Een succes is ‘zijn’ Singer Laren de afgelopen zeventien jaar beslist geworden. Museumdirecteur Jan Rudolph de Lorm wist het bezoekersaantal met zijn optimistische programmering flink op te krikken. Het doel: geluksmomentjes uitdelen. Die houding sijpelt door in zijn afscheidstentoonstelling, over 1913, het laatste onbezorgde jaar van de 20ste eeuw.
Het lijkt alsof hij met zijn gefronste blik het aantal mensen telt dat in het restaurant van museum Singer Laren van hun koffie met appeltaart zit te genieten. De denker van August Rodin. In 2007 uit het museum gestolen. Twee dagen later verzaagd teruggevonden. In 2010 puntgaaf gerestaureerd.
Nu zit de bronzen man boven een deur tussen het restaurant en de museumwinkel zich te verbazen over het enorme aantal bezoekers – net als directeur Jan Rudolph de Lorm.
‘Het is soms op het randje, deze lawine’, vertelt De Lorm als hij koffie voor zijn gasten bestelt. Want ja, een succes is ‘zijn’ museum wel geworden. Zo was de afgelopen maanden Wij zijn natuur, de door prinses Irene samengestelde tentoonstelling, een enorme publiekstrekker. Zeventien jaar is De Lorm (66) er nu directeur. En in die zeventien jaar heeft hij het aantal bezoekers weten op te krikken van minder dan 100 naar 320 duizend, vorig jaar.
Oké, 2024 was misschien een uitzondering. Els Blokker, van de gelijknamige winkels, had kort daarvoor het museum meer dan honderd schilderijen uit haar privécollectie geschonken, plus geld om het gebouw uit te breiden met een nieuwe vleugel. De Lorm: ‘Na zo’n verbouwing zie je altijd een tijdelijke opleving. Straks moeten we weer terug naar het nieuwe normaal, zo’n 200 tot 250 duizend bezoekers.’
Dat ‘straks’ zal hij overigens niet meer meemaken: eind dit jaar gaat hij met pensioen. Komende week opent zijn afscheidstentoonstelling, 1913. De grote kunstexplosie, waarin de directeur artistieke ‘knallers’ uit het betreffende jaar wil laten zien.
Links en rechts zwaaiend naar bekenden tussen de bezoekers gaat De Lorm ons voor, over een houten trap, naar de kantoren. In zijn rustieke werkkamer met bureau aan het raam, kasten vol kunstboeken rondom en uitzicht over de tuin van Piet Oudolf, zet hij de koffie op de vergadertafel. Drie taartjes staan er al in gelid. ‘Dit zal ik allemaal erg gaan missen.’
Goed gastheerschap, het doet denken aan hoe Jan Rudolph de Lorm zijn carrière begon. Dat hij na zijn kandidaats bij het Drents Museum stage liep (‘ook een klein formaat’), een paar jaar bleef hangen en ook daar de koffie rondbracht. En dat daarna een voorbeeldige carrière volgde van het Haags Gemeentemuseum richting het Rijksmuseum in Amsterdam waar hij tien jaar conservator was en acht jaar hoofd tentoonstellingen en publicaties.
Totdat hij, nu als directeur, in 2009 verhuisde naar museum Singer Laren, of beter gezegd, naar ’t Gooi. De Lorm kan er na al die jaren nog steeds lyrisch over uitweiden. Over de omgeving, de natuur, de artistieke aantrekkingskracht. Hoe aan het einde van de 19de eeuw een clubje impressionisten – onder wie Anton Mauve, Albert Neuhuys, Jozef en Isaac Israëls – uit de randstad naar de bossen en weidevelden rond Laren en Blaricum trok en in de slipstream daarvan verzamelaars, mensen met geld, en er een heuse kunstenaarskolonie ontstond.
Onder hen het Amerikaanse echtpaar Anna en William Singer. William (1868-1943) was schilder, afkomstig uit een ‘megarijke’ staalmagnatenfamilie. Zijn vader cashte rijkelijk door een fusie met Carnegie en de verkoop van zijn aandelen, waar zoonlief weer van profiteerde.
Anna (1873-1962), pianist en kunstliefhebber, verzamelde kunst en bouwde hun collectie Hollandse impressionisten uit, om later, in 1956, een museum te stichten plus concertzaal aan huis. Singer Laren was geboren. Feitelijk uniek, volgens De Lorm, ‘omdat het op de plaats staat waar de schilders ook daadwerkelijk aan het werk waren’.
Het viel De Lorm op dat met die productieve verwantschap tussen kunstenaars en omgeving veel meer gedaan kon worden. Zijn eerste impressie van het museum: het had een hechte schare van supporters, maar het gebouw was verouderd en versleten, had met tegenvallende bezoekerscijfers te kampen en werd, heel anders dan bij het Rijksmuseum, bestierd door enkele oud-bankiers.
Dat moest anders. ‘Je kunt in deze streek plekken bezoeken die een-op-een geschilderd zijn.’ Niet alleen door de Hollandse impressionisten, wil hij graag kwijt. Ook Piet Mondriaan, Bart van der Leck, de Duitsers Max Liebermann en Max Beckmann kwamen naar ‘de heilige grond van ’t Gooi’, zoals De Lorm het typeert. ‘Er zijn weinig musea die die geschiedenis kunnen laten zien. Ik dacht gelijk: dat moeten we claimen. Het is gewoon een gouden plek.’
‘Nu kwam ik uit het Rijksmuseum. Had daar een geweldige baan. Je zit er op een plateau. Je wordt verwend. Vliegt businessclass naar L.A. om daar als eregast te worden ontvangen op een tentoonstelling. Ik werkte met Peter Greenaway. Maakte presentaties in het Rijksmuseum op Schiphol. Mijn laatste expositie in het Rijks was van Damien Hirst en zijn diamanten schedel. Mijn eerste in Singer was van kunstvereniging Laren-Blaricum. Een groot verschil.’
Hij sprak zichzelf moed in: ‘Niet zeiken. Als je dit wilt, dan ga je er ook voor. Ik wilde vrij zijn. Zelf beslissingen maken. Dingen maken. Knutselen. Kijk, ik ben begonnen in het zilver, als conservator goud en zilver in het Rijksmuseum. Dat was een cerebrale relatie, intellectueel. Maar ik wilde uiteindelijk iets doen met moderne kunst. Dat ligt emotioneel dichter bij me.’
Wat De Lorm bij zijn binnenkomst in ’t Gooi ook direct opviel: ‘Ik merkte dat hier veel geld zit. Gepensioneerde CEO’s, mensen die hun bedrijf hebben verkocht, maar die zich in het museum wel thuis voelden, met elkaar naar het theater gingen en iets met kunst deden.
‘Het is nog steeds waarin we ons onderscheiden. Het vriendschappelijke, de menselijke maat. In het Singer zat vroeger iedereen aan de stamtafel, als in de kroeg. Niet vanwege de status of om gezien te worden, zoals bij het Rijksmuseum. Ik maak ook geen tentoonstellingen voor mijn collega’s, maar voor ons publiek.’
De Lorm besefte al snel dat, als je mensen verliefd wilt laten worden op het verhaal van de kunstenaars in ’t Gooi, ‘dan moet je ook de stukken daarvoor hebben. We zijn een verzamelaarsmuseum, ontstaan uit de collectie van het echtpaar Singer.’
Het was dus zaak om andere musea te benaderen voor bruiklenen en om collectiedelen mee uit te wisselen. En om nieuwe collectioneurs te vinden van wie hij op den duur kunstwerken voor zijn museum kon bemachtigen. Dat is hem goed gelukt: ‘Ik durf wel te zeggen dat 95 procent van onze verzameling schenkingen zijn.’ Soms met ‘koude hand’, na hun dood, soms met ‘warme hand’, tijdens hun leven. ‘Ze willen dat hun kunst een goede bestemming krijgt. De kinderen hebben niet altijd dezelfde smaak om het in huis te laten hangen.’
‘Er is de afgelopen tientallen jaren veel geld verdiend in Nederland. En die mensen, nu 80-plussers, van wie een aantal kunst heeft verzameld, willen iets terugdoen voor de samenleving.’
Wat daarbij meezit, volgens de directeur, is dat de overheid ze daarbij helpt. ‘Door ze gunstige belastingconstructies te bieden. Zoals korting op de erfbelasting. Of andere voordelen. Indirect helpen we ze daarbij. Het is een wederzijds belang.’
‘We zijn een stichting. Slechts 4 procent van onze begroting is afkomstig van de overheid. Belangrijk zijn, naast de eigen inkomsten van bezoekers, de winkel en verhuur, ook de vrienden, fellow founders en mecenassen, die jaarlijks tussen de 100 euro en 10 duizend euro doneren, zoiets. Naast de sponsors en de schenkers dus, van wie Els Blokker er een is, die ik al vanaf het eerste jaar ken.’
‘Het gaat erom dat je een goede relatie opbouwt. Dat gaat over een langere periode. Dat mensen weten: o, Jan Rudolph is echt iets aan het opbouwen. Die is betrouwbaar. Zo komen er door Els weer andere schenkers op de proppen. Het is toch een zwaan-kleef-aan-effect. Via haar heb ik nu contact met een anonieme schenker met wie ik ruim twee jaar regelmatig koffie heb gedronken. Zo bouw je een hechte band op.’
Op de vraag of dat niet iets berekenends heeft, antwoordt hij van niet. ‘Ik doe het niet voor mezelf, maar om van Singer iets bijzonders te maken. Mensen komen naar mij toe, vragen of je openstaat voor een schenking. Ik krijg wekelijks mails van mensen die iets willen verkopen. Het is een lang proces. Je scheurt niet even naar iemands huis om een schilderij in je achterbak te gooien.’
Hij weet niet hoeveel tijd hij kwijt is aan koffiedrinken, werving en socializing. ‘Het gaat me goed af. Ik ben opgegroeid met vier oudere zussen. En nu tref ik wat oudere dames. Ik leg makkelijk contact. Ik kan mensen heel erg meeslepen, denk ik. Ik ben enthousiast. En daarbij ben ik behoorlijk bezeten, ook om mensen blij te maken met kunst. Dat is mijn enige functie hier. Ik ben een kunstclown.’
