Zolang EU-lidstaten niet bereid zijn om nationale belangen opzij te schuiven, blijft Europese paraatheid vooral een belofte op papier.
Ursula von der Leyen spreekt vandaag haar State of the Union uit. Defensie en veiligheid staan bovenaan de agenda: een Defensiecommissaris, extra middelen voor de industrie en een Paraatheidsunie die de samenleving weerbaarder moet maken tegen crisissen en dreigingen.
Op de achtergrond loopt ook het programma Readiness 2030, de opvolger van het eerder gelanceerde ReArm Europe. Die naamswijziging lijkt detailpolitiek, maar is veelzeggend. Waar ‘ReArm’ voor sommige lidstaten te militaristisch klonk, klinkt ‘Readiness’ neutraler en politiek aanvaardbaarder. Juist dat verschil onderstreept hoe gevoelig defensie blijft in Europa, en hoe lastig het is om van woorden naar duidelijke keuzes en prioriteiten te komen.
Karen van Loon is onderzoeker Security & Defence bij Clingendael Institute.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
De cijfers zijn indrukwekkend. In 2024 gaven de lidstaten samen 326 miljard euro uit aan defensie, ruim honderd miljard meer dan drie jaar geleden. Toch vertaalt dat budget zich maar beperkt in gezamenlijke slagkracht.
De oorzaken zijn bekend. Nationale prestigeprojecten, industriële beschermingsreflexen en vooral het vetorecht in het veiligheidsbeleid maken de Unie traag en inefficiënt. Iedereen verdedigt zijn eigen belangen, waardoor dubbele productielijnen en concurrerende systemen blijven bestaan. Extra geld verandert daar weinig aan zolang de politieke keuzes uitblijven.
In de EU kan elke lidstaat buitenlandse en veiligheidsbeslissingen blokkeren. Dat vetorecht vertraagt het proces en verzwakt vaak de impact. Een overstap naar stemmen met meerderheid klinkt aantrekkelijk, maar is voorlopig politiek onhaalbaar. Wat wel kan, is dat landen die vooruit willen, sneller handelen in kleinere coalities. De verdragen voorzien daar al in, al wordt die mogelijkheid nog weinig benut.
Ook de droom van één Europese defensiemarkt met een centrale aankoper blijft voorlopig buiten bereik. Lidstaten houden vast aan hun nationale industrieën en retourmechanismen. Toch blijkt samenwerking op specifieke terreinen haalbaar. Gezamenlijke aankoopprogramma’s voor munitie en luchtverdediging liggen al op tafel, omdat daar de nood hoog is en nationale symboliek minder zwaar weegt. Resultaten op die terreinen zouden kunnen helpen om later breder samen te werken.
Financiering speelt eveneens een rol. Strenge boetecontracten voor laattijdige leveringen zijn juridisch moeilijk afdwingbaar, maar meerjarige afnamegaranties blijken haalbaarder. Die geven producenten zekerheid, terwijl lidstaten prijsvoordeel en leveringszekerheid krijgen. Bestaande fondsen zoals het Europees Defensiefonds bieden daarvoor al instrumenten; nieuwe structuren zijn niet noodzakelijk.
Ook op technologisch vlak klinkt veel ambitie, maar een duidelijke strategie ontbreekt. Over artificiële intelligentie wordt vaak gesproken, terwijl concrete plannen voor militair gebruik schaars zijn. Een Europese aanpak zou zich voorlopig beter richten op toepassingen met dubbel gebruik, zoals logistiek, onderhoud of cyberdetectie. Die zijn minder controversieel en leveren sneller bruikbare resultaten op. Een gezamenlijke testinfrastructuur kan dat proces ondersteunen en tegelijk kosten beperken.
De vraag is of er politieke wil bestaat om zulke stappen vol te houden. De urgentie die een veranderend dreigingslandschap met zich meebrengt, wordt breed gevoeld, maar vertaalt zich niet altijd in gezamenlijke actie. Een jaarlijkse Europese paraatheidsraming zou inzicht kunnen geven in de hiaten. Transparantie hoeft niet meteen publiek te zijn: interne rapportering in de Raad en het Parlement kan een eerste stap zijn, later eventueel gevolgd door meer openheid.
Intussen blijft de afhankelijkheid van de Verenigde Staten een feit. Washington vormt nog steeds de ruggengraat van de westerse veiligheid, vooral wat betreft inlichtingen, lucht- en raketafweer en nucleaire afschrikking. Europa beschikt wel over groeiende eigen initiatieven, zoals gezamenlijke munitieaankopen en luchtverdedigingsprojecten, maar de kloof met de VS blijft groot. Strategische autonomie betekent in die context eerder meer verantwoordelijkheid opnemen binnen de NAVO dan volledige loskoppeling. Investeringen in munitie, luchtverdediging, logistiek en elektronische oorlogsvoering kunnen de Europese rol versterken en tegelijk de Amerikaanse last verlichten.
Von der Leyen heeft gelijk dat naïviteit geen optie meer is. Of die vaststelling ook leidt tot duurzame veranderingen, hangt af van de bereidheid van lidstaten om nationale belangen opzij te schuiven. Zolang dat niet gebeurt, blijft Europese paraatheid vooral een belofte op papier.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant