Onderwijs Gouke Moes (BBB), die als nieuwe demissionaire minister van Onderwijs meteen onder vuur lag vanwege een tweet, is zich ervan bewust dat hij nu een „heel andere rol” heeft. Van het Gaza-debat op universiteiten blijft hij liefst ver weg.
De nieuw aangetreden demissionaire minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in het demissionaire kabinet Gouke Moes (BBB), in de Tweede Kamer.
Zo uitgesproken als BBB’er Gouke Moes was op Twitter toen hij nog Statenlid was in Groningen, zo voorzichtig koos hij woensdag zijn woorden in de Tweede Kamer, als net aangetreden minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in het demissionaire kabinet. Meteen na zijn beëdiging vorige week vrijdag zei hij sorry voor een tweet van vorig jaar over een zebrapad in regenboogkleuren. Dat regenboogpad, symbool voor acceptatie van seksuele diversiteit, noemde hij vorig jaar even „jammer” als de hakenkruizen waarmee het was beklad. „Had ik niet zo moeten doen”, zei Moes vrijdag. „Ik snap heel goed dat er mensen zijn die dat als provocerend en pijnlijk hebben ervaren.”
Woensdag, tijdens zijn eerste commissievergadering met de Kamer, benadrukte hij dat hij zich vorig jaar op Twitter als „privépersoon” had geuit en dat hij nu als minister een „heel andere rol” heeft. Waarmee hij leek te willen zeggen: voor dit soort tweets van hem hoeft de Kamer niet meer te vrezen.
De commissievergadering waar Moes zijn vuurdoop had, ging over academische vrijheid. Daarmee wordt het recht bedoeld van onderzoekers, docenten en studenten aan universiteiten om in hun werk vrij te denken, onderzoeken en publiceren zonder druk van buitenaf of censuur. GroenLinks-PvdA maakte zich zorgen over de inperking van de vrijheid van wetenschappers in de VS en wil, om te voorkomen dat dit ook in Nederland gebeurt, de academische vrijheid opnemen in de Grondwet. Moes zegde toe daarover advies te vragen aan de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen.
Het debat waaierde al snel uit naar andere onderwerpen, zoals de vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht, doordat op de agenda ook brieven van Moes’ voorganger Eppo Bruins (NSC) stonden over de Gaza-protesten op universiteiten. De nieuwe minister stelde dat zijn verantwoordelijkheid het organiseren van een goed „stelsel” voor het onderwijs is. Met het gesprek op de universiteiten over Gaza wil hij zich inhoudelijk niet bemoeien, dat past niet binnen de vrijheid van onderwijs. Dat het Gaza-debat soms scherp is hoeft geen probleem te zijn, zei hij, zolang er geen geweld wordt gebruikt of haat wordt gezaaid.
Kamerlid Queeny Rajkowski van de VVD vroeg zich af of de minister niet moet ingrijpen als actievoerders vernielingen aanrichten aan gebouwen en Joodse studenten en docenten zich bedreigd voelen. Volgens Moes is ingrijpen in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de universiteitsbesturen. Zij moeten overleggen met de politie en de burgemeester over de veiligheid rond demonstraties en aangifte doen als er sprake is van vernielingen, geweld of bedreigingen. Het is dan aan het Openbaar Ministerie om te vervolgen. Doen de universiteitsbestuurders hun werk niet goed, dan zijn er volgens Moes altijd nog de raden van toezicht om in te grijpen. Hij sprak in dit verband over een ‘escalatieladder’. Pas in laatste instantie komt de minister in actie, door een ‘aanwijzing’ aan een universiteit te geven, bijvoorbeeld om een universiteitsbestuurder te ontslaan. Moes gaf aan dat hij die rol graag aan zich voorbij laat gaan: „We moeten alles in het werk stellen om daar niet te komen.”
Patrick van der Hoeff (PVV) vond dat de academische vrijheid misbruikt wordt door actievoerders. Ook de minister mag zich daar niet achter verschuilen, zei hij. Studenten en docenten mogen net als bouwvakkers en zorgmedewerkers protesteren, zei hij, maar alleen in overleg met de lokale autoriteiten op een daarvoor aangewezen plek, zoals het Malieveld. Universiteitsterreinen vond hij daarvoor ongeschikt. Dat leidde tot fel protest van andere fracties, omdat een verbod tot demonstraties op universiteiten een aantasting zou betekenen van het demonstratierecht en het vrije debat.
Volgens D66 en NSC ligt het probleem niet bij universiteitsbesturen, maar bij het OM, dat te weinig tijd heeft om geweld en vernielingen bij protestacties te vervolgen. „Bij gemaskerde relschopperij is het soms moeilijk om daders op te sporen”, zei de minister, „maar daar ga ik verder niet over”. Hij zei hierover in gesprek te zijn met het ministerie van Justitie en Veiligheid.
Source: NRC