Probeert u zich even te verplaatsen in de positie van VVD-minister Ruben Brekelmans. Wat zou ú gedaan hebben als u op zo’n bedenkelijke manier tot de orde werd geroepen als hij door zijn leider? Zou u uw kont tegen de VVD-krib hebben gegooid of zou u zich toch maar gehoorzaam hebben geschikt?
In het tv-programma Buitenhof zei Brekelmans zondag dat zijn partij GroenLinks-PvdA niet wilde uitsluiten omdat het land „dan heel onbestuurbaar” zou worden. Kranige, verstandige man, zaten we thuis allemaal te denken, want Dilan Yesilgöz had nog maar een dag eerder op het partijcongres gezegd dat „je een stabiel kabinet niet bereikt met een GroenLinks dat de PvdA zo ver uit het midden heeft gerukt”.
Brekelmans zat op dat partijcongres achter haar, samen met andere partijprominenten, braaf te jaknikken, maar dat vergaven we hem dankzij zijn optreden in Buitenhof graag. Totdat hij enkele uren ná Buitenhof een nieuwe draai in het duister maakte en die tweet verstuurde waaraan hij de rest van zijn politieke leven ongenadig herinnerd zal worden: „Ik heb mij bij Buitenhof niet goed uitgedrukt. Laat ik daarom heel duidelijk zijn: regeren met GroenLinks-PvdA is voor de VVD totaal ongeloofwaardig. Met die partij zien wij geen kabinet voor ons dat stabiel is én de juiste keuzes maakt voor Nederland.”
Dus eerst tégen samenwerking met GroenLinks-PvdA, toen vóór en uiteindelijk toch weer tégen. Brekelmans is minister van Defensie, geen functie voor wankelmoedige mensen in gevaarlijke tijden. Wat zal er door hem heen zijn gegaan toen Yesilgöz hem meteen na Buitenhof ongetwijfeld woedend belde?
„Ruben! Dit kun je niet maken!”, zal ze gezegd hebben. „Je weet wat ik hierover op het congres gezegd heb, je zat nota bene twee meter achter me met de rest van de schoolklas. Begrijp je dan niet dat ik me dit niet meer kan veroorloven na alles wat er rond mij gebeurd is? Wil je me kapot hebben? Heb je zelf soms ambities?”
„Nou nou, zo’n vaart zal het niet lopen”, bromt Brekelmans bedeesd, terwijl hij zijn vrouw uit de keuken hoort roepen: „Laat dat mens doodvallen.”
„Zo’n vaart loopt het nu al”, constateert Yesilgöz heftig, „die relzoekers van de pers bellen me plat, je weet toch hoe dat werkt.”
„Láát ze”, zucht Brekelmans.
„Néé, néé”, roept Yesilgöz, „zo makkelijk kom je hier niet mee weg. Ik EIS dat je je woorden terugneemt. Openlijk. Op X, in de pers, in al die talkshows waar je altijd zo graag zit.”
Brekelmans negeert de middelvinger die zijn vrouw nu vanuit de deuropening opsteekt en zegt zachtjes: „Ik moet hierover even nadenken.”
„Nee, nee, nú”, dwingt Yesilgöz met dat hoge stemmetje dat als een mes in je oor kan snijden als je daarvoor gevoelig bent. „We kunnen niet langer aarzelen, we hebben ons nu al belachelijk genoeg gemaakt.”
Brekelmans aarzelt wél. „Wie heeft zich de laatst tijd zó belachelijk gemaakt dat we nu op vijftien zetels staan, jij of ik?” Dat zou hij het liefst zeggen. Maar hij kijkt uit het raam, ziet het pas gemaaide gazon voor zijn huis gloeien in de zomerzon, en hij beseft hoe ver hij het al in zijn nog jonge leven heeft gebracht – en dat het mogelijk nóg verder kan.
„Oké”, zegt hij zacht. „Ik bel ze wel.”
Source: NRC