Home

Naast het zelfgeknutselde methpijpje valt in ‘P.I. Haaglanden’ vooral de liefdevolle aanpak van de medewerkers op

Als je vluchtig kijkt, lijkt het een vitrinekast in een plaatselijk museum. Prehistorische steekwapens, allemaal zonder enig modern gereedschap tot bloeddorstige punten geschuurd. Een meth-vredespijpje, gemaakt van een balpen en melbatoastverpakking. Een waterpistool met de inscriptie: ‘echte volgt’. Beveiliger Nick wijst naar een collectie duimtelefoons, (‘Daarvan merken we dat ze in de donkere holtes van personen worden gestopt’), netjes gepoetst.

We zien ‘alle gekke contrabande’ die met zoekacties is aangetroffen in de cellen van de penitentiaire inrichting in Den Haag. De nieuwe docuserie P.I. Haaglanden van RTL volgt de medewerkers van dit complex, waar tweehonderd gedetineerden zitten die fysieke of mentale zorg nodig hebben. Van hen horen we alleen de stemmen, gezichten en bilspleten zijn onherkenbaar gemaakt.

Over de auteur
Simoon Hermus is techredacteur en tv-recensent van de Volkskrant.

De medewerkers en gedetineerden leven in een geprotocolleerde routine waarvan ik knettergek zou worden. Een uitstapje naar de bieb duurt eeuwen, deuren die met pasjes open moeten, metaaldetectors, koppen tellen.

Maar inrichtingswerker Frank heeft geduld. Hij raadt een gedetineerde een boek aan over boeddhisme. Verderop staat Leven met de wind mee, een zelfhulpboek over ‘hoe je moeiteloos kunt leven met minder drama’. Op Bol.com lees ik dat iemand hierdoor geen last meer had van tegenwind op de fiets (vijf sterren).

De tijd tikt hier traag, met postzegels in plaats van internet. Op de luchtplaats staat een gedetineerde die Franks wijsheden op briefjes verzamelt: ‘Als je het verleden niet laat doodgaan, kun je niet leven in het heden.’

Maar als het alarm afgaat, is duidelijk waarvoor al die protocollen dienen. Twee vrouwelijke medewerkers worden op diezelfde luchtplaats ‘gemolesteerd’, alle medewerkers stormen eropaf. Op een ander moment zien we hoe iemand met een dot papier onder zijn schoen bloedspetters van een linoleum gangpad dweilt.

Aanvankelijk werd ik er kriegel van dat medewerkers hier voor de veiligheid álles samen moeten doen, iets dat helemaal in hun taalgebruik is geslopen. Elke activiteit is ‘we’. ‘Na een levering kijken we in de vrachtwagencabine, of er geen verstekelingen plaatsvinden.’ Maar als je ziet hoe mensen doordraaien in een isoleercel, waar ze hun hoofd stukslaan, met poep smileys op de muur kliederen, denk ik ook: er is geen grotere straf dan eenzaamheid.

Dat vinden de medewerkers zelf ook. Ook na scheld- of vechtpartijen blijven ze contact zoeken met gedetineerden. Als ik de liefdevolle manier zie waarop de medewerkers dat doen, dwalen mijn gedachten af naar de mensen die bij mij ’s nachts schreeuwend door de buurt dwalen, alleen, waus van drank, drugs of wanen.

Discussies over wie zorg verdient, voert verpleegkundige Rik op feestjes al lang niet meer. ‘Ik denk: je bent een persoon en hebt hulp nodig. De rest interesseert me eigenlijk geen reet.’ Dat deze mensen tot angstaanjagende dingen in staat zijn, weet hij als geen ander. Of zoals een gedetineerde het zegt: ‘We zitten hier niet voor zweetvoeten.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next