De afgelopen zeventien jaar was niet alleen een groot feest. Tegenvallers kende De Lorm ook. ‘Er was brand in een museum waaraan we een aantal schilderijen hadden uitgeleend, maar waarbij wonder boven wonder slechts één kunstwerk verloren ging.’ Bij zijn aanstelling kreeg hij de erfenis van de vernielde Denker van Rodin, en of die al dan niet moest worden gerestaureerd. ‘Uiteindelijk heb ik dat gevoelsmatig beargumenteerd. Als het gezicht van je kind bij een zwaar auto-ongeluk zwaar wordt beschadigd, ga je toch ook naar een plastisch chirurg?’
Waarschijnlijk het pijnlijkste moment in De Lorms loopbaan: de diefstal van een Van Gogh. Het schilderij, Lentetuin, de pastorietuin te Nuenen in het voorjaar, was nota bene geleend van het Groninger Museum, en werd op een vrij eenvoudige manier van 29 op 30 maart 2020 ontvreemd, door Nils M., die met een moker twee glazen deuren inramde.
‘Een nachtmerrie. En dat na het trauma van de vernieling van Rodins Denker. En ook nog eens tijdens die shitty covid-tijd. Ik was ongelooflijk boos en verdrietig. Er was iets van ons afgenomen, iets van Vincent, die daaraan met hart en ziel had gewerkt. Natuurlijk hebben we ons verwijten gemaakt.’
De Lorm ziet een persoonlijke parallel. ‘Toen ik hier nog niet zo lang zat, liep mijn huwelijk op de klippen. Verschrikkelijk. Ik voelde me schuldig. Werd depressief. Maar na negen maanden is het weer goed gekomen met ons huwelijk. En daarna alleen maar beter.’
‘Zo’n diefstal maakt ook veel energie los. Ik weet nog dat Evert (Van Os, algemeen zakelijk directeur, red.) en ik de ochtend na de diefstal besloten om vooruit te kijken. Terug dat ding! Fucking shit! Ineens begreep ik waarom ik dit werk deed. Dat kunst niet een dingetje voor de elite is, maar echt relevant. Dat was het positieve.’
Het is zijn instelling, legt De Lorm uit, dat optimistische karakter van hem. In zijn eigen woorden: hij is een ‘geluksvogel’. Is dat ook de reden dat hij op zijn afscheidstentoonstelling vooral werk uit 1913 laat zien, het laatste optimistische jaar van de 20ste eeuw, zoals het wel wordt genoemd?
‘Ik wilde nog iets leuks doen voordat ik wegga. Het was me ook gevraagd: dat het niet als een nachtkaars uitgaat, maar met een knal. Ik las het boek van Florian Illies over 1913, het jaar dat mijn moeder werd geboren. Het viel me op dat het jaar steeds terugkwam in de kunst. De baanbrekende Armory Show in New York. Belangrijke tentoonstellingen in Berlijn en Zürich. De Salon des Independents in Parijs waar Mondriaan en Charley Toorop exposeerden. De oprichting van de Moderne Kunstkring.’
‘Het eerste schilderij dat ik hier tegen het lijf liep was een bloemstilleven uit 1913, van Leo Gestel. Normaal verbeeldt zo’n boeket een vanitasmotief. Over sterfelijkheid. Maar dit knalt, kolkt, zwiert. Alsof de bloemen exploderen. We hadden het in bruikleen van Els en Jaap Blokker. Inmiddels is het van ons. De tentoonstelling moet een enorm spektakel worden. Kijk, feest!’
Vrolijkheid alom. Is hij altijd een optimist geweest? Door hem is Singer wel een niets-aan-de-handmuseum geworden, toch?
‘Ja, daar hebben jullie wel gelijk in. Ik heb het ook altijd aan de stok met mijn vrouw, dat ik de dingen erg positief zie, mooi maak. Ik ben een zondagskind. Als ik wakker word, ben ik blij. Dat past ook bij Singer en wat je de bezoekers wilt bijbrengen: dat ze een geluksmoment, een gelukkig thuisgevoel beleven.’
Wat hij straks gaat doen? Hij blijft wel in het circuit. ‘Dingetjes’ doen voor kunstbeurs Pan Amsterdam en de kunststichting van John en Marine Fentener van Vlissingen. ‘Iets’ schrijven. Of door de zeven handgeschreven boeken van een van zijn voorouders, die een Grand Tour door Europa maakte, uit te werken (‘best wel een klusje’).
Maar voorlopig belangrijkste activiteit: ‘huisje bouwen’. ‘We hebben een koeienschuur gekocht op de Veluwe, op een landgoed, tussen de herten en zwijnen. We gaan daar ons eigen voedsel verbouwen. Nu heb ik de tijd voor andere dingen, want voor dat je het weet zit je weer bij een museum of bij een verzamelaar.’
1913. De grote kunstexplosie. Museum Singer Laren, 16/9 t/m 11/1.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant