegeerte aan diggelen sloeg?

Of het nu gaat om het verlies van vertrouwen in de politiek, om de uitholling van het geloof in objectiviteit en feiten, of om de algehele crisis van de westerse cultuur, ‘postmoderne’ filosofen – met Nietzsche als voorloper – krijgen er in de culture wars al jaren de schuld van. Zij hebben de bijl gelegd aan de wortel van de westerse beschaving, aldus recent nog de Vlaamse filosoof Maarten Boudry in zijn boek - de titel zegt het al - Het verraad aan de verlichting .

Is het ook waar? Op het eerste gezicht lijkt het vergezocht om studeerkamergeleerden aan te wijzen als daders, laat staan verraders. Trump, de man van de ‘alternatieve feiten’ voor wie de waarheid niet meer is dan een speeltje, is niet geworden wie hij is door voor het slapen gaan nog even een stukje Derrida te lezen.

Filosofen aanklagen lijkt een verwarring van basis en bovenbouw, marxistisch gesproken. Zij zijn in de regel eerder de exponenten van een sociaal-economische of culturele omwenteling – klagend of juichend – dan de veroorzakers ervan. Steve Jobs en Elon Musk zijn voor de centrifugale media-onderdompeling van de moderne mens vermoedelijk belangrijker dan filosofische jongleurs aan de Parijse rive gauche.

Maar toch: enige invloed kunnen ze natuurijk wel hebben, zeker op wat dan misprijzend heet de ‘kletsende klasse’. Aan universiteiten, in de culturele bovenbouw - en daarbuiten, zoals ook wetenschappelijke theorieën van een Einstein of Darwin in gepopulariseerde vorm dalend cultuurgoed zijn geworden.

In De waarheidscrisis neemt hoogleraar filosofie Martine Prange van Tilburg University het met verve op voor twee filosofen die vaak de kop van jut zijn van anti-postmodernisten: Michel Foucault (die zichzelf niet postmodern noemde) en Nietzsche (die overleed in 1900). Hun denken, betoogt Prange, is geen aanval op het modernisme of de verlichting maar eerder een „opgevoerde” versie ervan, een voortzetting van het kritische denken van Kant. De kritische blik keert zich bij hen naar binnen, naar de eigen begrippen en al te eenduidige rationele overtuigingen.

Dat betekent volgens Prange niet dat waarheid bij het grofvuil wordt gezet, wel dat de meerduidig wordt, een kwestie van positie en perspectief. Foucault wilde onderzoeken „wie de waarheid spreekt” – een cruciale vraag in het post-truth-tijdperk dat Prange diep verontrust.

Wil tot macht

Want: we staan oog in oog met „opkomend fascisme”, zoals dat van Trump, dat „oorlog voert tegen de waarheid” – en, luidt de waarschuwing, dat kan ook hier zomaar gebeuren. De democratie is beland in een „epistemologische crisis” die dankbaar wordt uitgebraad door populisten. Alleen, dat is niet de „schuld” van Nietzsche of Foucault, die in hun werk juist blijk gaven van een diep engagement met waarheid.

Prange verdedigt Foucault en (vooral) Nietzsche erudiet en met passie, al is een detail soms niet helemaal raak (de standaard-kritiek op relativisme, namelijk dat het zichzelf tegenspreekt omdat de relativist meent dat het wáár is dat waarheid niet bestaat, heet niet het ‘terugslag-argument’, dat is de term is voor een ander taalfilosofisch argument).

Bezwaarlijker is dat je gaandeweg het vermoeden krijgt dat Prange wel gelijk heeft maar ook te véél protesteert. Nietzsche’s spreuk dat de wereld Wille zur Macht is „en niets anders” zul je in de context van zijn oeuvre moeten wegen, maar dat je met deze slagzin waarheid kunt kortwieken tot een functie van macht, lijkt moeilijk te ontkennen. Zoals lastig te betwisten is dat écht ‘postmoderne’ filosofen als Richard Rorty of Judith Butler grote invloed hebben gehad op met name de Amerikaanse humaniora en intelligentsia. Een apologie van het postmodernisme contra radicaal-rechte cultuurkritiek zou zich ook met de werking van zulke denkers moeten verstaan.

In andere hoofdstukken besteedt Prange gelukkig ook ruim aandacht aan oppervlakkige – en dus in feite juist diepere – technologische en sociale verschuivingen, zoals de „elektrificering van mens en cultuur”, de onstuitbare digitalisering en de opkomst van de surveillance-staat. Die hebben de erosie van de publieke ruimte en een gedeelde waarheid veel sterker aangejaagd. Die hoofdstukken zijn urgent, al voegt Prange niet heel veel toe aan een waaier van vergelijkbare cultuurdiagnoses door de jaren heen, van Neil Postmans pre-digitale Amusing Ourselves to Death uit 1985 (dat in het boek aan bod komt) tot Jonathan Haidts The Anxious Generation (2024).

Wat is de remedie? Prange pleit voor een nieuwe „politiek van de waarheid”. Of een oude eigenlijk, want het zou een navolging zijn van het oud Griekse parrèsia dat Prange bewondert en herkent bij de grote Verlichter Kant: het vrijmoedig en kritisch spreken van waarheid, op basis van gedeelde feiten en vanuit een moreel engagement. Grote vraag blijft of en hoe zo’n herwaardering anno 2025 nog mogelijk is.

Daarbij klinkt in dit boek ook een bijna weemoedig verlangen naar een wereld waarin „zwijgen, stil zijn, lezen en de tijd nemen” er weer toe doen. Kunst, humor en allerlei vormen van „micro-verzet” moeten ons redden. Dat klinkt eerder als een strategie voor persoonlijk overleven dan voor publieke weerstand.

Culture wars

De ‘waarheidscrisis’ die Prange signaleert is natuurlijk geen lokaal, laat staan Nederlands verschijnsel. In Democracy and Solidarity buigt de gerenommeerde Amerikaanse socioloog James Davison Hunter zich op een heel andere manier over dezelfde problemen. In een historisch Amerikaans perspectief, van de achttiende eeuw tot heden. Hunter heeft recht van spreken, want van hem stamt de term culture wars (uit Culture Wars. The Struggle to Define America, 1991). In dat boek onderzocht hij de morele en culturele consensus die volgens hem nodig zijn om de liberale democratie levensvatbaar te houden.

Dat die consensus inmiddels mogelijk al onherstelbare schade heeft opgelopen, is het sombere uitgangspunt van Democracy and Solidarity. In dit nieuwe boek reconstrueert hij aan de hand van een nauwgezette lezing van politieke teksten de historische spanningen die al vanaf het begin vervat zaten in ‘het Amerikaanse project’ en de scheuringen – en reparaties – die zich erin, in opeenvolgende fasen, hebben voltrokken.

Uit één stuk was dat project nooit. Hunter spreekt van een „hybride Verlichting”, die direct een inherente spanning kende tussen religie (Amerika als ‘Gods plan’) en secularisme (scheiding van kerk en staat). Tussen het idee ook van menselijke gelijkheid en de praktijk van slavernij, onderdrukking van de inheemse bevolking en uitsluiting van vrouwen.

Na elke nieuwe crisis, die van de Burgeroorlog (1861-1865) tot de economische krach van de jaren dertig, wist Amerika die hybride verlichting te herijken, zodat een sociale en politieke consensus mogelijk bleef. De Burgeroorlog, met beide zijden die God te hulp riepen, maakte een eind aan de bindende kracht van publieke religie. Christelijk Amerika viel uiteen in allerlei groepen (met als gemene deler anti-katholicisme). Een nieuwe consensus werd gevonden door onder meer de filosoof John Dewey (1859-1952), in een pragmatisch en seculier humanisme. Dat werd de basis van een progressief liberalism dat in de loop van de twintigste eeuw dominant werd aan de politieke, culturele en intellectuele top.

Dat sociale contract liep in de jaren zeventig stuk op de driedubbele ontgoocheling van Vietnam, Watergate en economische stagnatie. Bovendien riep de linkse ‘tegencultuur’ een conservatieve reactie op die tegelijk neoliberalisme en evangelisch christendom uitdroeg. Dat was het begin van de culture wars. Zoeken naar consensus verdween uit zicht, Amerika viel uiteen in onverzoenlijke kampen die elkaar beschuldigen van landverraad dan wel fascisme.

Met de autoritaire Trump-revolutie bereikt die gestage desintegratie haar apotheose. Inmiddels zijn we volgens Hunter „allemaal relativisten geworden”, die alleen in het eigen gelijk geloven en niets anders meer voor waar aannemen, vooral niet als het van deskundigen komt.

Hier komt dan ineens toch de ‘ironische liberal’ Richard Rorty (1931-2007) langs, over wie Hunter ambivalent is. Rorty, op zoek naar niet-chauvinistische vaderlandsliefde, radicaliseerde het pragmatisme van Dewey en wees pogingen af om een ‘fundament’ te vinden voor het liberalisme. Solidariteit, was zijn slogan, is belangrijker dan waarheid.

Hunter kan daar een eind in meegaan, maar verwijt Rorty uiteindelijk onbedoeld te hebben bijgedragen aan het beeld van de samenleving als louter een strijdtoneel, waar alleen macht telt. Die is nu in handen van de ideologen achter Trump, die lak hebben aan universele waarden en een nieuwe sociale orde willen vestigen, desnoods met geweld.

Hunter doet mooie aanbevelingen voor wederzijds respect die stroken met de wensen van Prange, maar hij is een stuk somberder. Hij beseft dat die veel weg hebben van intellectuele dromen. Er rest vooral de „hoop” dat het liberale project ooit zal herrijzen – tegen beter weten in.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next