Home

Monique van de Ven: ‘Mijn films en collega’s voedden mij op, als actrice maar ook als mens’

Monique van de Ven, actrice Op Film by the Sea krijgt Monique van de Ven een oeuvreprijs, en gaat haar postmoderne nieuwe film ‘Een vrouw als Monique’ in première. ‘Ik voel een totale blijheid.’

Monique van de VenBeeld Martijn Gijsbertsen

Wie Monique van de Ven wil interviewen, wordt bij haar thuis uitgenodigd. In haar villa in Blaricum heeft ze de laatste maanden veel journalisten ontvangen. Eerst vanwege een zeldzame openluchtvertoning van Turks Fruit op de Kop van Zuid in Rotterdam. Nu vanwege Een vrouw als Monique; een (soort van) fictiefilm over haar leven, die komend weekend in première gaat op Film by the Sea in Vlissingen, waar ze ook een oeuvreprijs zal ontvangen. „Dit huis is wie ik ben!”, zegt ze deze nazomer, in kreukloos wit, met getinte bril, boven een kopje thee en een bordje stijlvolle mangosnacks. „Het zegt toch ook veel over mij?”

Wat het zegt: Van de Ven houdt van kunst. Er staan schilderijen op de grond („ik moet minder kopen”). Aan de muren hangen Kees van Dongen, Jan Wolkers en Helen Verhoeven – dochter van Paul. Een vierluik toont haar gezin: Van de Ven, man Edwin de Vries, zoon Sammie, en zoon Nino, die op anderhalfjarige leeftijd overleed aan meningokokkensepsis – hij is iets transparanter geschilderd dan de rest van het gezin. Een leven in en met kunst.

Het is de perfecte setting om te praten over Een vrouw als Monique. Een film met driedubbele bodem. Van de Ven speelt een actrice (genaamd Monique van de Ven) die zich in Frankrijk voorbereidt op een rol als Monique van de Ven, wanneer er een jongen met fietspech (Joes Brauers) aanklopt. Hij spendeert 24 uur met haar, terwijl ze praten over werk en leven. Feit en fictie, film en realiteit, lopen door elkaar.

„Ik ben opgegroeid door de films”, zegt Van de Ven. „Dat wás mijn scholing! Ik zat vanaf mijn negentiende in de filmwereld – mijn films en collega’s voedden mij op, als actrice maar ook als mens. Dus dat loopt ook door elkaar.”

Van de Ven was altijd al entertainer. Toen haar vader overleed werd zij ‘troostmeisje’ van haar moeder: „Mama gelukkig maken. Ik stond altijd tussen de schuifdeuren.” Ze zat pas één jaar op de toneelacademie toen ze voor Turks Fruit gecast werd. Ze stapte op castingdirector Hans Kemna af, die haar introduceerde bij Paul Verhoeven. Hij zette een foto van haar op zijn typemachine zette, en schreef Turks Fruit voor haar. Op haar negentiende had Van de Ven een hoofdrol in wat de succesvolste Nederlandse film aller tijden zou worden: 3,3 miljoen bezoekers, de gouden tijd van de Nederlandse film was aangebroken.

Hoe ging je met dat succes om?

„Behoorlijk relaxed. Paul Verhoeven en [producent] Rob Houwer geloofden in mij. Met Rutger [Hauer] kon ik het heel goed vinden. We waren maatjes. En het was de tijd. Wij waren gewoon zoals we in Turks Fruit waren.”

Je kreeg ook met de roddelpers te maken: toen je kaalgeschoren werd voor ‘Turks Fruit’, stonden de fotografen klaar.

„Nou, dan zat ik ’s avonds met een lelijke pruik op in een restaurant. Dat jeukte enorm. En dan rukte ik ’m af en werd iedereen helemaal gek in dat restaurant… zo ging ik ermee om!

„Het was ook een bijzondere tijd, hoor. Ik kwam op een dag op de set en toen stonden Jan de Bont en Bobby Eerhart daar met kale hoofden: hadden ze zich kaalgeschoren om mij te troosten. Dat Turks Fruit-groepje was fantastisch. Rutger is veel te vroeg overleden. Gerard en Rob overleden dit jaar. Daar heb ik het ook wel met Paul over.”

Was de filmindustrie veilig voor iemand van 19?

„Ik heb in Nederland eigenlijk nooit problemen gehad. Maar in Amerika en Duitsland wel. Echt walgelijke dingen.”

Zoals wat?

„In Duitsland dacht een producent mij gewoon te kunnen kopen. Dan kreeg je heel veel geld en dachten ze: ‘She’s mine! Ik kan haar manipuleren – niet alleen seksueel, maar qua rol, qua alles. Ik had daar een vreselijke regisseur: Alfred Vohrer. Die had een afgehakte hand en die deed hij de hele tijd zo: omhoog! En die moest dan naar beneden geduwd worden. Echt een griezel! En daar zat je dan in München, in je eentje.”

Met Jan de Bont verhuisde je naar Amerika. Daar vond je het niks, hè?

„Het was niet mijn favoriete land, en nu nog minder. Het was toen Reagan-tijd. Buitenlanders waren niet zo welkom en ik had natuurlijk een soort van accent. Dus die producenten dachten: dan kunnen we beter Meryl Streep nemen en haar een accent geven dan een buitenlandse actrice inhuren. Eerst woonden we daar onder het Hollywood-sign, maar later gingen we naar Acton, waar Tippi Hedrens ranch ook is. En ik was daar gewoon eenzaam.

„Maar het was ook een leerzame tijd. Ik ging naar UCLA en deed daar een acting en directing workshop. Method acting, van Delia Salvi [die ook Marlon Brando lesgaf]. Daar leerde ik mij helemaal overgeven aan een regisseur. Dat soort vervolgopleidingen bestonden in Nederland helemaal niet.

„Amerika gaf mij de tijd om volwassen te worden, zonder afgeleid te worden door Nederland. Als jonge actrice ging ik als een huppelend veulen door de wei. En uit Amerika kwam een vrouw terug die zelfbewuster en maatschappelijk geëngageerd was en daardoor ook andere keuzes maakte.”

Monique van de Ven speelt zichzelf in ‘Een vrouw als Monique’. Beeld Martijn Gijsbertsen

Je werkte met feministische filmmakers als Nouchka van Brakel en Mady Saks. Spiegelde dat die ontwikkeling?

„Ik werd absoluut feministischer. En onafhankelijker. De buitenwereld zag mij natuurlijk altijd als dat meisje van Turks Fruit. En ook critici dachten dat ik alleen dat soort rolletjes kon spelen. En ik wilde niet alleen maar… ik wil het woord niet zeggen want dan komt het in de kop.”

‘Tieten-en-kont-rollen’ noemde je het ooit?

„Ja, of huppelkutjes, of whatever. Ik had behoefte aan meer vlees en meer houvast.”

In 1979 speelde je een lesbische vrouw in ‘Een vrouw als Eva’. Dat was vrij nieuw in de Nederlandse film.

„Ook in Amerika. Toen de film daar uitkwam, zaten de zalen in Portland en Seattle vol met vrouwen die joelend riepen: „Finally, a film about us!” En in Nederland heb ik vrienden die uit de kast kwamen nadat ze de film zagen. Ik zal de namen niet noemen… Trouwens dat vinden ze helemaal niet erg: Claudia de Breij, Paul de Leeuw. Die gingen naar die film en dachten: ‘Nou weet ik het!’ If you can see it, you can be it. Die film heeft veel losgemaakt. En opengebroken. Nou ja, net zoals Jan Wolkers dat deed met Turks Fruit.”

Uiteindelijk lukte het je om dat Turks Fruit-imago achter je te laten. Hoe deed je dat?

„Nou, ik kreeg een A4’tje met het idee voor Ademloos, een film over postpartum depressie van Mady Saks. En dat deed wat met mij. Dit soort vrouwen wilde ik spelen. Vóór de opnames van Ademloos sprak ik talloze vrouwen die in een depressie zaten. Ze konden hun pasgeboren kinderen niet verzorgen, het huis was een puinhoop. Daar werd nooit over gesproken. Dat vond ik belangrijk. Daarna kreeg ik andere rollen aangeboden.”

Nadat Nino overleed, redde de film ‘Lang leve de koningin’ je leven, zeg je in ‘Een vrouw als Monique’. Waarom?

„Ik had heel veel rouw in mijn lijf. Ik zat hier met een vier maanden oud kindje. En ik kon niet eens naar de Albert Heijn. Dus ik dacht: ik blijf gewoon in mijn cocon. Lekker met Sammie en Edwin. Toen kwam Esmé [Lammers], en die zei: ‘Dit ga jij nu lezen, en daarna ga je het gewoon doen.’ Dat gaf me het zetje om weer de confrontatie aan te gaan.”

Hoe speel je jezelf eigenlijk?

„Het werd écht een rol, terwijl het over mij ging. Maar dat voelde heel organisch. Dat kwam omdat we in Bretagne zaten, met een kleine ploeg. En omdat Joes zo oprecht nieuwsgierig was. De interactie die wij hadden deugde gewoon. Zo werd hij in de film ook echt een soort zoon voor mij. Het leek alsof het gewoon ontstond. Maar Claire [regisseur Pijman] had het stiekem helemaal in haar hoofd, hoor.”

Joes speelt eigenlijk je zoon Nino, wist je dat van te voren?

„Totaal niet. Bizar toch?”

Wanneer kwam je erachter?

„Pas toen we de film voor het eerst zagen en mijn zoon Sammie dat zei!”

Hoe vond je dat? Je kunt ook denken: dat had ze je wel even mogen vertellen?

„Ik vond het juist zo goed. Anders werd het misschien heel zwaar of melodramatisch.”

Je praat in het echt ook nog steeds tegen Nino, zeg je in de film.

„Ik vraag advies aan hem. Dat geef ik dan aan mezelf natuurlijk, maar we doen alsof. Ik vind het gewoon gezellig dat hij er is, dat hij bij de familie hoort. Er hangt een schilderij van hem in de woonkamer, en ik heb in mijn kamer foto’s van hem. Dan aai ik hem af en toe even over zijn neus. Ik heb gewoon geen zin om hem er niet bij te hebben.”

Met Joes Brauers krijgt Nino voor het eerst een echte gestalte, is dat ongeveer hoe je je hem had voorgesteld?

„Nou ja, als je Sammie ziet opgroeien, denk je weleens: ‘Goh, hoe zou dat geweest zijn? Wat zou hij nu doen?’ Vroeger dachten we dat hij dirigent zou worden. Hij groeide altijd een beetje mee, in wat voor vorm dan ook.”

Jij en Edwin zijn altijd heel open geweest over het verlies, heeft dat iets helends?

„Ik heb geen reden om er niet open over te zijn! Als mensen ernaar vragen, is er kennelijk behoefte aan. Maar ik wil Nino wel minder opvoeren in interviews, anders wordt het een beetje pathetic. Hij is 32 jaar geleden doodgegaan. Het kind is natuurlijk heel belangrijk in ons leven geweest. Maar het moet ook weer niet zo groot worden dat het onleefbaar is. We zijn er open over omdat dat helend kan zijn. En omdat je hem er een beetje bij wil houden. Maar het is niet zielig of sneu.”

Als ik interviews teruglees valt het me op dat je sowieso erg openhartig bent. Heeft dat te maken met vertrouwen?

„Zeker! Het lijkt me zo vermoeiend om alsmaar wantrouwend te zijn. Maar ik vind het nu wel moeilijk hoor, de wereld. Jesus. Ik merk dat ik wat meer bescherming om me heen creëer. Dat ik negativiteit minder binnen laat komen. Ik ben ook wat terughoudender geworden qua openheid. Maar ik hoef niet meer alles te vertellen.”

Je bent dit jaar veel aan het terugblikken. Hoe is dat? Een mens kan er melancholisch van worden.

„Het is een totale blijheid. Ik heb nooit nagedacht over ‘een oeuvre’ – ik leefde van film naar film. Nu ik terugkijk, ook door alle interviews, zie ik ineens echt een body of work. Dat is best indrukwekkend.”

Ze kijkt naar buiten, het is gaan regenen. „Ach, wat vervelend voor je! Zal ik je zo even naar het station brengen?”

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Film

De beste filmstukken interviews en recensies van de nieuwste films

Source: NRC

Previous

Next