Een beetje depri en overprikkeld, na die traumatische zoommeeting? Zolang een term ons leven wat betekenisvoller of dramatischer laat klinken, claimen we hem graag. Met concrete gevolgen voor mensen die de taal het hardst nodig hebben.
We leven in een tijd waarin elk ongemak een etiket krijgt. ‘Trauma’ was ooit een klinisch begrip, nu een modieus label voor elke teleurstelling. Een ‘burn-out’ was ooit een term voor ernstige uitputting, die vaak langdurige arbeidsongeschiktheid tot gevolg had. Nu is het synoniem voor ‘niet zo lekker in je vel zitten’. Een depressie is in de psychiatrie een levensbedreigende ziekte, in het dagelijks leven zijn mensen al ‘depri’ van een regenachtige dag. En ja, ook ‘overprikkeld’: een term voor de ontregeling die mensen met hersenletsel of neurologische aandoening ervaren, die kan leiden tot migraineaanvallen, uitval of syncope, gebruiken we tegenwoordig om te zeggen dat we moe zijn.
Al deze woorden zijn slachtoffer van wat psychologen ‘concept creep’ noemen: het fenomeen waarbij een diagnostische term zo breed wordt toegepast dat hij alles en dus niets meer betekent. Psycholoog Nick Haslam introduceerde het begrip in 2016 en liet zien hoe psychologische en medische termen steeds verder opschuiven naar mildere en bredere verschijnselen, waardoor hun oorspronkelijke scherpte verdwijnt. Het gevolg is voorspelbaar: begrippen die eerst wezenlijk onderscheid maakten, verworden tot vage metaforen. En de mensen die ze het hardst nodig hadden, raakten hun taal kwijt.
Maartje van Meijel is voorzitter van de Stichting Zeldzaam Ziek.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Dit is geen semantisch geneuzel. Taal is macht. Ze bepaalt wie gehoord wordt en wie onzichtbaar blijft. Wanneer een medisch begrip in de volksmond inflatoir wordt, betaalt de patiënt de prijs. Termen die ooit toegang gaven tot erkenning en zorg, verliezen door modegebruik hun gewicht en overtuigingskracht, en daarmee wordt de medische diagnose ondergraven.
Wie werkelijk maandenlang niet kan werken, krijgt sneller het verwijt ‘iedereen is tegenwoordig moe’. Wie echt in een klinische depressie verkeert, krijgt het stigma dat hun lijden ‘overdreven’ zou zijn – ‘depri’ is immers een synoniem voor ‘een beetje sip’. En patiënten met trauma’s door oorlog, geweld of misbruik, hebben om hun leed te beschrijven enkel de term die een ander gebruikt om het te hebben over een ongemakkelijke Zoom-meeting.
In een veelbesproken recent essay vroeg Nina Polak zich af of de term ‘overprikkeling’ niet vooral een cultuurdiagnose is. Intussen gebruiken festivalorganisatoren het begrip om een loungehoek te verkopen, en marketeers om noisecancelling koptelefoons aan te prijzen. Daarmee verwordt ‘overprikkeld’ in de publieke sfeer tot synoniem voor ‘druk in het hoofd’. Terwijl breincoaches volle zalen trekken met een tienstappenplan voor het ‘overprikkelde brein’, proberen neurologen en patiëntenorganisaties te benadrukken dat dit in de medische context over iets heel anders gaat. Maar in het publieke domein wint lifestyle het van de klinische realiteit.
Het zou te gemakkelijk zijn om dit alleen neer te zetten als cultureel misverstand. In werkelijkheid legt het iets ongemakkelijks bloot: onze neiging alles te medicaliseren, zolang het maar over onszelf gaat. De Amerikaanse socioloog Peter Conrad beschreef dit proces als de medicalisering van de maatschappij, waarbij steeds meer alledaagse ervaringen als medisch probleem worden gedefinieerd. Zolang een term ons leven wat betekenisvoller of dramatischer laat klinken, claimen we hem graag. Daarmee krijgen mensen taal die gewicht en status verleent voor hun ervaringen, maar tegelijkertijd vervaagt het de grens tussen ziekte en ongemak. En precies daardoor worden mensen die met echte beperkingen worstelen, verder gemarginaliseerd.
Als voorzitter van Stichting Zeldzaam Ziek zie ik hoe groot die impact kan zijn. Voor mensen met zeldzame aandoeningen is er vaak al nauwelijks kennis of herkenning. Taal is dan de enige houvast om hun situatie over te brengen. Als juist die woorden hun betekenis verliezen, verdwijnen patiënten niet alleen uit het gesprek, maar soms ook uit het zorgsysteem. Artsen en beleidsmakers herkennen hun klachten minder snel, verzekeraars twijfelen eerder aan hun beperkingen en de samenleving schuift hun lijden makkelijker terzijde.
De gevolgen zijn concreet. In een studie uit 2018 kregen 54 artsen-in-opleiding allemaal hetzelfde patiëntendossier te lezen, met slechts één verschil: in de ene versie werd de patiënt aangeduid als ‘substance abuser’, in de andere als ‘person with a substance use disorder’. Die ene term leidde ertoe dat artsen de patiënt die ‘substance abuser’ werd genoemd, minder gemotiveerd vonden en tot 17 procent minder vaak pijnmedicatie voorschreven. Een woord kan dus al bepalen hoe serieus iemand wordt genomen.
Het gaat er niet om dat taal niet mag veranderen. Natuurlijk verschuiven betekenissen door de tijd. Soms verandert taal ook ten goede. Zo leidde de discussie over het gebruik van ‘autistisch’ als scheldwoord tot meer bewustwording en een respectvollere omgang met de diagnose. Waar het woord vroeger vaak stigmatiserend werd ingezet, heeft de publieke discussie juist bijgedragen aan meer zichtbaarheid en begrip voor.
Waar het om gaat, is dat taal geen vrijblijvende modeaccessoire is: we moeten ons bewust zijn van de maatschappelijke prijs die ons gebruik ervan kan hebben, zeker als het gaat om begrippen die voor patiënten het verschil maken tussen gehoord worden of niet. In spreekkamers, bij verzekeringskeuringen, en in publieke discussies over zorg en arbeid.
Zorgvuldigheid is dus nodig wat betreft woorden die de levens en gezondheid van mensen beschrijven. Niet om taal te bevriezen, maar om recht te doen aan hen voor wie deze woorden geen metafoor zijn. Want de inflatie van betekenis lijkt onschuldig, totdat degene die de taal werkelijk nodig heeft, niets meer kan zeggen.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant